Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AU5557

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-11-2005
Datum publicatie
03-11-2005
Zaaknummer
SBR 05/3042 VV
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Geen reden voor treffen van voorlopige voorziening in verband met bouwvergunning voor 18 seniorenappartementen en vergunningen voor kap en dunning van bomen op perceel hoek F. Halslaan / P. Potterlaan te Doorn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector bestuursrecht

Reg.nr.: S[verzoeker]2 VV

Uitspraak van de[verzoekster]ningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geding tussen:

[verzoeker] en de Vereniging Ludenkwartier, allen wonende en gevestigd te Doorn, verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doorn, verweerder.

1. INLEIDING

1.1 Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft betrekking op verweerders besluit van 2005, waarbij verweerder de bezwaren van verzoekers tegen zijn besluiten van 9 november 2004 deels niet-ontvankelijk heeft verklaard en voor het overige ongegrond heeft verklaard. Tevens heeft verweerder ten aanzien van een aantal personen gesteld dat hun bezwaren niet geacht worden te zijn ingediend.

Bij voornoemde besluiten van 9 november 2004 heeft verweerder aan Van Bekkum Projecten B.V. te Hooglanderveen:

1. een kapvergunning verleend voor 203 bomen op het perceel hoek Frans Halslaan / Paulus Potterlaan te Doorn;

2. een vergunning tot dunning van het aantal bomen op dit perceel, waarbij 81 bomen mogen worden verwijderd;

3. vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning voor het oprichten van 18 seniorenappartementen op dit perceel.

1.2 Het verzoek is op in eerste instantie op 28 oktober 2005, en nader op 3 november 2005, ter zitting behandeld, waar verzoekers zijn verschenen bij [verzoeker], bijgestaan door mr. J.A. Spigt, advocaat te Arnhem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Knibbe, werkzaam bij de gemeente Doorn. Vergunninghouder is verschenen bij

[belanghebbende], bijgestaan door mr. J.W. van der Linde, advocaat te Ede.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voor-zieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Ter zitting he[verzoeker]igde van [verzoeker] toegelicht dat is beoogd ook namens hen een verzoek in te dienen. Derhalve zijn ook zij in onderhavige procedure betrokken.

2.4 Op basis van het navolgende, kan in hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vergunningen niet mochten worden verleend.

2.5 Gelet op het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan, het welstandsadvies, het stedenbouwkundig rapport van 6 juli 2005, het ecologische onderzoek van mei 2005 en de verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten heeft verweerder in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat de realisatie van het bouwplan en de daarbij behorende kap en dunning op de betreffende locatie verantwoord zijn. Met name is van belang dat verweerder belangen van volkshuisvesting en belangen van ecologische en cultuurhistorische aard heeft afgewogen en in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat aan eerstgenoemde belangen zwaarder gewicht toekomt.

Daarbij stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder heeft getracht tot een zodanige regeling te komen dat de te bouwen appartementen zoveel mogelijk ten goede zullen komen aan de bewoners van Doorn. Op voorhand valt niet in de zien dat de daarvoor gekozen constructie zodanig ondeugdelijk zou zijn dat daar geen waarde aan toekomt.

Een nadere toetsing aan de welstandsnota is niet vereist nu onderhavige aanvraag dateert van voor 1 januari 2003. Aan het rapport van ir. Braak komt geen doorslaggevende betekenis toe, nu dit dateert van vóór het rapport van juli 2005 en in dit laatste rapport mede wordt ingegaan op de ook door Braak genoemde omgevingsfactoren.

Ten aanzien van de aangevoerde strijdigheid met de flora en faunawet merkt de voorzieningenrechter op dat hierin geen reden tot schorsing kan zijn gelegen, nu hiervoor een ontheffing is verleend en in onderhavige procedure de juistheid van die ontheffing niet ter discussie staat. Bovendien wordt door middel van de aan de vergunning verbonden voorwaarden tegemoet gekomen aan diverse ecologische bezwaren.

2.6 Naast argumenten die zien op voormelde inhoudelijke beoordeling, zijn een aantal argumenten van formele aard naar voren gebracht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen deze niet tot toewijzing van het verzoek leiden. Dienaangaande merkt de voorzieningenrechter – zij het, gelet op het spoedeisende belang bij deze uitspraak, slechts zeer kort – het volgende op.

[verzoekster] is in bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Gelet op de getoonde tekeningen en foto’s is niet aannemelijk dat zij vanaf haar perceel of vanuit haar woning direct zicht heeft op het bouwperceel en zij woont op meer dan 200 meter afstand. Dat zij geregeld haar hond bij het perceel uitlaat, is onvoldoende om haar als belanghebbende aan te merken. Het feit dat verweerder bewoners van de wijk rondom het perceel allemaal, ongeacht zicht en afstand, als belanghebbende heeft aangemerkt, maakt niet dat [verzoekster] ook als belanghebbende moet worden aangemerkt.

Verweerder heeft toegelicht dat van [verzoeker] in bezwaar geen machtiging is ontvangen. Hierop is ter zitting door verzoekers niet gereageerd. Derhalve moet er van worden uitgegaan dat zij terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.

Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat in bezwaar ten onrechte niet is ingegaan op de bezwaren van [verzoeker]. Dat hij in bezwaar is gekomen is immers vermeld in de aanhef van het besluit en in het advies van de commissie bezwaarschriften Doorn van mei 2005 is onder punt 8 ingegaan op zijn argument dat er privaatrechtelijke belemmeringen zouden zijn.

Aan de vergunning is een situatietekening gekoppeld, waarop is aangegeven welke bomen geveld mogen worden. Daarmee is, naast de door verweerder gegeven beschrijving van de betreffende bomen, voldoende bepaalbaar op welke bomen de vergunning ziet. Of er op het terrein nog meer of andere bomen zouden staan is voor onderhavige procedure niet van belang, zoals verzoekers stellen, nu deze buiten de verleende vergunning vallen.

Het argument dat privaatrechtelijke afspraken over de gebruik van het perceel zouden verhinderen dat bebouwing mag plaatsvinden, is onvoldoende onderbouwd en wordt om die reden gepasseerd.

Voor zover geoordeeld moet worden dat belanghebbenden onvoldoende in staat zijn geweest om hun zienswijze te geven op de aanvraag, is deze omissie hersteld in bezwaar alwaar belanghebbenden in voldoende mate hun visie hebben kunnen geven.

Aan de vermelding in het besluit tot het verlenen van de kapvergunning dat aan die vergunning de voorwaarde is verbonden dat de vergunning niet mag worden gebruikt tot het moment van het definitief worden van het besluit, oftewel het moment dat de bezwaar- of beroepstermijn ongebruikt is verstreken danwel beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening en dat verzoek is afgewezen, komt in onderhavige procedure geen doorslaggevende betekenis toe. In de beslissing op bezwaar is in het kader van de volledige heroverweging immers (gezien de APV) terecht en tijdig aangegeven dat per abuis was opgenomen dat de beroepstermijn moest zijn verstreken. Dat dit niet in de conclusie van de beslissing is vermeld en dat aldaar is volstaan met de ongegrond verklaren van de bezwaren, is niet van doorslaggevend belang.

2.7 Er is - gelet op de korte voorbereidingstijd voor partijen - geen aanleiding om artikel 8:86 van de Awb toe te passen.

2.8 Het vorenstaande leidt er toe dat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van verzoekers is geen aanleiding.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.H. van Meegen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2005.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. M.E. Companjen mr. H.J.H. van Meegen

Afschrift verzonden aan partijen op: