Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AU5513

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-11-2005
Datum publicatie
03-11-2005
Zaaknummer
434865 EJ 05-4472
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter in Amersfoort heeft bepaald dat hij geen extra beslissing hoeft te nemen over de voogdij van baby Donna, omdat er geen sprake is van een gezagsvacuüm na de beslissing van de rechtbank Utrecht van 26 oktober. Zolang deze beschikking niet onherroepelijk is (er is immers nog hoger beroep mogelijk) blijft de voorlopige voogdij bij Bureau Jeugdzorg. Ook heeft de kantonrechter bepaald dat de pleegouders van Donna niet met de voorlopige voogdij kunnen worden belast. Voorlopige voogdij is namelijk een maatregel van kinderbescherming, en geen gezagsmaatregel. De uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen is opgedragen aan een stichtingen als bedoeld in de Wet op de Jeugdzorg (Bureau Jeugdzorg). Daarom zouden de pleegouders niet met de voorlopige voogdij over Donna kunnen worden belast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

SECTOR KANTON, LOCATIE AMERSFOORT

Beschikking op het verzoek van:

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

gevestigd te Utrecht,

verzoekende partij,

hierna ook te noemen: de Raad.

De Raad heeft een verzoekschrift ingediend dat strekt tot benoeming -op de voet van artikel 1:253r juncto 1:253q van het Burgerlijk Wetboek (B.W.)- van een tijdelijke voogd over de minderjarige:

DONNA [naam],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

hierna ook te noemen: Donna,

kind van [ouders], beiden wonende te [woonplaats],

hierna ook te noemen: de ouders,

verblijvende bij haar pleegouders:

[pleegouders],

wonende te [woonplaats] (hierna ook te noemen: de pleegouders).

Het verzoek is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 26 oktober 2005, waarbij aanwezig waren de Raad, de Stichting Bureau Jeugdzorg te Utrecht, de heer [pleegvader] (pleegvader), alsmede de gemachtigde van de pleegouders, mr M. Zon, advocaat te Bussum. Ter zitting heeft mr Zon mondeling verzocht om de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 25 mei 2005 in zoverre te wijzigen dat de minderjarige in plaats van onder voorlopige voogdij van de Stichting Bureau Jeugdzorg te Utrecht, wordt geplaatst onder de voorlopige voogdij van de beide pleegouders, althans één van hen.

Voor de vaststaande feiten verwijst de kantonrechter naar hetgeen onder 2.1 tot en met 2.18 is overwogen in de ten verzoeke van de pleegouders op 26 oktober 2005 door de rechtbank te Utrecht gegeven beschikking, waarbij de verzoeken van de pleegouders om: a) verzoekster [pleegmoeder] tot voogd over Donna te benoemen en de pleegouders de gezamenlijke voogdij over Donna te laten uitoefenen;

b) de ouders te ontzetten van het ouderlijk gezag over Donna;

c) een onafhankelijke deskundige te benoemen om te onderzoeken welke beslissing in het belang van Donna het beste moet worden geacht;

zijn afgewezen, en waarbij voor recht is verklaard dat er family life is tussen de pleegouders en Donna.

Aangezien de pleegouders het in de voorgaande alinea bedoelde verzoek hebben gedaan binnen zes weken na de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 25 mei 2005, waarbij de ouders zijn geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag over Donna, en waarbij Donna met ingang van 25 mei 2005 onder voorlopige voogdij van de Stichting Bureau Jeugdzorg te Utrecht is geplaatst, is de door de kinderrechter genomen maatregel (ingevolge artikel 1:241, vijfde lid, B.W.) van kracht gebleven.

De Raad stelt dat er, nu de rechtbank te Utrecht het ontzettingsverzoek van de pleegouders heeft afgewezen, een gezagsvacuüm is ontstaan ten aanzien van Donna, omdat de ouders van Donna zich in België bevinden en daarom niet in staat zijn het gezag uit te oefenen.

Als verweer van de verste strekking heeft de gemachtigde van de pleegouders aangevoerd dat er geen sprake is van een gezagsvacuüm omdat de beschikking van de rechtbank Utrecht van 26 oktober 2005 nog niet in kracht van gewijsde is gegaan; er is immers gedurende drie maanden tijd voor hoger beroep.

Dit verweer is terecht opgeworpen. Hoewel de tekst van artikel 1:241, vijfde lid, B.W. minder expliciet is dan het daarmee corresponderende artikel 1:272, derde lid, B.W., moet er toch van worden uitgegaan dat de wetgever heeft beoogd te regelen dat de in artikel 1:241 B.W. bedoelde maatregel van de kinderrechter van kracht blijft totdat over het verzoek bij gewijsde is beslist. Er is dus thans geen gezagsvacuüm ten aanzien van Donna, hetgeen impliceert dat de kantonrechter niet gehouden is om te voorzien in de tijdelijke voogdij over Donna. Het verzoek van de Raad wordt daarom afgewezen.

Het mondelinge verzoek van de gemachtigde van de pleegouders om de beschikking van de kinderrechter te Utrecht betreffende de voorlopige voogdij over Donna aldus te wijzigen dat in plaats van de Stichting Bureau Jeugdzorg (één der) pleegouders met de voorlopige voogdij wordt belast, kan niet worden toegewezen. Immers, indien er al van moet worden uitgegaan dat een mondeling verzoek voldoet aan de eisen van artikel 278 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (waarnaar in artikel 1:241, vijfde en zesde lid, B.W. verwezen wordt), dan moet worden vastgesteld dat de voorlopige voogdij een maatregel van kinderbescherming is, en geen gezagsmaatregel. De uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen is opgedragen aan een stichting als bedoeld in artikel 1 onder f van de Wet op de Jeugdzorg (Bureau Jeugdzorg). Met betrekking tot voorlopige voogdij is dit geregeld in artikel 1:241, tweede lid, B.W.. Daarom zouden de pleegouders niet met de voorlopige voogdij over Donna kunnen worden belast.

De beslissing

De kantonrechter wijst het verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr J.H. Geertsema, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op woensdag 2 november 2005.

Tegen deze beschikking kan binnen drie maanden na heden beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Prinsengracht 436. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend.

Rekestnr. 434865 EJ 05-4472 2 november 2005

JHG