Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AU8343

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-10-2005
Datum publicatie
20-12-2005
Zaaknummer
192066/FA RK 05-1255
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een Marokkaanse Kafala is niet gelijk te stellen met een adoptie naar Nederlands recht en kan dus niet als zodanig erkend worden.

Wetsverwijzingen
Wet conflictenrecht adoptie
Wet conflictenrecht adoptie 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2006/73 met annotatie van A.E. Oderkerk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Utrecht

BESCHIKKING

van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken in de zaak van:

[verzoekster],

hierna te noemen: verzoekster,

en

[verzoeker],

hierna te noemen: verzoeker,

echtelieden,

beiden wonende te Utrecht,

verzoekers,

procureur: mr. J.M. Walther,

- b e t r e f f e n d e -

[naam kind],

wonende in Marokko,

hierna te noemen: [naam kind].

1. Verloop van de procedure

Verzoekster heeft op 10 maart 2005 een verzoekschrift ingediend, strekkende tot erkenning van de Marokkaanse adoptie van [naam kind].

Nadien heeft zij nog enige stukken overgelegd.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van de meervoudige kamer van 7 september 2005.

2. Vaststaande feiten

- Verzoekers zijn op 24 november 1989 te Nador, Marokko, met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren: een zoontje [naam zoon], op 1 december 1994, en een dochtertje [naam dochter], op 17 maart 1997.

- Verzoekster is geboren te (Duwar Ibouhitaachene) Beni Said, Marokko, op 5 juni 1968. Haar vader was de heer [naam vader] (in de stukken ook: [naam vader] of [naam vader]), geboren in 1943 (in de stukken ook: 1934), hierna te noemen: de vader.

- De vader is nadien hertrouwd met [naam echtgenote], geboren op 5 maart 1960. Uit dit huwelijk is [naam kind] geboren, op 11 mei 1993 te Duwar Ibouhitaachene Ait Mait Beni Said, Marokko. [naam kind] is derhalve het halfbroertje van verzoekster.

- [naam kind] is wees. Zijn vader is overleden te Duwar Ibouhitaachane Ait-Mait Beni-Said, Marokko, op 8 september 1992, derhalve nog voor de geboorte van [naam kind]. Zijn moeder is overleden te Beni Said op 3 juni 2002.

- [Naam kind] woont thans in Marokko bij een oom, [naam oom] of [(oom)], geboren in 1941.

- Verzoekster heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit. Verzoeker heeft de Nederlandse en kennelijk ook de Marokkaanse nationaliteit. [naam kind] heeft de Marokkaanse nationaliteit.

- Bij ‘Acte de Kafala’ van 1 augustus 2003 (gelegaliseerd door de president van de rechtbank van eerste aanleg te Nador op 4 augustus 2003), waarvan een Franse vertaling is overgelegd en tevens een Nederlandse vertaling uit het Frans, heeft de oom [naam oom], handelend als ‘datieve voogd’ van [naam kind], de zorg voor [naam kind] overgedragen aan verzoekers. De meest relevante gedeelten van de ‘acte de kafala’ luiden als volgt (in de Nederlandse vertaling):

“(…) De heer [naam oom] (…) , die handelt in zijn hoedanigheid van datieve voogd van het kind [naam kind] (…), heeft verklaard dat hij het voornoemde kind genoemd [naam kind] (…) overgedragen heeft aan de zus van de eerste genoemde, mevrouw [verzoekster] (…) en aan haar echtgenoot de heer [verzoeker] (…), zodat ze de zorg voor hem op hen nemen en zodat ze in al zijn dagelijkse levensbehoeften voorzien, te weten, voeding, kleding, huisvesting, scholing, medische zorg enz. … en zodat ze hem mee op reis nemen zowel in het binnenland als naar het buitenland. (…)”

3. Beoordeling van het verzochte

3.1

Verzoekster heeft gevraagd voor recht te verklaren dat de naar het recht van Marokko door de President van het Tribunaal van Eerste Aanleg te Nador op 4 augustus 2003 uitgesproken adoptie van [naam kind] door verzoekers rechtswerking binnen het Nederlandse recht toekomt, met alle wettelijke rechtsgevolgen van dien. Zij heeft zich daarvoor beroepen op artikel 6 en verder van de Wet Conflictenrecht Adopties (WCA).

3.2

Ter terechtzitting heeft mr. Walther verklaard dat hij het verzoek heeft willen indienen namens beide verzoekers, dat ook de echtgenoot als verzoeker wil worden aangemerkt en dat hij zich ook namens deze als procureur wenst te stellen. De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen overwegende bezwaren tegen inwilliging van deze wens, zodat de zaak verder behandeld zal worden alsof het verzoekschrift vanaf het begin namens verzoekster en haar echtgenoot was ingediend. De naam van verzoeker is daarom ook in de kop van deze beschikking opgenomen. De procureur heeft tevens verklaard dat verzoeker geen behoefte heeft om nader te worden gehoord.

3.3

Verzoekers vragen erkenning van een adoptie uitgesproken door “de President van het Tribunaal van Eerste Aanleg te Nador op 4 augustus 2003”. Een uitspraak van deze President is niet overgelegd. Onderaan de overgelegde vertaling van de ‘acte de kafala’ echter wordt, onder de handtekeningen van de getuigen-notarissen en de tekst van de bekrachtiging door de legalisatierechter te Nador, onder het kopje ‘Legalisaties’ vermeld: “Gezien door de president van de rechtbank van eerste aanleg te Nador op 04-08-2003”. De rechtbank begrijpt het verzoek dan ook als een verzoek tot erkenning van de aldus gelegaliseerde ‘kafala’.

3.4

Bij de beoordeling van dat verzoek stelt de rechtbank voorop dat ingevolge artikel 10 WCA deze wet niet van toepassing is op een adoptie tot stand gekomen buiten Nederland in 2003, terwijl ook de door deze Wet (in samenhang met de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen ter adoptie) voorgeschreven beginseltoestemming van de Minister van .Justitie niet is overgelegd.

3.5

Alvorens in te gaan op de vraag of er gronden bestaan aan deze beletselen voorbij te gaan en op andere gronden tot erkenning over te gaan, zal de rechtbank eerst ingaan op de vraag of deze ‘kafala’ beschouwd kan worden als een adoptiebeslissing. Verzoekers hebben dat bepleit en daarvoor verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 1999 (NIPR 2000 nr. 19), waarin volgens hen een ‘acte de kafala’ als een Marokkaanse adoptiebeslissing is aangemerkt.

De rechtbank merkt op dat de zaak die aan de rechtbank Rotterdam was voorgelegd in essentiële opzichten afweek van de onderhavige en daarmee niet op één lijn valt te stellen. De rechtbank zal deze zaak derhalve afzonderlijk dienen te beoordelen.

3.6

Bij die beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop. De strekking van een adoptie is dat zij familierechtelijke betrekkingen tot stand brengt tussen het kind en de adoptanten en wel zo, dat het te adopteren kind door de adoptie in alle opzichten (ook erfrechtelijk) wordt gelijkgesteld met een eigen kind van de adoptanten. De adoptie brengt derhalve wijziging in de afstammingsrelaties van het kind: de verzoekers worden de vader en de moeder van het kind. Een in het buitenland uitgesproken, zogenaamde ‘zwakke’ adoptie, die de banden met de oorspronkelijke ouders niet geheel doorsnijdt, kan naar Nederlands recht in beginsel wel in aanmerking komen voor erkenning als zodanig; een rechtshandeling echter die in het geheel niet strekt tot wijziging van de afstammingsrelatie is niet meer als adoptie te beschouwen.

3.7

In de thans overgelegde vertaling is de term ‘acte de kafala’ vertaald als: ‘Akte omtrent de zorg voor iemand op zich nemen’. Ook uit de bewoordingen van de akte blijkt dat de ‘kafala’ kennelijk de strekking heeft van een zorgvoorziening of een voorziening in het gezag, die als zodanig mogelijk voor erkenning in aanmerking zou kunnen komen, hetgeen evenwel niet is verzocht. De strekking van een adoptie valt in deze ‘acte de kafala’ niet te lezen. Dit strookt ook met artikel 149 van het Marokkaanse wetboek van familierecht, de Mudawwana, waar is bepaald:

“Art. 149 - Adoptie is nietig, en daaruit vloeit geen van de rechtsgevolgen van de wettige verwantschap voort.

- De gedeeltelijke adoptie, ofwel de aanwijzing van het kind als erfgenaam is geen vaststelling van de afstamming. Hierop zijn de bepalingen inzake testament van toepassing.” (Nederlandse vertaling van M.S. Berger)

3.8

Uit het bovenstaande, met name de bewoordingen van de acte en de eerste volzin van artikel 149 Mudawwana, moet worden afgeleid dat de ‘kafala’ niet gelijkgesteld kan worden met een adoptie. Verzoekers hebben hun standpunt dat zulks wel zou kunnen onvoldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de kafala als adoptie niet erkend kan worden, zodat het verzoek dient te worden afgewezen.

4. Beslissing

De rechtbank wijst af het verzoek tot erkenning als adoptie van de Marokkaanse ‘acte de kafala’ van 1 augustus 2003.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Dekking, kinderrechter, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs. H.A. Gerritse en A.P.A. Bisscheroux, kinderrechters, leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Ganzevoort, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 oktober 2005.

w.g. griffier w.g. rechter