Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AU4934

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-10-2005
Datum publicatie
26-10-2005
Zaaknummer
197521//FA RK 05-3560
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek pleegouders baby Donna gedeeltelijk afgewezen

De Utrechtse rechtbank heeft vandaag het verzoek van de pleegouders, om de ouders van baby Donna van de ouderlijke macht te ontzetten en zelf tot voogd te worden benoemd, afgewezen. De rechtbank heeft op verzoek van de pleegouders wel bevestigd dat er sprake is van family life tussen de pleegouders en baby Donna.

De rechtbank heeft hiermee een oordeel gegeven over de vragen die haar zijn voorgelegd door de pleegouders. Nu de baby reeds enige tijd bij het pleegechtpaar verblijft, is daar family life ontstaan. De ouders zijn niet van het ouderlijk gezag ontzet omdat daar geen wettelijke grond voor is. Er is niet gebleken van vrees dat de ouders Donna terug zouden eisen, de ouders hebben immers aangegeven dat zij willen dat het kind bij de pleegouders verblijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2005, 139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Utrecht

BESCHIKKING

van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

[pleegouders]

beiden wonende te Leusden,

nader te noemen de pleegouders,

procureur: mr. P.J. Soede,

advocaat: mr. M.A. Zon,

-tegen-

[ouders]

beiden wonende te Sint-Lievens-Houtem,

België,

nader te noemen de ouders.

1. Verloop van de procedure

De pleegouders hebben op 1 juli 2005 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend dat strekt tot ontzetting van de ouders van het gezag over de hierna te noemen minderjarige. Voorts wordt verzocht om de pleegouders te belasten met de gezamenlijke voogdij over die minderjarige.

Op 12 september 2005 hebben de pleegouders ter griffie van deze rechtbank een aanvullend verzoekschrift ingediend, waarin zij onder meer verzoeken om een onafhankelijke deskundige te benoemen en deze opdracht te geven onderzoek te doen naar de belangen van de minderjarige in deze specifieke situatie en de rechtbank daarover volledig objectief te informeren. Zij verzoeken de rechtbank om mevrouw drs. A. Hendriks, ontwikkelingspsychologe te Den Haag, als deskundige te benoemen.

Daarnaast doen de pleegouders het verzoek aan de rechtbank om voor recht te verklaren dat tussen de minderjarige en de pleegouders family life bestaat, alsmede een aantal subsidiaire verzoeken.

Op 13 september 2005 is ter griffie de conclusie van het openbaar ministerie binnengekomen.

Op 20 september 2005 is ter griffie van deze rechtbank een faxbericht met bijlage binnengekomen van mr. C. van der Stichelen, advocate van de ouders. In dit bericht deelt de advocate mede dat de ouders niet ter zitting zullen verschijnen en dat zij zich evenmin ter zitting laten vertegenwoordigen.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van de meervoudige kamer met gesloten deuren van 21 september 2005.

Op 23 september 2005 is ter griffie van deze rechtbank een schrijven met bijlage binnengekomen van mr. Van der Stichelen voornoemd met dezelfde inhoud en bijlage als het faxbericht van 20 september 2005.

2. Vaststaande feiten

2.1. Op 26 februari 2005 is te [geboorteplaats], België, geboren Donna [naam], hierna te noemen Donna.

2.2. Donna is het minderjarige kind van de echtgenoten [ouders] beiden wonende te [adres]

2.3. De ouders en Donna hebben de Belgische nationaliteit.

2.4. De ouders zijn van rechtswege belast met het gezag over Donna.

2.5. De ouders hebben met de pleegouders een draagmoederovereenkomst gesloten, waarin zij zich hebben verbonden om de minderjarige af te staan aan de pleegouders.

2.6. De pleegouders hebben bij brief van 2 februari 2005 de Raad voor de Kinderbescherming medegedeeld dat de minderjarige na de geboorte bij hen komt wonen met als oogmerk de minderjarige te adopteren. Hierin is niet vermeld dat de minderjarige in België geboren zou worden.

2.7. De pleegouders hebben bij brief van 2 februari 2005 de burgemeester van de gemeente Leusden medegedeeld dat de minderjarige na de geboorte zal worden opgenomen in hun gezin met het oogmerk het kind na één jaar te adopteren. Zij delen de gemeente voorts mede dat zij op grond van artikel 1: 275 lid 2 juncto 282 BW een verzoek willen doen tot verkrijging van de gezamenlijke voogdij over de minderjarige. Zij maken geen melding van het feit dat de minderjarige in België geboren zou worden.

2.8. De teamleider van de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Haarlem, heeft bij brief van 18 februari 2005 in antwoord op de brief van de pleegouders d.d. 2 februari 2005, de pleegouders medegedeeld dat de Raad geen aktie onderneemt zolang de baby nog niet geboren is. De Raad wil van de pleegouders vernemen wanneer de baby geboren is en bij de pleegouders in het gezin is gekomen. Daarna zou de Raad op korte termijn kontakt met de pleegouders opnemen om een gesprek te hebben over de situatie van de baby.

2.9. De voormalige raadvrouwe van de pleegouders, mr. Ann van de Steen, advocaat te Aalst, België, heeft bij brief van 28 februari 2005 aan het Ministerie van Justitie, Centrale Autoriteit Interlandelijke Adoptie, te Den Haag, medegedeeld dat de pleegouders het Belgische kind Donna wensen te adopteren. Zij verzoekt de Centrale Autoriteit haar een exemplaar van het specifieke formulier toe te sturen dat dient te worden ingevuld teneinde de pleegouders toe te laten tot het indienen van een aanvraag tot adoptie.

2.10. De toenmalige raadsvrouwe van de pleegouders heeft bij brief van 28 februari 2005 de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Utrecht medegedeeld dat de pleegouders het Belgische kind Donna wensten te adopteren.

2.11. De pleegouders hebben met instemming van de ouders de verzorging en opvoeding van Donna per 1 maart 2005 op zich genomen. Donna verblijft sedertdien bij de pleegouders te Leusden.

2.12. De teamleider van de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Haarlem, heeft bij brief van 19 april 2005 de pleegouders medegedeeld dat, nu Donna daadwerkelijk in het pleeggezin verblijft, een onderzoek naar de situatie van de pleegouders en die van Donna zal plaatsvinden. Door de Raad zou met de pleegouders een afspraak gemaakt worden voor een eerste gesprek. Ook de ouders van Donna zijn bij brief op dezelfde datum door de Raad geïnformeerd over het onderzoek naar de situatie van Donna.

2.13. De Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Haarlem, heeft deze rechtbank op 25 mei 2005 verzocht om Donna voorlopig onder voogdij te plaatsen van Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdbescherming.

2.14. De kinderrechter in deze rechtbank heeft de ouders bij beschikking van 25 mei 2005 geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag en Donna met ingang van 25 mei 2005 onder voorlopige voogdij geplaatst van Stichting Bureau Jeugdzorg te Utrecht.

2.15. De Jeugdrechter van de rechtbank van Eerste Aanleg van het Gerechtelijk arrondissement Oudenaarde te België heeft deze rechtbank bij brief van 27 juni 2005 verzocht de verdere behandeling van de zaak naar hem te verwijzen.

2.16. De kinderrechter in deze rechtbank heeft dit verzoek bij brief van 28 juni 2005 ingewilligd.

2.17. De Jeugdrechter van de rechtbank van Eerste Aanleg van het Gerechtelijk arrondissement Oudenaarde te België heeft vervolgens Donna bij beschikking van 29 juni 2005 voorlopig onder toezicht gesteld van de Sociale Dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de Jeugdrechtbank te Oudenaarde.

2.18. Het Hof van beroep te Gent, België heeft bij arrest van 5 september 2005 de beschikking van de Jeugdrechter van Oudenaarde van 29 juni 2005 vernietigd en zich territoriaal onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vordering van de Procureur-generaal en heeft vastgesteld dat de verwijzing naar de Jeugdrechter van Oudenaarde niet conform artikel 15, 2e lid in fine Verordening 2201/2003 van de Raad van de Europese Unie is geschied en heeft partijen dientengevolge naar de Kinderrechtbank in Utrecht verwezen.

3. Beoordeling van het verzochte

3.1. Brief ouders

De ouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

In een brief van hun advocaat van 20 september 2005 hebben de ouders de rechtbank laten weten dat het hun wens is dat Donna bij de pleegouders blijft en dat zij bereid zijn afstand te doen van hun ouderlijk gezag, onder de voorwaarde dat Donna wordt opgevoed door de pleegouders.

3.2. Verzoek pleegouders

Ter zitting hebben de pleegouders hun verzoek gewijzigd in die zin dat zij thans de rechtbank verzoeken:

Primair

- Om hun positie ten opzichte van Donna als pleegouders om te zetten in een benoeming van verzoekster [pleegouder] tot voogd, op grond van artikel 1: 280 BW en vervolgens op grond van artikel 1: 282 BW hen de gezamenlijke voogdij over Donna te laten verkrijgen, waarbij de voorlopige voogdij van het Bureau Jeugdzorg (nader te noemen BJZ) komt te vervallen.

- Alsmede om de draagouders te ontzetten uit het gezag (tenzij de Raad voor de Kinderbescherming, nader te noemen de Raad, alsnog een verzoek tot ontheffing indient).

- Voorts te verklaren voor recht dat er sprake is van family life tussen Donna en de pleegouders.

- Voor het geval dat de rechtbank het primaire verzoek van de pleegouders niet direct kan toewijzen, verzoeken zij de rechtbank om een onafhankelijk deskundige aan te stellen, bij voorbeeld hechtingsdeskundige mevrouw Dr. T. Weterings te Voorschoten

(verbonden aan de Rijks Universiteit Leiden) en/of ontwikkelingspsychologe mevrouw Drs. A. Hendriks te Den Haag, dan wel een andere door de rechtbank in overleg met de pleegouders te kiezen deskundige, om te onderzoeken welke beslissing in het belang van Donna het beste moet worden geacht.

- Tevens verzoeken de pleegouders de rechtbank te bepalen dat in dat geval de verblijfplaats van Donna zal blijven bij de pleegouders, zolang het onderzoek loopt en er geen onherroepelijke beslissing in rechte is gegeven.

Subsidiair

- Te verklaren voor recht dat de Raad onzorgvuldig handelt door zich te onthouden van het indienen van een verzoekschrift tot ontheffing uit het gezag van de draagouders en tot het verkrijgen van de voogdij over Donna door de pleegouders, en voorts te bepalen dat, als een onderzoek wordt uitgevoerd door een door de rechtbank aan te wijzen deskundige (dan wel subsidiair door de Raad zelf), de pleegouders in plaats van het BJZ worden belast met de voorlopige voogdij gedurende het onderzoek,

- althans te bepalen dat het BJZ als voorlopig voogd niet vrij staat om Donna bij de pleegouders weg te halen zolang niet definitief en onherroepelijk in rechte is beslist dat Donna niet bij de pleegouders mag blijven.

Meer subsidiair

- Te bepalen dat Donna zólang haar hoofdverblijfplaats bij de pleegouders zal houden, dat zij zelf, nadat zij Donna een jaar hebben verzorgd en opgevoed, een verzoek tot ontheffing van de draagouders uit het gezag bij de rechtbank kunnen indienen

(1: 267 lid 2 BW) en daarover een onherroepelijke uitspraak verkrijgen.

- In dat geval verzoeken de pleegouders de rechtbank hun verzoek tot het verkrijgen van de voogdij over Donna zolang aan te houden totdat een definitieve, onherroepelijke uitspraak in die procedure zal zijn verkregen.

Primair en subsidiair

Ten slotte verzoeken de pleegouders de rechtbank een onverhoopt afwijzende beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zodat een eventueel door hen tegen die beslissing in te stellen hoger beroep schorsende werking zal hebben.

De pleegouders hebben hun verzoek toegelicht met het volgende:

De pleegouders hebben reeds jaren een grote kinderwens. Vlak voor de geboorte is echter hun dochtertje overleden. Nadien is het niet gelukt om hun kinderwens op de door hen gewenste wijze in vervulling te doen gaan. Vervolgens besloten zij op zoek te gaan naar een draagmoeder. Tevoren hebben zij via internet informatie ingewonnen en hebben zij contact opgenomen met de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem en Utrecht. Via internet zijn de pleegouders in contact gekomen met de draagmoeder. De draagmoeder heeft op een gegeven moment de pleegouders laten weten dat zij haar kind na de geboorte graag aan hen wilde afstaan.

3.3. Standpunt Raad voor de Kinderbescherming

De Raad heeft zich op het standpunt gesteld dat Donna niet bij de pleegouders kan blijven en zo spoedig mogelijk teruggeplaatst moet worden naar België.

De Raad doet daarbij een beroep op artikel 21 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) 1989 en artikel 4 van het Verdrag inzake de Bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie (1993).

In deze artikelen wordt voorgeschreven dat bij adoptie en de voorafgaande plaatsing het belang van het kind de belangrijkste overweging dient te zijn en dat aan een adoptie en de daaraan voorafgaande plaatsing voorwaarden zijn verbonden.

De Raad stelt dat aan de voorwaarden van beide verdragen, die van dwingend recht zijn, niet is voldaan.

Voorts is volgens de Raad door de pleegouders niet voldaan aan de vereisten die gesteld zijn in de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (WOBKA).

De Raad is voorts van mening dat, indien er geen sprake zou zijn van adoptie maar van een pleeggezinsituatie, de pleegouders niet van te voren een screening als pleeggezin hebben aangevraagd, waarvoor zij toestemming dienden te hebben van de betreffende Centrale Autoriteiten.

De Raad komt tot de conclusie dat, vanuit het belang van het kind gezien, Donna erbij gebaat is om op zeer korte termijn overgebracht te worden naar België. Vanuit de pleegouders gezien, kan volgens de Raad gesteld worden dat zij hadden moeten beseffen dat het opnemen van een kind van een ander ter adoptie niet zomaar mogelijk is en dat zij ook hadden moeten beseffen dat het niet aan de juridische ouders is om hun kind onderhands af te staan, zonder dat gezorgd kan worden voor objectieve voorlichting over afstand aan de afstandsouders en zonder de mogelijkheid van een juridische toets door bevoegde autoriteiten in het eigen land toe te laten en ook de consequenties van de afstand voor de andere kinderen in dat gezin onder ogen te zien.

Om verdergaande hechting van Donna in het gezin van de pleegouders te voorkomen, moet het kind zo snel mogelijk naar België overgeplaatst worden.

De Raad verzoekt de rechtbank om de pleegouders niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek, omdat de pleegouders tegen internationale regels hebben gehandeld. Indien de pleegouders ontvankelijk zijn in hun verzoek, voert de Raad aan dat het verzoek tot ontzetting van de ouders uit het gezag dient te worden afgewezen, nu de pleegouders geen bewijs hebben aangedragen waaruit zou moeten blijken dat er sprake zou zijn van de wettelijk vereiste gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van Donna doordat de ouders het kind terugeisen of terugnemen.

Voorts dient volgens de Raad het verzoek van de pleegouders om een ontwikkelingspsychologe een onderzoek te laten doen afgewezen te worden. Een nader onderzoek zal volgens de Raad geen nieuwe gezichtspunten opleveren dan nu reeds bekend zijn. De Raad acht het niet in het belang van Donna dat de pleegouders met het gezag belast worden.

Ook dient het verzoek van de pleegouders met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van Donna te worden afgewezen, nu dit volgens de Raad juridisch niet mogelijk is en zeker niet nu Donna nog steeds niet staat ingeschreven in de gemeente Leusden.

Ook kunnen de pleegouders geen beroep doen op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM), nu de vraag zich voordoet of Donna rechtmatig hij de pleegouders verblijft.

De Raad verwerpt de stelling van de pleegouders dat de Raad een gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de pleegouders bij de opneming van Donna in hun gezin het juiste traject hebben gevolgd.

De Raad is van mening dat er geen reden bestaat om een eigen onderzoek in te stellen en een verzoek bij de rechtbank in te dienen tot ontheffing van de ouders van het gezag.

De Raad acht het wettelijk onmogelijk dat de pleegouders, gelet op de wetsgeschiedenis van artikel 1: 267 lid 2 BW, zelf een verzoek tot ontheffing van de ouders in kunnen dienen.

Tenslotte is de Raad van oordeel dat het verzoek van de pleegouders om de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, afgewezen dient te worden.

3.4. Conclusie Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de door de pleegouders in eerste instantie gedane verzoeken.

De officier van justitie concludeert dat, met betrekking tot het verzoek tot ontzetting van het gezag van de ouders, de situatie, waarin gegronde vrees bestaat doordat de ouders Donna terugeisen of terugnemen, niet aanwezig is, nu de ouders hebben aangegeven dat zij wensen dat Donna bij de pleegouders zal blijven.

Voorts is de officier van justitie van mening dat, mochten de ouders Donna wel terugeisen of terugnemen, er geen gegronde vrees is voor de verwaarlozing van de belangen van Donna.

De officier van justitie heeft ter zitting haar conclusie toegelicht en gesteld dat er geen reden is om af te wijken van haar schriftelijke conclusie. Op de vraag of de pleegouders een gerechtvaardigd vertrouwen mochten hebben dat zij in deze de juiste procedure hebben gevolgd is de officier van oordeel dat in de brieven van de pleegouders aan de Raad en de gemeente Leusden de nationaliteit van Donna niet vermeld wordt, terwijl, indien dit wel geschied was, de Raad de weg van de buitenlandse adoptie had moeten wijzen. De vraag rijst daarbij waarom de pleegouders, zij het te laat, alsnog een beginselverklaring hebben aangevraagd bij het Ministerie van Justitie. Bovendien waren de pleegouders wel voorzien van juridische bijstand. De officier van justitie is van oordeel dat de informatie die door de Raad aan de pleegouders werd gegeven gebaseerd was op de onjuiste informatie die de pleegouders aan de Raad verstrekten en dat derhalve de pleegouders, nu het om een Belgische baby ging, niet het gerechtvaardigde vertrouwen mochten hebben dat zij de juiste weg hebben gevolgd.

Voorts vraagt de officier van justitie zich af of er wel sprake is geweest van draagmoederschap, nu er geen enkele band tussen de ouders en de pleegouders bestond. In eerste instantie was de baby bestemd voor een ander echtpaar, te weten de biologische vader en zijn vrouw, maar door onenigheid is de baby pas later aangeboden aan de pleegouders.

Inzake het bestaan van family life tussen de pleegouders en Donna stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat onder deze omstandigheden de pleegouders geen recht hebben op family life ex artikel 8 EVRM.

De officier van justitie concludeert tot afwijzing van alle verzoeken van de pleegouders. Indien de verzoeken door de rechtbank worden afgewezen kan er volgens de officier van justitie geen sprake zijn van uitvoerbaar verklaring bij voorraad.

3.5. Standpunt Bureau Jeugdzorg

Ter zitting heeft BJZ bij monde van mr. Van den Bosch het standpunt van Bureau Jeugdzorg (BJZ) uiteengezet. BJZ acht het in het belang van Donna dat zij onder bepaalde waarborgen naar België terugkeert en daar wordt opgenomen in een pleeggezin. Daarbij houdt BJZ de mogelijkheid open dat Donna teruggeplaatst wordt bij de ouders. Wanneer BJZ de voogdij over Donna behoudt, kan BJZ bepalen in welk pleeggezin Donna in Nederland opgenomen kan worden. Daarbij houdt BJZ ook rekening met de mogelijkheid dat Donna bij de pleegouders zal blijven. BJZ heeft geen bevoegdheid om, indien Donna terugkeert naar België, te bepalen in welk pleeggezin Donna daar zal worden geplaatst. Indien Donna naar België terugkeert hebben de juridische ouders de mogelijkheid en de bevoegdheid om Donna direct weer terug naar de pleegouders te brengen. Bureau Jeugdzorg zal, totdat onherroepelijk is beslist, geen actie ondernemen om Donna weg te halen uit het pleeggezin.

De voorlopige voogd, de heer O. Smit heeft ter zitting verklaard dat Donna het zijns inziens goed maakt bij de pleegouders en dat hij vooralsnog geen aanleiding ziet om Donna niet bij de pleegouders te laten blijven.

3.6. Beoordeling van het primaire verzoek

3.6.1. Inleiding

De rechtbank merkt allereerst op dat in de hiervoor weergegeven standpunten van de pleegouders, de Raad voor de Kinderbescherming, Bureau Jeugdzorg en het Openbaar Ministerie ten aanzien van de voorliggende verzoeken wordt geanticipeerd op de vraag of Donna al dan niet uiteindelijk door de pleegouders geadopteerd kan worden, of dat er in haar belang andere maatregelen genomen dienen te worden, zoals het onderbrengen in een ander (Belgisch) pleeggezin. Een antwoord op deze vraag zal de rechtbank in deze procedure echter niet kunnen geven, om de reden dat een verzoek om Donna te mogen adopteren door de pleegouders in deze procedure niet aan de orde is.

Dat neemt niet weg dat de onderhavige procedure niet los kan worden gezien van de voorgeschiedenis. Donna is immers op 1 maart 2005 in het gezin van de pleegouders opgenomen, met het uiteindelijke doel om haar te adopteren. Vóór de geboorte van Donna hebben de pleegouders daartoe met de ouders een draagmoeder-overeenkomst gesloten, waarbij de ouders zich hebben verbonden om Donna af te staan aan de pleegouders. De pleegouders zijn bij de geboorte van Donna aanwezig geweest en hebben haar na drie dagen met instemming van de ouders meegenomen naar hun huis in Leusden.

De pleegouders hebben van hun voornemen om Donna te adopteren nimmer een geheim gemaakt en hebben met behulp van hun toenmalige Belgische advocaat - ook al vóór de geboorte van Donna - getracht duidelijkheid te krijgen over de (juridische) stappen die zij zouden moeten ondernemen om dit doel te bereiken.

Voor een overzicht van de inspanningen van de pleegouders om het verblijf van Donna bij hen in overeenstemming te laten zijn met de toepasselijke wet- en regelgeving verwijst de rechtbank naar hetgeen is vermeld onder de vaststaande feiten. In elk geval tot 25 mei 2005 mochten de pleegouders erop vertrouwen dat zij op de juiste wijze handelden, daar van de zijde van de Raad voor de Kinderbescherming tot dat moment niet aan de pleegouders is meegedeeld dat zij niet de goede weg bewandelden. Inmiddels staat echter ook vast dat, alle inspanningen van de pleegouders ten spijt, het verblijf van Donna bij de pleegouders in strijd is met de regels die het Internationale Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) 1989, het Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie 1993 (Haags Kinderbeschermingsverdrag) en de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) stellen aan een interlandelijke adoptie en aan het opnemen van buitenlandse kinderen.

3.6.2. Family life

Nu niet is voldaan aan bovengenoemde wettelijke regelingen voor de adoptie en opneming van buitenlandse kinderen, zijn de Raad voor de Kinderbescherming, Bureau Jeugdzorg en de officier van justitie van mening dat dit als consequentie dient te hebben dat tussen Donna en de pleegouders ook geen family life in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is ontstaan.

De rechtbank deelt dit standpunt niet. Voor het antwoord op de vraag of er sprake is van family life is immers niet de juridische, maar de feitelijke situatie doorslaggevend. De feitelijke situatie is dat Donna vanaf drie dagen na haar geboorte tot op heden onafgebroken in het gezin van de pleegouders opgenomen is geweest en al die tijd door hen is verzorgd. Dit verblijf had en heeft de instemming van de ouders, die destijds

-toen het verblijf aanving- nog het gezag over Donna hadden. Nadat de ouders uit het ouderlijk gezag waren geschorst en Bureau Jeugdzorg werd belast met de voorlopige voogdij, heeft Bureau Jeugdzorg kennelijk geen aanleiding gezien om Donna bij de pleegouders weg te halen. Het moet er daarom voor gehouden worden dat Bureau Jeugdzorg ermee instemde dat de pleegouders de zorg over Donna behielden. De stelling van de Raad voor de Kinderbescherming dat er in het onderhavige geval geen sprake kan zijn van family life omdat de pleegouders de autoriteiten voor een fait accompli hebben gesteld en vervolgens tijd gerekt hebben, wordt door de rechtbank verworpen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de pleegouders vanaf het begin open zijn geweest over hun bedoelingen, dat zij getracht hebben duidelijkheid te krijgen over hun juridische positie en die van Donna en dat het verblijf van Donna bij hen steeds met instemming is geweest van degenen die het gezag over Donna uitoefen(d)en: eerst de ouders en thans Bureau Jeugdzorg. Het komt er op neer dat Donna, die op de datum van deze uitspraak acht maanden oud is, nimmer andere verzorgers dan de pleegouders heeft gekend.

Het bovenstaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat er sprake is van family life in de zin van artikel 8 EVRM tussen de pleegouders en Donna en dat het verzoek om dit voor recht te verklaren, voor toewijzing gereed ligt.

3.6.3. Ontzetting en voogdij

De pleegouders hebben tevens verzocht om de ouders van Donna te ontzetten uit het ouderlijk gezag en om de pleegmoeder tot voogd te benoemen.

Ingevolge artikel 1:270 BW kunnen pleegouders slechts verzoeken om ontzetting van het gezag van de ouders indien er sprake is van een geval als bedoeld in artikel 1:269, eerste lid onder e BW, te weten in een geval waarin gegronde vrees bestaat voor verwaarlozing van de belangen van het kind, doordat de ouder het kind terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen.

De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijk geval geen sprake is, nu nergens uit blijkt dat de ouders voornemens zijn om Donna bij de pleegouders weg te halen. Integendeel, bij brief aan deze rechtbank van 20 september 2005 hebben de ouders bij monde van hun advocaat, mr. Van der Stichelen, laten weten dat zij ervan overtuigd zijn dat Donna bij de pleegouders dient te blijven en dat zij zelfs bereid zijn om afstand te doen van het gezag, alleen onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat Donna bij de pleegouders blijft.

Dit brengt met zich mee dat aan de voorwaarde van artikel 1:270, tweede lid BW, juncto 1:269, eerste lid onder e BW, niet is voldaan en dat het verzoek reeds op die grond dient te worden afgewezen.

Wat het verzoek betreft om de pleegmoeder als voogd over Donna te benoemen, overweegt de rechtbank als volgt.

In artikel 1:295 BW is bepaald dat de (kanton)rechter een voogd benoemt over minderjarigen die niet onder ouderlijk gezag staan en in wier voogdij niet op wettige wijze is voorzien.

Bij beschikking van deze rechtbank van 25 mei 2005 zijn de ouders geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag en is Donna onder de voorlopige voogdij geplaatst van Bureau Jeugdzorg. Gelet op het feit dat het verzoek van de pleegouders om de draagouders te ontzetten uit het gezag wordt afgewezen en de Raad voor de Kinderbescherming geen verzoek tot ontheffing of ontzetting van de ouders heeft gedaan, blijft de huidige gezagsvoorziening in stand. Nu op wettige wijze in het gezag over Donna is voorzien, bestaat er geen grond voor de benoeming van een voogd en dient het verzoek van de pleegmoeder om benoemd te worden tot voogd over Donna te worden afgewezen.

3.6.4. Onderzoek door onafhankelijk deskundige

De pleegouders hebben voorts verzocht om, in het geval de rechtbank het primaire verzoek niet direct kan toewijzen, een onafhankelijk deskundige te benoemen om te onderzoeken welke beslissing in het belang van Donna het beste moet worden geacht. In dat geval hebben de pleegouders tevens verzocht om voor de duur van het onderzoek te bepalen dat de verblijfplaats van Donna zal blijven bij de pleegouders.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verzoek dat uit het bovenstaande volgt dat op de verzoeken ten aanzien van de ontzetting van de ouders uit het gezag en de benoeming van de pleegmoeder tot voogd reeds op formele gronden afwijzend dient te worden beslist, zodat de rechtbank deskundige voorlichting ten aanzien van deze verzoeken niet nodig acht. Wat de vraag betreft of er sprake is van family life, acht de rechtbank deskundige voorlichting evenmin noodzakelijk, nu family life tussen Donna en de pleegouders reeds op grond van de feiten kan worden aangenomen.

Voor zover de pleegouders met hun verzoek bedoelen dat zij een onderzoek wensen ter beantwoording van de vraag of zij in staat zijn Donna te verzorgen en op te voeden, merkt de rechtbank op dat Bureau Jeugdzorg ter terechtzitting heeft meegedeeld dat Donna door de pleegouders momenteel goed wordt verzorgd. Bureau Jeugdzorg heeft voorts meegedeeld dat het de verblijfplaats van Donna in ieder geval niet zal wijzigen totdat er definitief zekerheid bestaat over wat met Donna moet gebeuren. Gelet op deze mededelingen ziet de rechtbank in het kader van de onderhavige procedure geen aanleiding om een onderzoek te gelasten naar de verzorgingskwaliteiten van de pleegouders. Dit verzoek zal daarom eveneens worden afgewezen.

Nu van het primaire verzoek één onderdeel zal worden toegewezen, komt de rechtbank aan de beoordeling van de subsidiaire en meer subsidiaire verzoeken niet toe.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst af het verzoek van de pleegouders om verzoekster [pleegouder] tot voogd over Donna te benoemen en de pleegouders de gezamenlijke voogdij over Donna te laten uitoefenen.

4.2.

wijst af het verzoek van de pleegouders de ouders te ontzetten van het ouderlijk gezag over Donna.

4.3.

wijst af het verzoek van de pleegouders een onafhankelijke deskundige te benoemen om te onderzoeken welke beslissing in het belang van Donna het beste moet worden geacht.

4.4.

verklaart voor recht dat er family life is tussen de pleegouders en Donna.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Sijbrandij, voorzitter, mrs. M.J. Stolwerk en A.P.A. Bisscheroux, leden, in tegenwoordigheid van L.G. de Wit, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 oktober 2005.