Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AU7706

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-12-2005
Datum publicatie
12-12-2005
Zaaknummer
193447/HA ZA 05-806
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

onverschuldigde betaling; frauduleuze overboekingen; redelijkheid en billijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

e i s e r e s ,

procureur: mr. G.E.M. Gijsberts,

- t e g e n -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

g e d a a g d e ,

procureur: mr. R. Veerkamp.

Partijen worden hierna respectievelijk de bank en [gedaagde] genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 5 april 2005, met producties

- de akte van de bank van 4 mei 2005, met een productie

- de conclusie van antwoord van 14 juni 2005, met producties

- het tussenvonnis van 29 juni 2005, waarbij een comparitie van partijen is bepaald

- het proces-verbaal van de op 9 september 2005 gehouden comparitie van partijen.

2. De feiten

2.1. Op 10 december 2003 zijn van de en/of-rekening van [rekening houder 1] en [rekening houder 2] (hierna: [de rekeninghouders]) bij de bank twee bedragen ter hoogte van respectievelijk € 4.365,00 en € 4.425,80, in totaal derhalve € 8.790,80, overgemaakt naar de studentenrekening van [gedaagde] bij de Postbank. Deze overboekingen hebben zon-der toestemming of opdracht van [de rekeninghouders] plaatsgevonden.

2.2. Op dezelfde datum is in totaal een bedrag van € 8.700,00 bij een geldautomaat en verschillende postkantoren te Hilversum opgenomen.

2.3. Het rekeningafschrift van de bank van 24 december 2003 waarop voormelde over-boekingen en opnamen staan vermeld, is naar het ouderlijk huis van [gedaagde] gezon-den, waar zij voorheen woonachtig was.

2.4. De bank heeft op 29 december 2003 bij de politie regio Utrecht aangifte gedaan van een vijftal pogingen tot oplichting en een tweetal voltooide oplichtingen door mid-del van valse telefonische overboekingsformulieren. De twee voltooide oplichtingen betreffen de hiervoor vermelde overboekingen van de rekening van [de rekeninghouders] naar de studentenrekening van [gedaagde]. Een van de pogingen tot oplichting betreft een telefonische opdracht tot overboeking van de rekening van [de rekeninghouders] naar de rekening van [gedaagde], die niet was uitgevoerd omdat men was gaan twijfelen over de juistheid van de opdracht wegens de twee eerdere overboekingen op die dag. De overi-ge pogingen tot oplichting betreffen telefonische opdrachten tot overboeking van reke-ningen van anderen dan [de rekeninghouders] naar anderen dan [gedaagde].

2.5. [de rekeninghouders] hebben op 13 januari 2004 bij de politie regio Lelystad aangifte ge-daan van fraude/bedrog.

2.6. De studentenrekening van [gedaagde] is per 13 januari 2004 opgeheven.

2.7. [de rekeninghouders] hebben aan de bank een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling op [gedaagde] van € 8.790,80 gecedeerd.

2.8. Bij brief van 23 april 2004 heeft de bank [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor haar schade als gevolg van de frauduleuze overboekingen.

2.9. Bij brief van haar advocaat van 27 april 2004 heeft [gedaagde] deze aansprakelijkheid afgewezen en medegedeeld dat zij vermoedelijk het slachtoffer is geworden van crimi-nele activiteiten van derden respectievelijk van een vergissing van de Postbank.

2.10. Op 13 mei 2004 heeft [gedaagde] bij de politie regio Utrecht aangifte gedaan van vermissing van de bij haar studentenrekening behorende bankpas. Zij heeft daarbij verklaard dat zij geen idee heeft waar zij haar pas heeft verloren en dat zij deze de laat-ste keer in juni 2003 heeft gezien.

3. De vordering en het verweer

3.1. De bank vordert om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen de somma van € 9.759,56, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 29 mei 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de buitengerechte-lijke incassokosten vanaf 29 mei 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure. In het bedrag van € 9.759,56 is een bedrag van € 968,76 aan buitengerechtelijke incassokosten begrepen.

3.2. De bank stelt daartoe dat [de rekeninghouders] het bedrag van € 8.790,80 onverschuldigd aan [gedaagde] hebben betaald, zodat de betaling zonder rechtsgrond heeft plaatsgevon-den. Het bedrag is bijgeschreven op de op naam van [gedaagde] staande rekening en [gedaagde] heeft het bedrag volledig opgenomen. [de rekeninghouders] hebben het bedrag van de bank vergoed gekregen. Op grond daarvan hebben [de rekeninghouders] hun vordering op [gedaagde] door middel van een akte van cessie aan de bank overgedragen en heeft de bank deze vordering op [gedaagde] verkregen. [gedaagde] is ondanks aanmaning en som-matie echter niet bereid het bedrag aan de bank te voldoen.

3.3. [gedaagde] ontkent dat zij iets met de overmakingen en opnamen van doen had. Aan haar is niets betaald. Zij is van mening dat de bank de door haar ingestelde procedures en formaliteiten die dienen om frauduleus handelen te voorkomen, niet heeft nage-leefd. In de aangifte van de bank van 29 december 2003 is namelijk vermeld dat op alle formulieren een stempel staat van de vestiging ABN Amro bank N.V., Munstraat 219 te Lelystad en dat dit stempel niet bestaat en het ook niet gebruikelijk is dat men dit stempel op dit formulier zet. Voorts is in die aangifte vermeld dat men bij de derde op-dracht bij het FSC begon te twijfelen aan de juistheid van de opdracht. Naar redelijk-heid en billijkheid kan de gestelde schade volgens [gedaagde] niet op haar worden ver-haald, nu zij aan het gebeuren part noch deel heeft gehad. Zij moet ook als te goeder trouw worden aangemerkt over de periode van de geldovermakingen en opnamen. Tot slot betwist [gedaagde] de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

4. De beoordeling

4.1. Vast staat dat de betalingen van [de rekeninghouders] aan [gedaagde] van in totaal € 8.790,80 zonder rechtsgrond hebben plaatsgevonden. Wegens deze onverschuldigde betalingen hebben [de rekeninghouders] ingevolge artikel 6:203 lid 2 BW jegens [gedaagde] een vordering verkregen tot teruggave van een gelijk bedrag. Uit hoofde van de akte van cessie heeft de bank deze vordering op [gedaagde] van [de rekeninghouders] verkregen.

4.2. Gesteld dat juist zou zijn dat de bank de door haar ingestelde procedures en for-maliteiten ter voorkoming van fraude niet heeft nageleefd, zoals [gedaagde] heeft be-toogd, dan betekent dit nog niet dat de betalingen van [de rekeninghouders] aan haar niet meer onverschuldigd zijn gedaan. De rechtsgrond van de betalingen ontbreekt in dat geval immers nog steeds. Ook dan is derhalve een vordering van [de rekeninghouders] op [gedaagde] tot terugbetaling ontstaan.

4.3. Vervolgens dient te worden onderzocht of het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is [gedaagde] te verplichten tot deze terugbetaling.

4.4. [gedaagde] heeft onweersproken aangevoerd dat zij [de rekeninghouders] niet kende, zodat niet aannemelijk is dat zij betrokken is geweest bij de overboekingen van de en/of-rekening van [de rekeninghouders] naar haar studentenrekening. Voorts mag op grond van de door [gedaagde] overgelegde absentielijst van haar school over de periode van 10 tot 18 december 2003 aangenomen worden dat zij ten tijde van de overboekingen en op-namen op school aanwezig was. Uit het volgnummer 6 van het door de bank overge-legde rekeningafschrift van de studentenrekening van [gedaagde] van 24 december 2003, waarop de overboekingen en de opnamen zijn vermeld, en het daarop vermelde vorige saldo van € 0,87 kan de juistheid van haar stellingen worden afgeleid dat zij de stu-dentenrekening niet meer gebruikte en zij daarom haar bankpas niet had gemist en ook de pincode van deze bankpas niet meer wist. Tevens is dan niet aannemelijk dat zij de pincode aan een derde heeft gegeven. Uit de adressering van dit rekeningafschrift blijkt verder de juistheid van haar stellingen dat de rekeningafschriften naar haar ou-derlijk huis werden gezonden, waar zij sinds 2003 niet meer woonde, en dat zij daarom ook eerst later dit rekeningafschrift onder ogen had gekregen.

4.5. De bank heeft daartegenover gesteld dat [gedaagde] niet te goeder trouw was omdat zij op meerdere momenten de gelegenheid had om het saldo van de studentenrekening op te vragen. Als deze rekening echter niet wordt gebruikt en nagenoeg geen saldo kent, is daartoe geen aanleiding, zodat [gedaagde] niet kan worden tegengeworpen dat zij het saldo niet heeft opgevraagd. Om dezelfde reden is het niet opmerkelijk, zoals de bank heeft gesteld, dat [gedaagde] eerst op 13 mei 2004, na de aansprakelijkstelling door de bank, aangifte heeft gedaan van de vermissing van de bankpas. Evenmin kan aan [gedaagde] worden tegengeworpen dat zij bij de aangifte van de vermissing van haar bank-pas niet heeft gezegd dat zij haar pincode niet meer wist, nu dat een omstandigheid is die voor de aangifte niet van belang is. De bank heeft verder geen specifieke feiten of omstandigheden gesteld en te bewijzen aangeboden die op betrokkenheid van [gedaagde] bij de overboekingen en opnamen zouden kunnen duiden. Voor nader onder-zoek hiernaar is daarom geen plaats.

4.6. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is [gedaagde] te verplichten tot de terugbetaling van de op haar rekening overgemaakte bedra-gen voor zover deze bedragen direct daarna weer zijn opgenomen. Met betrekking tot het verschil van het op de studentenrekening gestorte bedrag van € 8.790,80 en het di-rect daarna opgenomen bedrag van € 8.700,00 verzet niets zich tegen terugbetaling.

4.7. Het bedrag van € 90,80 zal derhalve worden toegewezen. Anders dan de bank heeft gesteld, is de wettelijke rente niet aangezegd bij haar brief van 23 april 2004, zodat de wettelijke rente over het bedrag van € 90,80 zal worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding, te weten 5 april 2005. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten zal worden afwezen, nu niet is gebleken dat de buitengerechtelijke werkzaam-heden meer hebben omvat dan de verrichtingen waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv een vergoeding plegen in te sluiten. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal de bank worden verwezen in de proceskosten.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de bank van de somma van € 90,80, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 april 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2. veroordeelt de bank in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 291,00 aan verschotten en op € 768,00 aan salaris procureur, een en ander te voldoen aan de griffier van de rechtbank op de wijze als is bepaald in artikel 243 Rv;

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 7 december 2005.

w.g. griffier w.g. rechter