Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AU6628

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-11-2005
Datum publicatie
23-11-2005
Zaaknummer
SBR 05/2985
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kapvergunning voor 22 bomen aan het Lucasbolwerk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

Reg. nr.: SBR 05/2985

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Utrecht, in het geding tussen:

Vereniging Comit├ę Behoud Lucasbolwerk, gevestigd te Utrecht,

e i s e r e s,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

v e r w e e r d e r.

1. INLEIDING

1.1 Het beroep heeft betrekking op het besluit van verweerder van 29 augustus 2005, waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 22 februari 2005 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder aan het Parkeerbedrijf Gemeente Utrecht (hierna: vergunninghouder) een vergunning op grond van artikel 85 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) verleend voor het vellen van 22 bomen aan het Lucasbolwerk. Van deze 22 bomen worden in het kader van de bouw van de parkeergarage zes bomen, waaronder 1 monumentale boom (ulmus hollandica), gekapt en worden zes bomen, waaronder drie monumentale bomen (een linde, een watercypres en een Japanse notenboom), verplant. Van de genoemde 22 bomen worden in het kader van het herstel van de historische parkstructuur van het Zocherplantsoen zeven bomen gekapt en drie bomen verplant.

1.2 Het beroep is, gelijktijdig met het beroep van de Stichting Singelgebied met betrekking tot de onderhavige velvergunning (SBR 05/2747) behandeld ter zitting van 26 oktober 2005, waar namens eiseres zijn verschenen J.J.G.M. Verheugen en H.K. Gilissen. Namens verweerder zijn verschenen mr. C.M. Mulder, Ir. C.J.M. Rampart, ing. D. Verburg en E. Reinhard, allen werkzaam bij de gemeente Utrecht. Namens vergunninghouder is verschenen mr. B.J. Kooij, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Eiseres heeft verzocht om aanhouding van de behandeling van deze zaak totdat een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is gedaan in het geschil tussen eiseres en verweerder over het verlenen van inzage in de stukken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (SBR 05/1759). Zolang die uitspraak er niet is, is er sprake van strijd met artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aldus eiseres. Verweerder heeft in dit verband gesteld dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank zijn gezonden en dat eiseres daartegen in het kader van deze procedure geen bezwaar heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat, nog daargelaten het antwoord op de vraag of het in deze procedure gaat om de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, aan dit artikel geen zelfstandig recht op openbaarmaking van gevraagde documenten voortvloeit en voorts dat de Wet openbaarheid van bestuur er niet toe strekt ongelijkheid tussen partijen, voor zover die aanwezig is, in procedures op te heffen, te meer nu de rechtbank niet is gebleken dat verweerder niet de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank heeft doen toekomen. De rechtbank vindt steun voor haar opvatting in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 december 1997, gepubliceerd in JB 1998/12. De rechtbank ziet, mede gelet op de omstandigheid dat heden uitspraak is gedaan in de drie beroepen tegen de monumentenvergunning, dan ook onvoldoende aanleiding om de behandeling van de onderhavige zaak aan te houden.

Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat van de onderhavige velvergunning geen gebruik mag worden gemaakt voordat de monumentenvergunning onherroepelijk is geworden, overweegt de rechtbank dat verweerders gemachtigde ter zitting heeft gesteld dat met de werkzaamheden een begin zal worden gemaakt nadat de opschortende werking van de monumentenvergunning is opgeheven. Indien en voor zover eiseres wil voorkomen dat van de velvergunning gebruik gemaakt zal worden, dan kan zij de haar ter beschikking staande rechtsmiddelen aanwenden, zodat er onvoldoende aanleiding is om de behandeling van dit beroep aan te houden.

2.2 Ingevolge artikel 84, onder g, van de APV, wordt onder vellen verstaan: afzagen, afhakken verplaatsen, rooien met inbegrip van verplanten en het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de APV, is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 86, eerste lid, van de APV, moet de vergunning, schriftelijk en gemotiveerd onder bijvoeging van een situatieschets, worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

Ingevolge artikel 88, eerste lid, van de APV, kunnen burgemeester en wethouders de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:

a. natuur- en milieuwaarden;

b. landschappelijke waarden;

c. cultuurhistorische waarden;

d. waarden van stadsschoon;

e. waarden van recreatie en leefbaarheid;

f. de beeldbepalende waarde van de boom.

Ingevolge artikel 89, eerste lid, van de APV, kan tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door burgemeester en wethouders te geven aanwijzingen moet worden herplant.

Ingevolge artikel 91, derde lid, van de APV, kunnen burgemeester en wethouders, indien een houtopstand waarop het verbod tot het vellen van toepassing is, door uitvoering van werkzaamheden in het voortbestaan wordt bedreigd, aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degenen die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig door hen te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn voorziening te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

2.3 Tussen partijen is niet in geschil dat de bomen waarden vertegenwoordigen als bedoeld in artikel 88 van de APV. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de ernst van de inbreuk op die waarden niet in alle gevallen even groot is en dat met het oog op de waardevolle bomen er een herplantplicht is opgelegd, waardoor de ecologische waarde op termijn zal toenemen. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en daarom wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand kan blijven. Eiseres heeft er in dit verband op gewezen dat verweerder voor de motivering van het bestreden besluit ten onrechte verwijst naar de monumentenvergunning en de ruimtelijke onderbouwing in het kader van de bouwvergunningprocedure.

De rechtbank stelt vast dat vergunninghouder aan de aanvraag om de velvergunning de bestuurlijk vastgestelde ruimtelijke onderbouwing d.d. 16 november 2004 en het Definitief Inrichtingsplan Lucasbolwerk d.d. 9 juli 2004 (hierna: het Inrichtingsplan) ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank stelt voorts vast dat in de ruimtelijke onderbouwing een uitgebreide toelichting is opgenomen over de verschillende aspecten van de parkeergarage op het Lucasbolwerk, waaronder de ruimtelijke consequenties, de gevolgen voor de ecologische waarde van het monument en de monumentale status van het park. In het Inrichtingsplan is verder uitvoerig ingegaan op de inpassing van de parkeergarage in het park, de inpassing van de Stadsschouwburg, het herstel van de historische parkstructuur en het behouden van monumentale en beeldbepalende bomen. Daarbij zijn, mede op basis van meerdere onderzoeken door ter zake deskundige personen of instanties, de monumentale bomen in drie categorie├źn verdeeld, te weten bomen die op landelijk niveau bijzonder zijn, bomen die op gemeentelijk niveau bijzonder zijn en bomen die op wijk- of buurtniveau bijzonder zijn. Met deze categorisering heeft verweerder bij de vergunningverlening rekening gehouden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de velvergunning en het bestreden besluit niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen van motivering en zorgvuldige voorbereiding. Dit te meer nu bij het Inrichtingsplan door verweerder een groot aantal rapportages en onderzoeken zijn betrokken.

2.4 Eiseres voert verder aan dat het, naar haar zeggen, rigoureus kappen van bomen op gespannen voet staat met het door verweerder beoogde herstel van het Zocherplantsoen en dat voor het beoogde herstel, gelet op de rapportage van Ecologisch Adviesbureau Maes en Albers Adviezen van september 2002, andere maatregelen nodig zijn dan die maatregelen die in het Inrichtingsplan zijn vervat. Volgens eiseres hebben de door verweerder voorgestelde maatregelen slechts betrekking op het construeren van een nieuwe groenstructuur, die strijdig is met artikel 11 van de Monumentenwet. De rechtbank overweegt in dit verband dat verweerder bij het bestreden besluit heeft erkend dat een volledig herstel van het Zocherplantsoen met de bouw van de parkeergarage niet mogelijk is maar dat het Inrichtingsplan een aanvaardbaar compromis is tussen de monumentenbelangen en het gebruikersbelang. De omstandigheid dat het door verweerder voorgestane herstel van de historische parkstructuur niet volledig in overeenstemming is met de eerdergenoemde rapportage van Maes en Albers, levert naar het oordeel van de rechtbank evenwel onvoldoende grond op voor het oordeel dat de velvergunning om die reden niet in stand kan blijven. Bij de afweging van het belang bij zowel de realisering van de parkeergarage als het herstel van de historische parkstructuur en het belang van het behoud van monumentale bomen, kan niet gezegd worden dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het onderhavige herstelplan voor het Zocherplantsoen.

2.5 Eiseres voert ook aan dat de bouw van de parkeergarage een grootschalige operatie is en dat ten gevolge van het ontbreken van een gebruikelijk bouwveiligheidsplan de aanwezige bomen schade zullen ondervinden van het bouwverkeer en de opslag van materialen ter plaatse. De rechtbank is van oordeel dat deze grief niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit en overweegt daartoe als volgt. Verweerder heeft in de ruimtelijke onderbouwing (pag. 16) opgenomen dat de aanwezige bomen tijdens de bouwwerkzaamheden dienen te worden beschermd. In hoofdzaak betreft dit het voorkomen van verdichting van de bodem door (transport)werkzaamheden, opslag en het voorkomen van uitdroging bij een eventuele plaatselijke open bemaling. Verweerder heeft in dit verband een zevental maatregelen voorgesteld om deze schade te voorkomen. Met betrekking tot de bomen die dicht op het ronde deel van de parkeergarage staan, zal als preventieve maatregel aan de rand van de kroon een damwand worden geplaatst om uit te sluiten dat cementwater indringt in de aangrenzende grond en het wortelgestel door cementwater zal worden aangetast. Voorts zal in het bouwbestek zo nodig de eis worden opgenomen dat de werkzaamheden worden verricht met aangepaste machines met een geringe werkhoogte. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting bevestigd dat aan de aannemers eisen zullen worden gesteld waardoor geen schade aan de aanwezige bomen zal ontstaan. Gelet hierop heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het belang van het behoud van de aanwezige bomen en het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. De stelling van eiseres dat het gebruik van bentoniet een verhoogd risico met zich brengt voor de aanwezige bomen kan hieraan niet afdoen, omdat gebruik gemaakt zal worden van een blijvende damwand en het gegoten beton niet de gelegenheid heeft om uit te stromen naar de nabije omgeving van de parkeergarage en aldaar schade aan de bomen aan te richten. De rechtbank betrekt bij haar overwegingen voorts dat verweerder bij het bestreden besluit heeft betrokken dat zonodig met toepassing van artikel 91, derde lid, van de APV, verplichtingen aan de aannemers zullen worden opgelegd om te voorkomen dat onvoorziene bedreigingen van de bomen wordt voorkomen.

2.6 De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het verlenen van de onderhavige velvergunning.

2.7 De door eiseres aangevoerde bezwaren kunnen gelet op het voorgaande niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

3. BESLISSING

De rechtbank Utrecht,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2005.

De griffier: Het lid van de enkelvoudige kamer:

mr. drs. H. Maaijen mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.