Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AU8525

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
SBR-05-861
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ter beoordeling is de vraag of de rechtbank bevoegd is van dit geschil kennis te nemen gelet op het tijdsverloop van 18 maanden tussen de datum waarop het primaire besluit betrekking heeft en de datum waarop de WAO-uitkering is ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat de intrekking in dit geval geheel is gelegen binnen de grondslag en reikwijdte van het primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

Reg. nr.: SBR 05/861

UITSPRAAK van de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht, in het geding tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

e i s e r e s,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (Uwv),

v e r w e e r d e r.

1. INLEIDING

Bij besluit van 28 augustus 2003 heeft verweerder de uitkering van eiseres ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 29 oktober 2003 herzien en nader bepaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Bij besluit van 4 maart 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 28 augustus 2003 ongegrond verklaard en daarnaast de WAO-uitkering van eiseres met ingang van 26 april 2005 ingetrokken. Eiseres heeft tegen het besluit van 4 maart 2005 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 oktober 2005, waar eiseres is verschenen, vergezeld door haar echtgenoot [echtgenoot]. Namens verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen A.M.M. Schalkwijk, werkzaam bij het Uwv.

2. OVERWEGINGEN

Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

Eiseres, die laatstelijk voltijds werkzaam is geweest bij de [werkgever], heeft zich per 6 november 1996 ziek gemeld in verband met toename van hoofdpijn en nekklachten na een voorval in juli 1996 toen zij de achterklep van haarauto, een 3 deurs Nissan Micra, op haar achterhoofd kreeg geslagen toen zij diep voorovergebogen stond om iets in de kofferruimte op te bergen.

Eiseres is per einde wachttijd, te weten 5 november 1997, ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55% van de WAO. Per 30 januari 1998 wordt zij volledig arbeidsongeschikt beschouwd en is zij na een wachttijd van vier weken ingaande 27 februari 1998 ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.

Eiseres is op 24 april 2003 in het kader van een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid gezien door de verzekeringsarts O.C. van Oostrum. De rechtbank stelt in dit verband vast dat de verzekeringsarts in zijn rapportage van 24 april 2003 het volgende heeft vermeld: "Hoewel de klachten medisch niet goed objectiveerbaar zijn en de diagnose meer een omschrijving van haar klachten is worden toch beperkingen aangenomen gezien de consistentie van het klachtenpatroon en het adequate herstel gedrag." De verzekeringsarts heeft de belastbaarheid van eiseres weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van dezelfde datum.

De arbeidsdeskundige A. Waltman heeft in zijn rapportage van 10 juli 2003 geconcludeerd dat de arbeidsongeschiktheid van eiseres, met inachtneming van het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon, is afgenomen tot een mate van 15% tot 25%.

Bij besluit van 28 augustus 2003 heeft verweerder de WAO-uitkering van eiseres in het kader van een vijfdejaarsherbeoordeling per 29 oktober 2003 herzien en haar mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 15 tot 25%. Eiseres heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Naar aanleiding van dit bezwaarschrift is eiseres op 10 maart 2004 in de gelegenheid gesteld haar bezwaren mondeling toe te lichten. In aansluiting hierop en naar aanleiding daarvan hebben neurologisch expert R.M. Boone op 30 juli 2004 en psychiater-psychoanalyticus B. Oskam op 7 augustus 2004 op verzoek van verweerder een expertise uitgebracht.

De rechtbank stelt vast dat in de rapportage van 20 augustus 2004 van de bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns het volgende is te lezen: "Bij de thans verrichte neurologische en psychiatrische expertiseonderzoeken werden evenmin als in het verleden, concrete, feitelijke afwijkingen/stoornissen, noch daaraan te relateren feitelijke beperkingen vastgesteld. De neuroloog Boone meldt desgevraagd: "op neurologisch terrein was er ten tijde van de datum in geding 29-10-2003 geen sprake van objectief vast te stellen ziekten of gebreken. Op neurologisch terrein zijn er voor betrokkene geen beperkingen aan te geven". De psychiater Oskam vermeldt: "ten tijde van de datum in geding,

29 oktober 2003, was er geen sprake van een psychiatrische ziekte of gebrek. Geen objectiveerbare beperkingen". (...) Er is, oordelend naar de criteria van het schattingsbesluit en de daarin opgenomen oordeelsvorming, geen sprake van beperkingen als een rechtstreeks, objectief-medisch vast te stellen gevolg van ziekten en/of gebreken. Cliënte dient dan ook als normaal, d.w.z. zonder medische beperkingen, belastbaar geacht te worden met arbeid."

Bij brief van 31 augustus 2004 heeft verweerder eiseres bericht voornemens te zijn het besluit van 28 augustus 2003 te herzien en de WAO-uitkering van eiseres in te trekken. Bij brief van 3 oktober 2004 heeft eiseres daartegen bezwaar gemaakt. Op 16 november 2004 is eiseres in de gelegenheid gesteld deze bezwaren mondeling toe te lichten. Naar aanleiding van deze bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts J.J. Nasheed-Linssen op

25 november 2004 een nadere rapportage uitgebracht, waarbij zij benadrukt dat het niet nodig is een éénmaal verkeerd ingeslagen weg te continueren en waarbij zij het standpunt dat eiseres zonder beperkingen geschikt kan worden geacht voor arbeid conform haar opleiding en capaciteiten heeft bevestigd.

In aansluiting hierop heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

Alvorens aan een inhoudelijke beoordeling van het voorliggende geschil kan worden toegekomen, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de rechtbank bevoegd is van dit geschil kennis te nemen. In het onderhavige geval is immers sprake van een aanzienlijk tijdsverloop van bijna 18 maanden tussen de datum waarop het primaire besluit betrekking heeft en de datum waarop de WAO-uitkering is ingetrokken. De rechtbank ziet zich dan ook gesteld voor de vraag of het nadere intrekkingsbesluit valt binnen de grondslag en reikwijdte van het besluit van 28 augustus 2003. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 6 november 2001, AB 2002, 217.

Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Uit de jurisprudentie van de CRvB blijkt dat de Raad, gelet op het karakter van de bezwaarprocedure, van oordeel is dat de heroverweging van besluiten, zich er niet tegen verzet dat de herroeping van het primaire besluit en de vervanging daarvan door een nieuw besluit ertoe leidt dat - op grond van eisen van zorgvuldigheid - de intrekking of herziening met ingang van een later tijdstip plaatsvindt. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de CRvB van 4 april 2001, gepubliceerd in USZ 2001, 163.

De rechtbank vat het bestreden besluit aldus op dat verweerder in het kader van de heroverweging in bezwaar het primaire besluit in die zin heeft herroepen en heeft gewijzigd dat de in het primaire besluit vervatte herziening per 29 oktober 2003 naar de klasse van 15 tot 25% is aangevuld met een intrekking van de WAO-uitkering van eiseres per 26 april 2005. Verweerder, die bij de heroverweging van het primaire besluit tot het inzicht is gekomen dat eiseres met ingang van 29 oktober 2003 minder dan 15% arbeidsongeschikt is en mitsdien geen recht heeft op een WAO-uitkering, heeft die uitkering niet met terugwerkende kracht kunnen intrekken maar eerst na afloop van de in acht te nemen uitlooptermijn. Deze intrekking is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de daaraan ten grondslag liggende beoordeling, geheel gelegen binnen de grondslag en reikwijdte te blijven van het primaire besluit. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder deze intrekking in een nieuw primair besluit had dienen neer te leggen.

Hierbij overweegt de rechtbank nog dat eiseres door de gevolgde handelwijze van verweerder niet in haar processuele belangen is benadeeld. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verweerder eiseres heeft bericht het voornemen te hebben tot intrekking over te gaan en haar in de gelegenheid heeft gesteld haar bezwaren in een tweede hoorzitting naar voren te brengen.

Alvorens over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van de medische kant van de zaak, stelt de rechtbank vast dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de uitlooptermijn onjuist is berekend hetgeen betekent dat de WAO-uitkering niet per 26 april 2005 wordt ingetrokken maar per 5 mei 2005 en heeft de rechtbank verzocht het bestreden besluit als zodanig gewijzigd te lezen. De rechtbank ziet - gelet op de instemming van eiseres ter zitting en nu dit niet strekt ten nadele van eiseres - geen aanleiding om het verzoek van verweerder dit als een kennelijke misslag te beschouwen, niet te honoreren.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WAO is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde mensen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder eerstgenoemde arbeid wordt ingevolge het vijfde lid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de werknemer met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Naar vaste rechtspraak van de CRvB dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit om de WAO-uitkering in te trekken niet berust op een reële vaststelling van haar beperkingen. Eiseres kan niet geschikt geacht worden voor arbeid conform haar opleiding en capaciteiten. Ter zitting heeft eiseres benadrukt dat de neurologische expertise ondeugdelijk is.

Gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder met name voornoemde rapporten van de bezwaarverzekeringsartsen en expertises, ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder niet te volgen in diens standpunt dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per 29 oktober 2003 en 5 mei 2005 geen sprake is van beperkingen als een rechtstreeks, objectief-medisch vast te stellen gevolg van ziekte en/of gebreken. Daarbij overweegt de rechtbank dat het primair aan de (bezwaar)verzekeringsarts is om op basis van medisch objectiveerbare klachten eventuele beperkingen van eiseres vast te stellen. Niet gebleken is dat de (bezwaar)verzekeringsartsen de belastbaarheid van eiseres hebben overschat. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verweerder ter zitting heeft bevestigd dat de medische beoordeling in bezwaar ook ziet op 29 oktober 2003 maar dat daarop niet ten nadele van eiseres is teruggekomen.

Meer specifiek heeft de rechtbank geen aanknopingspunten aangetroffen om te twijfelen aan de juistheid van de neurologische expertise waarbij zij opgemerkt dat ook haar de relevantie van de vergelijking van de neuroloog met de vijfde deur van zijn Volvo stationwagen is ontgaan. Bovendien heeft eiseres haar stelling dat de uitgevoerde neurologische expertise ondeugdelijk was niet met (medische) gegevens onderbouwd.

Aangezien bij het ontbreken van de op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten beperkingen er niet gesproken kan worden van arbeidsongeschiktheid in vorenstaande zin is de rechtsbank voorts van oordeel dat niet staande kan worden gehouden dat er desondanks een belastbaarheidspatroon had dienen te worden opgesteld. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de CRvB van 27 januari 1997, USZ 1997/86.

Ingevolge artikel 2, zesde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten kan van het arbeidskundig onderzoek worden afgezien, indien de verzekeringsarts vaststelt dat de betrokkene niet ongeschikt is tot het verrichten van zijn laatstelijk uitgeoefende arbeid. Gelet op het bovenstaande overweegt de rechtbank dat verweerder in het geval van eiseres kon afzien van het laten verrichten van een arbeidskundig onderzoek.

De rechtbank overweegt in verband met het voorgaande overigens dat op grond van jurisprudentie van de CRvB een (verdere) verlaging van een WAO-uitkering niet in strijd is met het verbod van reformatio in peius, zoals neergelegd in artikel 7:11 van de Awb. In de uitspraak van 15 juli 2005 van de CRvB (www.rechtspraak.nl, LJN: AT9802) wordt daaromtrent gesteld dat daarvan eerst sprake zou zijn indien bij de beslissing op bezwaar de WAO-uitkering met terugwerkende kracht tot de datum waarop het bestreden besluit betrekking heeft, wordt verlaagd of ingetrokken. De rechtbank is met in achtneming hiervan van oordeel dat de intrekking van de WAO-uitkering van eiseres niet in strijd is met het verbod van reformatio in peius. Daarbij overweegt de rechtbank dat verweerder op grond van het bepaalde in artikel 43 van de WAO verplicht is tot intrekking van de WAO-uitkering wanneer de arbeidsongeschiktheid in de zin van die wet is geëindigd.

Hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.J. Overdijk als voorzitter en mr. J.F. Bandringa en mr. Y. Sneevliet als leden van de meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2005.

De griffier: De voorzitter:

mr. H.L.M. van Rooijen mr. D.A.J. Overdijk

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.