Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AU6953

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-11-2005
Datum publicatie
01-12-2005
Zaaknummer
184894/HA ZA 04-2117
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stel en substantieringsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. A.M.F. Fabisch,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM UTRECHT,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

procureur mr. J.M. van Noort,

2. de publiekrechtelijk rechstpersoon

STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

procureur mr. B.F. Keulen.

Partijen zullen hierna [eiser], de Staat en het UMC genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- dagvaarding d.d. 24 september 2004;

- akte overlegging producties;

- conclusie van antwoord van het UMC;

- conclusie van antwoord van de Staat;

- ambtshalve gewezen, op 2 maart 2005 uitgesproken tussenvonnis waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 12 april 2005;

- akte overlegging producties van [eiser];

- akte uitlating producties van het UMC;

- akte uitlating producties van de Staat, tevens akte overlegging producties;

- akte uitlating productie van [eiser].

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 [Eiser] is op 21 december 2002 van dichtbij in de buik geschoten. Hierdoor is een perforatie van een deel van de dikke darm ontstaan. [eiser] is diezelfde dag in het UMC geopereerd. Daarbij is een deel van de dikke darm verwijderd en zijn de uiteinden end-to-end aan elkaar gehecht, zodat de buisstructuur van de darm werd hersteld. [Eiser] was ten tijde van die operatie in voorarrest en als zodanig gedetineerd.

2.2 [Eiser] is op 23 december 2002 overgeplaatst naar het Penitentiair Hospitaal te Scheveningen. Aldaar is begin januari 2003 geconstateerd dat [eiser] klachten en verschijnselen vertoonden die duidden op een ontstekingsproces in de buik en is besloten [eiser] opnieuw te opereren. [Eiser] is hiervoor overgebracht naar het Bronovo Ziekenhuis te ’s-Gravenhage. Hij is aldaar op 5 januari 2003 geopereerd.

2.3 Tijdens deze operatie, waarbij de buik via de oude wond is geopend, is geconstateerd dat er ter plaatse van de aangebrachte naadhechting een lekkage was ontstaan, ten gevolge waarvan darminhoud in de buikholte was gestroomd, hetgeen tot een ontsteking had geleid. Nadat pus was verwijderd en verklevingen waren losgemaakt, is een stoma aangelegd en is de buik opengelaten om de wond van onderuit dicht te laten groeien. Dit hield verband met het feit dat het door de infectie niet mogelijk was de darm opnieuw te hechten.

2.4 [Eiser] is op 23 januari 2003 teruggeplaatst naar het Penitentiair Hospitaal, waar hij tot 13 augustus 2003 is verpleegd. In die periode heeft [eiser] nogmaals een infectie opgelopen. Deze is met antibiotica behandeld, waarna herstel volgde. Op 24 of 25 juli 2003 is [eiser] nogmaals geopereerd in het Bronovo Ziekenhuis. Bij die operatie is de continuïteit van de darm en de littekenbreuk hersteld en is de huid over de wond gesloten.

3. Het geschil

3.1 [Eiser] vordert dat de rechtbank het UMC en de Staat hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van de door [eiser] geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van gedaagden in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de kosten van de door [eiser] ingeschakelde deskundige(n). De rechtbank begrijpt dat de schade waarop [eiser] doelt de schade is ten gevolge van de lekkage van de dikke darm.

3.2 UMC en de Staat voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Voor zover gericht tegen het UMC heeft [eiser], als grondslag voor zijn vordering, aangevoerd dat tijdens de operatie op 21 december 2002 een kunstfout is gemaakt die tot de lekkage en de daaruit voortvloeiende verschijnselen en klachten heeft geleid.

4.2 Voor zover gericht tegen de Staat heeft [eiser] aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het Penitentiair Ziekenhuis te Scheveningen te lang heeft gewacht, alvorens een tweede operatie werd ondernomen waardoor zijn medische situatie onnodig is verslechterd. Aldus is de Staat tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht voor de aan haar beheer toevertrouwde gedetineerden.

4.3 Het UMC heeft bij antwoord als verweer gevoerd dat [eiser] noch in de inleidende dagvaarding noch in de daarbij behorende producties enige onderbouwing heeft gegeven van zijn stelling dat het UMC een kunstfout heeft gemaakt. Ook de Staat heeft bij antwoord het verweer gevoerd dat [eiser] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat het Penitentiair Ziekenhuis te lang heeft gewacht alvorens [eiser] opnieuw te doen opereren en dat [eiser] evenmin heeft onderbouwd wat het causale verband is tussen dat tijdsverloop en de verslechtering van zijn medische situatie.

4.4 Daarnaast heeft het UMC bij antwoord gesteld dat geen sprake is geweest van een kunstfout maar van een complicatie. Het UMC heeft daartoe aangevoerd dat er na een ingreep zoals bij [eiser] is uitgevoerd er twee kritieke momenten zijn waarop een lekkage van de darmnaad kan ontstaan, te weten twee dagen na de ingreep en meer dan acht dagen na de ingreep. Een lekkage twee dagen na de ingreep, duidt op een inferieur aangelegde darmnaad en derhalve op een kunstfout. Een lekkage die zich meer dan acht dagen na de ingreep voordoet duidt op een complicatie doordat de wond niet goed geneest, bijvoorbeeld vanwege een gestoorde doorbloeding, waardoor de naad, hoewel goed aangelegd, gaat lekken. Bij [eiser] openbaarden de verschijnselen van een darmnaadlekkage zich begin januari 2003, dus meer dan tien dagen na de ingreep. Derhalve is geen sprake van een kunstfout maar van een complicatie, aldus het UMC.

4.5 De rechtbank acht de door het UMC en de Staat gevoerde verweer, zoals vermeld in 4.3. gegrond. [Eiser] heeft inderdaad in zijn inleidende dagvaarding terzake niets aangevoerd. Ook uit de bij de dagvaarding horende producties kan niet worden afgeleid waarop [eiser] baseert dat het UMC en de Staat de in 4.1. en 4.2. vermelde fouten hebben begaan. In verband hiermee heeft de rechtbank de zaak na de tussen partijen gehouden comparitie verwezen naar de rolzitting van 25 mei 2005, teneinde [eiser] de gelegenheid te geven om de verwijten aan de Staat en het UMC nader te specificeren en te reageren op de door het UMC bij antwoord geponeerde stelling dat als klachten na een darmoperatie zich pas na een week voordoen dit duidt op een complicatie en niet op een kunstfout. Daarnaast is [eiser] de gelegenheid geboden alsnog het medisch dossier van het penitentiair hospitaal te overleggen en het operatieverslag van de operatie van 5 januari 2003.

4.6 De rechtbank stelt vast dat [eiser] in de door hem ter rolzitting van 25 mei 2005 genomen akte zijn verwijten jegens de Staat en het UMC niet nader heeft gespecificeerd. Hij is evenmin ingegaan op de in 4.5. vermelde stelling van het UMC. Hij heeft slechts producties in het geding heeft gebracht, zonder daarbij aan te geven ter ondersteuning waarvan deze dienen en welke passages daarvan relevant zijn. [eiser] heeft evenmin gesteld dat de door hem bij die akte in het geding gebrachte brief van 18 mei 2005 van mr. J.I. Noordsij, medisch adviseur, gericht aan zijn advocaat, als verwoording van zijn standpunt moet worden aangemerkt. Overigens worden in deze brief met name vragen opgeworpen en worden ook daarin geen duidelijke specifieke verwijten aan het adres van het UMC geformuleerd. Met betrekking tot de Staat staat slechts vermeld dat bepaalde feiten suggereren dat er mógelijk een wat te lange delay heeft bestaan tussen ontwikkeling van klachten en de re-operatie van 5 januari 2004. Dit kan echter geen grondslag vormen voor een vordering jegens de Staat.

4.7 Voor zover [eiser] in de nadien door hem ter rolle van 31 augustus 2005 genomen akte nog stellingen heeft betrokken die als concreet verwijt jegens het UMC of de Staat kunnen worden aangemerkt overweegt de rechtbank dat deze buiten beschouwing dienen te worden gelaten, nu [eiser] uitdrukkelijk was uitgenodigd bij de op 25 mei 2005 genomen akte zijn verwijten jegens de Staat en het UMC nader te specificeren en het [eiser] daarna uitsluitend nog was toegestaan te reageren op één door de Staat bij antwoordakte van 22 juni 2005 in het geding gebrachte productie.

4.8 Aldus heeft [eiser] niet althans in onvoldoende mate aan zijn stel- en substantiëringsplicht voldaan. De rechtbank zal om die reden de vordering aanstonds afwijzen, zonder dat een deskundigenbericht zal worden gelast.

4.9 [Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de onderhavige procedure.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1 wijst de vordering af;

5.2 veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van het UMC begroot op € 1.356,-- aan salaris procureur en op € 241,-- aan verschotten;

5.3 veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat begroot op € 1.356,-- aan salaris procureur en op € 241,-- aan verschotten.

5.4 verklaart de onderdelen 5.2 en 5.3. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M.E. van der Burg-van Geest en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2005.