Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AU8803

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-12-2005
Datum publicatie
28-12-2005
Zaaknummer
2005
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beslissing verzoek verlof ex artikel 552p lid 2 Wetboek van Strafvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer :

Datum uitspraak: 28 december 2005

Beslissing verzoek verlof ex artikel 552p lid 2 Wetboek van Strafvordering

Beslissing van de rechtbank te Utrecht, meervoudige raadkamer voor strafzaken, naar aanleiding van het verzoek van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank ex artikel 552p lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, in het kader van een uit België afkomstig internationaal rechtshulpverzoek, in de aldaar aanhangige strafzaak tegen

[verdachte 1]

en

[verdachte 2]

Deze beslissing is gewezen naar aanleiding van het onderzoek in openbare raadkamer van 21 december 2005.

Ter zitting zijn gehoord:

De officier van justitie;

Mr. C. van der Stichelen, raadsvrouwe van verdachte [1];

Mr. A.H.J.G. van Voorthuizen, raadsman van belanghebbenden [1] en [2];

[belanghebbende 1];

Dhr. H.C. van den Bos, medewerker Bureau Jeugdzorg, namens de Stichting Bureau Jeugdzorg te Utrecht.

Opgeroepen voor de zitting, doch niet verschenen zijn:

Verdachte [1] en belanghebbende [2].

De rechtbank heeft kennis genomen van en acht geslagen op de inhoud van het dossier, waaronder:

- verzoek verlof ex art 552p, tweede lid, Sv d.d. 24 oktober 2004, van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, strekkende tot verlof om het celmateriaal van [de baby] ter beschikking te stellen van de officier van justitie, opdat deze dit kan overdragen aan de verzoekende autoriteiten;

- attest van geboorte van [de baby] te […] op […], afgegeven op 01 maart 2005;

- stukken rogatoire commissie van gerechtelijk arrondissement Oudenaarde d.d. 25 mei 2005 en een aanvullend rogatoir verzoek d.d. 29 juni 2005 onder meer strekkende tot afname van een DNA-staal bij [de baby], dienstig voor een vergelijkend DNA-onderzoek en deze staal over te maken naar België opdat het vergelijkend onderzoek aldaar zou kunnen plaatsvinden, waarbij de rechtbank opmerkt dat waar gesproken wordt over [de baby], geboren op […], wordt aangenomen dat bedoeld wordt [de baby], geboren op […];

- vordering van de officier van justitie d.d. 13 juli 2005 tot uitvoering van het rechtshulpverzoek;

- verklaring van O. Smit, voogd van [de baby], afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris in deze rechtbank d.d. 22 september 2005, waarin deze Smit toestemming verleent tot afname van celmateriaal;

- brief van O. Smit, d.d. 13 oktober 2005, gericht aan de rechter-commissaris in deze rechtbank;

- verklaring van [belanghebbende 1] en diens advocaat, afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris in deze rechtbank d.d. 04 oktober 2005, waarin zij zich verzetten tegen het afnemen van celmateriaal;

- beschikking op de vordering ter uitvoering rechtshulpverzoek d.d. 13 oktober 2005, waarbij rechter-commissaris voornoemd bepaalt dat celmateriaal bij [de baby] zal worden afgenomen;

- proces-verbaal van verbalisant A.J. van Daatselaar d.d. 19 oktober 2005, waaruit blijkt dat bij [de baby] celmateriaal is afgenomen en het aanvullend proces-verbaal;

- het faxbericht van de rechter-commissaris voornoemd d.d. 20 oktober 2005 gericht aan de technische recherche te Utrecht, inhoudende de inbeslagname van het bij [de baby] afgenomen celmateriaal;

- proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris voornoemd van de getuigen [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] d.d. 27 juni 2005;

- brief mr. Van Voorthuizen (advocaat [belanghebbenden 1 en 2]) d.d. 03 oktober 2005, gericht aan de rechter-commissaris, met bijlagen;

- brief van mr. Van Voorthuizen (advocaat [belanghebbenden 1 en 2]) d.d. 31 oktober 2005, gericht aan mr. Aardema.

De rechtbank heeft tevens gelet op:

Benelux Uitleverings- en Rechtshulpverdrag (d.d. 27 juni 1962) artikelen, 2, 20, 22 en 24;

Artikel 417 bis 3º Strafwetboek en artikel 417 quinquies Strafwetboek (Bëlgie);

Artikel 151a Wetboek van Strafrecht;

Artikel 138a Wetboek van Strafvordering met de Memorie van Toelichting.

Overweging

Op 24 oktober 2005 heeft de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken verzocht verlof als bedoeld in artikel 552p, tweede lid, Wetboek van Strafvordering te verlenen om het celmateriaal van [de baby] ter beschikking te stellen aan de officier van justitie opdat deze dit kan overdragen aan de verzoekende autoriteiten.

Alvorens te beslissen dient de rechtbank na te gaan of aan alle in verdrag en wet genoemde voorwaarden is voldaan.

De rechtbank stelt vast dat het rechtshulpverzoek is gegrond op het Benelux Uitleverings- en rechtshulpverdrag (hierna: het verdrag) en is gedaan door een daartoe bevoegde autoriteit.

Gelet op het bepaalde in artikel 22, eerste lid, van het verdrag en artikel 552k Sv wordt aan een rechtshulpverzoek zoveel mogelijk het verlangde gevolg gegeven.

Het kan (artikel 22, lid 2 van het verdrag en artikel 552m Sv) en moet (artikel 552l Sv) worden geweigerd in de daar genoemde gevallen.

De rechtbank stelt vast dat het rechtshulpverzoek is gedaan met het oog op waarheidsvinding in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Niet is gebleken dat andere motieven aan het verzoek ten grondslag liggen. Het vertrouwensbeginsel is van toepassing. De vraag of het DNA-onderzoek van belang is voor de waarheidsvinding is ter beoordeling van de Belgische onderzoeksrechter. De raadkamer treedt niet in deze beslissing.

Het verweer van de raadsvrouwe dat het verzoek in strijd is met de openbare orde, omdat het kennelijk is gedaan om de afstamming van [de baby] vast te stellen treft geen doel. Immers dat in de strafzaak ook aspecten van afstamming een rol spelen, doet aan het doel van het rechtshulpverzoek, te weten waarheidsvinding, niet af.

Verder overweegt de rechtbank dat de grieven van de raadsvrouwe betreffende de toelaatbaarheid van DNA-onderzoek in het kader van de huidige verdenking niet in deze procedure kunnen worden ingebracht, maar dienen te worden ingebracht in de Belgische strafprocedure.

Artikel 2 juncto artikel 24, lid 2, van het verdrag bepalen dat sprake dient te zijn van feiten die krachtens de wetten van de verzoekende partij en van de aangezochte partij strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf, of met een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt, met een maximum van ten minste zes maanden, danwel met een zwaardere straf of maatregel.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze bepalingen van toepassing nu het gaat om inbeslagname en uitlevering van celmateriaal.

Blijkens het rechtshulpverzoek is de Belgische strafbepaling art. 417 bis 3º Strafwetboek in het geding, waarop een gevangenisstraf van 15 dagen tot 2 jaar gesteld is.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het materiële feit omschreven in het rechtshulpverzoek valt onder de Nederlandse strafbepaling van artikel 151a Wetboek van strafrecht, waarop een gevangenisstraf van ten hoogste 6 maanden is gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat beide artikelen in de kern hetzelfde rechtsbelang beogen te beschermen.

Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het hiervoor genoemde vereiste van dubbele strafbaarstelling en wordt het verweer op dit punt verworpen.

Op de voet van artikel 552o Sv heeft de rechter-commissaris in deze rechtbank dezelfde bevoegdheden voor het laten verrichten van een DNA-onderzoek en het daartoe bevelen van het afnemen van celmateriaal, als hem toekomen in een gerechtelijk vooronderzoek. Artikel 195a, eerste lid, Sv bepaalt dat celmateriaal slechts kan worden afgenomen met schriftelijke toestemming van betrokkene.

In de onderhavige zaak is in dit kader van belang dat de voorlopige voogdij en daarmee het gezag over [de baby] thans in handen ligt van Stichting Bureau Jeugdzorg te Utrecht. De door dhr. O. Smit, namens deze voogdij-instelling, gegeven schriftelijke toestemming tot afname van celmateriaal, is derhalve rechtsgeldig gegeven.

De rechtbank verwerpt dan ook het door de raadsman gevoerde verweer op dit punt.

Gelet op het hiervoor gestelde is de rechtbank van oordeel dat het verzoek voor inwilliging vatbaar is.

Artikel 552p, derde lid, Sv is is naar het oordeel van de rechtbank van toepassing.

BESLISSING:

De rechtbank staat het door de rechter-commissaris verzochte verlof toe in dier voege dat het in het verzoek van de rechter-commissaris genoemde inbeslaggenomen celmateriaal aan de officier van justitie ter beschikking kan worden gesteld, opdat deze dit kan overdragen aan de verzoekende autoriteiten. Daarbij bepaalt de rechtbank dat het verlof slechts wordt verleend onder het voorbehoud dat bij de afgifte van voormeld celmateriaal aan de buitenlandse autoriteiten wordt bedongen dat het (restant)celmateriaal na gebruik wordt teruggezonden, zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.

Deze beslissing is genomen door mrs P. Bender, F.M.D. Aardema en P.J.M. Mol,

bijgestaan door D.G.W. van de Haar-Kleijer als griffier

en uitgesproken ter openbare raadkamer van deze rechtbank van 28 december 2005.

Mr. Mol en de griffier zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.