Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AU8335

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-12-2005
Datum publicatie
19-12-2005
Zaaknummer
16/510542-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met een ander in de nacht een prostituee gedwongen tot afgifte van haar geld door een wapen op haar te richten. Verdachte en zijn mededader zijn de kamer op de boot binnengegaan, hebben het slachtoffer op bed geduwd en een vuurwapen op haar hoofd gezet, waarna zij haar hebben gedwongen geld af te geven.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummers : 16/510542-05

Datum uitspraak : 19 december 2005

Tegenspraak

Raadsman: mr. F.G.L. van Ardenne

VERKORT VONNIS

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaken tegen:

[verdachte]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, te Nieuwegein.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 oktober 2005 en 5 december 2005.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten ter terechtzitting van 5 december 2005 toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde het volgende.

De aangeefster [1] heeft een voor verdachte belastende verklaring afgelegd. Deze verklaring is naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet en gedetailleerd. Voorts wordt deze verklaring ondersteund door het gegeven dat uit het onderzoek is gebleken dat verdachte rond het tijdstip van de overval in de omgeving van het slachtoffer moet zijn geweest. Ander de verdachte belastend en de aangifte ondersteunend bewijsmateriaal waaruit kan blijken dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft gepleegd, heeft de rechtbank echter niet aangetroffen. Nu verdachte van meet af aan hardnekkig heeft ontkend het slachtoffer (mede) te hebben overvallen, acht de rechtbank niet wettig bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank overweegt omtrent het onder 2 primair tenlastegelegde het volgende.

De raadsman heeft ter terechtzitting van 5 december 2005 namens verdachte aangevoerd dat de door aangeefster [2] afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn. Naar de mening van de raadsman wijkt haar verklaring zoals afgelegd bij de politie op essentiële onderdelen af van haar verklaring bij de rechter-commissaris en deze is weer afwijkend van hetgeen zij in de telefoongesprekken met […] heeft verteld. De verklaring van aangeefster, zoals afgelegd ter zitting van 5 december 2005, is eveneens onbetrouwbaar te achten. Hierbij heeft de raadsman met name gewezen op de relatie die tussen aangeefster [2] en verdachte is ontstaan en het gebruik van verschillende (mobiele) telefoonnummers door verdachte en aangeefster, ook vóór het moment van de overval.

De aangeefster [2] heeft aangifte gedaan, nadat de politie in een ander onderzoek een telefoongesprek tussen haar en […] had afgeluisterd omtrent het ten laste gelegde feit, waarna de politie bij aangeefster is gekomen. Aangeefster heeft vervolgens bij de politie in februari 2005, bij de rechter-commissaris d.d. 3 oktober 2005 en ter terechtzitting d.d. 5 december 2005 een gedetailleerde verklaring afgelegd, waarbij zij verdachte als mededader heeft aangewezen. Uit deze afgelegde verklaringen over de wijze waarop de verdachte en zijn medeverdachte te werk gingen en wat haar voorts is overkomen, komt een in essentie gelijkluidend verhaal naar voren, dat wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de afgeluisterde telefoongesprekken tussen aangeefster [2] en […] hebben plaatsgevonden op een moment dat aangeefster niet op de hoogte was van dit bijzondere opsporingsmiddel. Zij wist derhalve op die tijdstippen niet dat de politie meeluisterde. De tijdstippen van de telefoongesprekken komen overeen met de printgegevens van de mobiele telefoon van aangeefster.

Uit de printgegevens van mobiele telefoons van aangeefster en verdachte blijkt voorts dat het eerste geregistreerde telefooncontact tussen hen plaatsvindt na het tijdstip van de overval, zoals aangeefster steeds heeft verklaard. Van eerdere telefooncontacten is uit de stukken niet gebleken. Voorts is de stelling van verdachte dat hij en aangeefster elkaar eerder al hadden ontmoet en elkaar later op de avond van de overval een ander mobiel telefoonnummer hebben gegeven, ook na nader onderzoek, op geen enkele wijze aannemelijk geworden. De getuige […] heeft aangeefster op 4 december 2004 na de overval naar Amsterdam gebracht, nadat hij door haar was gebeld. Uit de printgegevens van aangeefster is een telefoongesprek tussen aangeefster en […] naar voren gekomen en getuige […] heeft voorts een verklaring afgelegd omtrent hetgeen hij die nacht heeft gehoord en gezien, hetgeen overeenkomt met de door aangeefster [2] afgelegde verklaringen.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden acht de rechtbank de door aangeefster [2] afgelegde verklaringen betrouwbaar.

Uit de printgegevens van verdachte en zijn medeverdachte is gebleken dat zij beiden op het tijdstip van de overval in Utrecht waren en dat zij kort voor alsmede kort na de overval met elkaar telefonisch contact hebben gehad. Aangeefster heeft de medeverdachte voor 100 % herkend als de mededader van het gepleegde feit.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage III van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 2 primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met een ander in de nacht een prostituee gedwongen tot afgifte van haar geld door een wapen op haar te richten. Verdachte en zijn mededader zijn de kamer op de boot binnengegaan, hebben het slachtoffer op bed geduwd en een vuurwapen op haar hoofd gezet, waarna zij haar hebben gedwongen geld af te geven.

Prostituees zijn uit hoofde van hun beroep een kwetsbare groep, die veel in de avond en de nacht alleen aan het werk zijn. Verdachte en zijn mededader deden zich in aanvang voor als bona fide klanten, waarna de afpersing volgde.

Wat er ook zij van de relatie die nadien tussen verdachte en het slachtoffer is ontstaan, verdachte en zijn mededader hebben op grove wijze misbruik gemaakt van de positie van hun slachtoffer. Feiten als het onderhavige verwekken beroering en brengen angst teweeg, in het bijzonder in de kringen van de prostituees. Bovendien veroorzaken dergelijke feiten gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving en kunnen ernstige psychische gevolgen hebben voor de slachtoffers.

De rechtbank houdt ten gunste van verdachte rekening met het feit, dat verdachte ongeveer een maand na de overval in de woning en in aanwezigheid van het slachtoffer in elkaar is geslagen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 7 april 2005, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Stichting Reclassering Nederland, unit Utrecht, d.d. 24 mei 2005, opgemaakt door M. Tijhuis, reclasseringswerker;

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan, nu de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde wordt vrijgesproken.

Onttrekking aan het verkeer:

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een bivakmuts (kleur zwart); en

- een wapen (zijnde een imitatievuurwapen/balletjespistool, kleur zwart, HFC TX 543),

zullen worden onttrokken aan het verkeer, aangezien deze aan verdachte toebehorende voorwerpen, bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf zijn aangetroffen en deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven, terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Teruggave inbeslaggenomen goederen:

Met betrekking tot het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

- een bankpas op naam van […] (kleur blauw, Postbank […], rek.nr. […]),

acht de rechtbank […] degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank zal de teruggave van dit voorwerp aan genoemde persoon gelasten.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- een bankpas op naam van [aangeefster 2] (kleur goud, Rabobank […], rek.nr. […]); en

- een map met diverse bescheiden van [aangeefster 2],

acht de rechtbank [aangeefster 2] degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank zal de teruggave van deze voorwerpen aan genoemde persoon gelasten.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- geld (12 x € 50,00);

- een tas (kleur zwart);

- een paspoort (Marokkaans […] op naam van [verdachte]); en

- een foto,

zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

Bewaring inbeslaggenomen goederen:

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- een lege doos (met opschrift Air Model Firearms cal. 6);

- een doos (met opschrift Air Mide; pistol cal. 6 mm Synt),

kan geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt. De rechtbank zal de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36d en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage III van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 18 MAANDEN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- een bivakmuts (kleur zwart);

- een wapen (zijnde een imitatievuurwapen/balletjespistool, kleur zwart, HFC TX 543).

Gelast de teruggave van een bankpas op naam van […] (kleur blauw, Postbank […], rek.nr. […]), aan […].

Gelast de teruggave van:

- een bankpas op naam van [aangeefster 2] (kleur goud, Rabobank […], rek.nr. […]);

- een map met diverse bescheiden van [aangeefster 2],

aan [aangeefster 2].

Gelast de teruggave van:

- geld (12 x € 50,00);

- een tas (kleur zwart);

- een paspoort (Marokkaans […] op naam van […]); en

- een foto,

aan verdachte.

Gelast de bewaring van:

- een lege doos (met opschrift Air Model Firearms cal. 6);

- een doos (met opschrift Air Mide; pistol cal. 6 mm Synt), ten behoeve van de rechthebbende.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.F. Bueno, voorzitter, W.P.H. Pronk en J.P.H. van Driel van Wageningen, rechters, bijgestaan door mr. A. van Beek als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 december 2005.

Mr. W.P.H. Pronk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.