Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AU4744

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-10-2005
Datum publicatie
21-10-2005
Zaaknummer
16/370418-04; 16/370216-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van doodslag

Verdachte is 31 augustus 2004 samen met zijn medeverdachten bijeengekomen in de woning van het slachtoffer om gezamenlijk grote hoeveelheden bier te consumeren. Die dag is er iets gebeurd wat voor verdachte aanleiding was in woede te ontsteken en op het slachtoffer in te slaan en te schoppen. De medeverdachte is vervolgens als een dolleman te keer gegaan en heeft het slachtoffer onder meer met een mes in zijn been en met een schroevendraaier in zijn nek gestoken. De andere medeverdachte heeft het slachtoffer met een klomp meerdere keren op het hoofd geslagen. Het slachtoffer had geen schijn van kans tegen het tegen hem door verdachte en de medeverdachten uitgeoefende buitensporige geweld en is ter plaatse aan zijn verwondingen overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummers: 16/370418-04; 16/370216-04 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 21 oktober 2005

Tegenspraak

Raadsman: mr. C.N.G.M. Starmans

G/T: Nee

VERKORT VONNIS

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaken tegen:

[verdachte]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, te Nieuwegein.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 oktober 2005.

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 8 december 2004 de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaardingen is omschreven. Een kopie van die dagvaardingen is als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder parketnummer 16/370418-04 onder 1 primair tenlastegelegde acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat er bij verdachte sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg alvorens het slachtoffer […] opzettelijk van het leven te beroven, zodat verdachte van dit onderdeel van het onder 1 primair tenlastegelegde, te weten de ten laste gelegde moord, moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder parketnummer 16/370418-04 onder 2 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot de gedragingen van verdachte redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat zijn handelen de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou kunnen hebben gehad. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van medeverdachte [1] niet aan verdachte zijn toe te rekenen. Van medeplegen is derhalve geen sprake.

De verdachte moet dan ook van het onder 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder parketnummer 16/370418-04 onder 1 primair in de tweede plaats tenlastegelegde, te weten - kort gezegd – het medeplegen van doodslag, het volgende.

De raadsman heeft namens de verdachte aangevoerd dat er geen sprake was van een bewuste samenwerking of een gezamenlijke uitvoering, als gevolg waarvan medeplegen niet kan worden bewezen. Naar de mening van de raadsman zou verdachte alleen in het begin en onafhankelijk van de medeverdachten hebben gehandeld en heeft hij zich vervolgens gedistantieerd. Bovendien

heeft verdachte volgens de raadsman het geweld willen beperken door het mes uit de kuit van het slachtoffer te trekken en een kapotte fles van medeverdachte [1] af te pakken.

Daarnaast heeft de raadsman nog betoogd dat de doodsoorzaak niet het gevolg is van een handeling van verdachte. Daar komt naar de mening van de raadsman bij dat het tijdstip van overlijden niet is vastgesteld. Volgens de raadsman waren verdachte en zijn medeverdachte [1] omstreeks 15.00 uur in de woning van de zus van medeverdachte [1] en is eerst om 15.34 uur bij de politie de melding binnengekomen.

De rechtbank stelt voorop dat, om van medeplegen van doodslag te kunnen spreken, bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten vereist is, welke samenwerking moet zijn gericht op de dood van het slachtoffer. Het bestaan van afspraken tussen verdachte en de medeverdachten is daartoe echter niet vereist. Bewuste samenwerking is ook

aanwezig, zoals in deze zaak, wanneer verdachte en zijn medeverdachten tezamen en in elkaars aanwezigheid handelingen hebben gepleegd die, zeker in combinatie met elkaar, de dood van het slachtoffer tot gevolg hebben gehad. Verdachte en zijn medeverdachten hebben allen geweldshandelingen verricht. Handeling na handeling heeft in elkaars aanwezigheid plaatsgevonden. Ondanks het feit dat het geweld geruime tijd heeft geduurd, heeft verdachte zich

naar het oordeel van de rechtbank niet gedistantieerd. Verdachte is als eerste begonnen met het uitoefenen van geweld en is nadien, zo blijkt uit de verklaringen van de medeverdachten [1] en [2], samen met hen doorgegaan.

De rechtbank overweegt voorts dat uit het rapport van de patholoog-anatoom d.d. 13 januari 2005 blijkt dat het slachtoffer is overleden als gevolg van verschillende vormen van geweld, waardoor ernstige ademhalingsbelemmering was ontstaan. De patholoog-anatoom noemt met name de ribbreuken, het geweld op de hals, de zwelling van de weke delen van de neus door de breuk van het neusbeen en het forse bloedverlies als gevolg van diverse letsels. De gezamenlijkheid van het buitensporig geweld dat is toegepast op het slachtoffer en waaraan verdachte - als medepleger - heeft deelgenomen, is aanwijsbaar als de oorzaak van het intreden van de dood. Verdachte is derhalve medeverantwoordelijk voor de dood van [het slachtoffer], ongeacht het precieze moment waarop het slachtoffer is overleden.

Gelet op het voorgaande wordt dit verweer verworpen.

Voor een bewezenverklaring van medeplegen van doodslag dient vast te staan dat verdachte en zijn medeverdachten opzet hebben gehad op de dood van [het slachtoffer]. Verdachte heeft niet verklaard dat, en ook overigens is niet gebleken dat, zij het slachtoffer willens en wetens van het leven hebben willen beroven. Derhalve dient onderzocht te worden of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet gericht op de dood van [het slachtoffer].

Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - aanwezig, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de

aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Onder een aanmerkelijke kans dient volgens de Hoge Raad te worden verstaan

een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Bij het oordeel aangaande de aanmerkelijkheid van de kans mag de waarde van het bedreigde rechtsbelang geen rol spelen. Er dient wel rekening te worden gehouden met de feitelijke context van de gedraging.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de algemene ervaringsregelen worden aangenomen dat er, gelet op de aard van de gepleegde geweldshandelingen, waaronder het meerdere keren, al dan niet met een klomp, slaan en trappen op het hoofd en tegen het lichaam van [het slachtoffer] en het steken met een schroevendraaier van een lengte van 10 centimeter in zijn nek, in combinatie met de aanzienlijke duur van het gepleegde geweld, sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op het overlijden van het genoemde slachtoffer. Verdachte en zijn medeverdachten moeten zich hiervan bewust zijn geweest. Door toch deze geweldshandelingen te verrichten heeft verdachte evenals zijn medeverdachten de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer bewust aanvaard.

De overige door de raadsman gevoerde verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 16/370418-04 onder 1 primair in de tweede plaats ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage IIIA van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Eveneens acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 16/370216-04 onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage IIIB van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder parketnummer 16/370418-04 onder 1 primair in de tweede plaats en de onder parketnummer 16/370216-04 onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder parketnummer 16/370418-04 onder 1 primair en de onder parketnummer 16/370216-04 onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder parketnummer 16/370418-04 onder 1 primair en de onder parketnummer 16/370216-04 onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van parketnummer 16/370418-04 feit 1 primair:

Medeplegen van doodslag

Ten aanzien van parketnummer 16/370216-04 feit 1:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Ten aanzien van parketnummer 16/37021604 feit 2 primair:

Medeplegen van poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is 31 augustus 2004 samen met zijn medeverdachten, zoals zo vaak, bijeengekomen in de woning van [het slachtoffer] om gezamenlijk grote hoeveelheden bier te consumeren. Die dag is er iets gebeurd wat voor verdachte aanleiding was in woede te ontsteken en op het slachtoffer in te slaan en te schoppen. Medeverdachte [1] is vervolgens als een dolleman te keer gegaan en heeft het slachtoffer onder meer met een mes in zijn been en met een schroevendraaier in zijn nek gestoken. De andere medeverdachte [2] heeft het slachtoffer met een klomp meerdere keren op het hoofd geslagen. Het slachtoffer had geen schijn van kans tegen het tegen hem door verdachte en de medeverdachten uitgeoefende buitensporige geweld en is ter plaatse aan zijn verwondingen overleden. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Daarbij komt dat het geweld heeft plaatsgevonden in de woning van het slachtoffer.

Dergelijk handelen getuigt van een ernstig gebrek aan respect van verdachte voor de lichamelijke en geestelijke integriteit van anderen. De dood van het slachtoffer en de wijze waarop hij naar het oordeel van de rechtbank is afgeslacht, heeft veel leed veroorzaakt bij zijn nabestaanden. Daar komt bij dat de dood van [het slachtoffer] grote onrust heeft veroorzaakt in de gemeenschap in het algemeen en in zijn directe woonomgeving in het bijzonder. Gevoelens van angst en onveiligheid worden door dit feit aangewakkerd en versterkt. De rechtbank acht verdachte hiervoor mede verantwoordelijk.

Tevens heeft verdachte op 21 april 2004 zonder aanleiding een man woordelijk en met een groot mes bedreigd. Kort daarvoor was hij samen met medeverdachte [1] naar de woning van een buurvrouw gegaan met geen andere bedoeling dan haar aan te randen. Ook dit feit heeft verdachte gepleegd onder de invloed van alcohol. Bovendien had zowel verdachte als zijn

medeverdachte een mes gepakt alvorens ze naar het slachtoffer toegingen. Door het plegen van dergelijke strafbare feiten draagt verdachte bij aan de maatschappelijke onrust, die als gevolg van agressie- dan wel zedendelicten ontstaat.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor het onder parketnummer 16/370418-04 onder 1 primair in de eerste plaats tenlastegelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van de onder parketnummer 16/370418-04 onder 1 primair in de tweede plaats, onder 2 en de onder parketnummer 16/370216-04 onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd- een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, met aftrek van het voorarrest, en met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

De door verdachte gepleegde delicten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Naar het oordeel van de rechtbank kan met een gevangenisstraf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan, nu de rechtbank niet alle door de officier van justitie gevorderde feiten bewezen acht. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de oplegging van de hier na te noemen maatregel.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van de stukken.

De inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 2 september 2004, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van gewelds- en zedendelicten is veroordeeld, welke veroordelingen hem er kennelijk niet van hebben kunnen weerhouden de bewezenverklaarde feiten te plegen.

Een omtrent verdachte opgemaakt pro justitia rapport d.d. 30 juni 2004 van A. van der Donk, psycholoog, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de onder parketnummer 16/370216-04 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten - indien bewezen - lijdende was aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met borderline en narcistische trekken en aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van alcoholafhankelijkheid, zodat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Een omtrent verdachte opgemaakt pro justitia rapport d.d. 18 oktober 2004 van drs. R.S. Turk, psycholoog, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van het onder parketnummer 16/370418-04 onder 1 ten laste gelegde feit - indien bewezen - lijdende was aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van afhankelijkheid van alcohol en aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid en een borderline persoonlijkheidsstoornis, zodat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

In zijn advies overweegt de psycholoog, dat in de huidige toestand van betrokkene de kans op recidive zeer hoog is. Betrokkene dient verpleegd, mogelijk behandeld te worden voor zijn persoonlijkheidsstoornis. Behandeling van dergelijke stoornissen is niet gericht op genezing, maar op het leren herkennen en voorkomen van (de aanloop tot) delictgedrag. Complicerende factor daarbij is de zwakbegaafdheid van betrokkene. Betrokkene leert moeilijk. Ook de verslavingen van betrokkene verdienen aandacht. De middelen die hij gebruikt versterken zijn impulsiviteit en gewelddadigheid. Naar de mening van rapporteur bestaat er een sterk verband tussen de gebrekkige

ontwikkeling van betrokkene en het plegen van de ten laste gelegde feiten. Rapporteur is van mening dat betrokkene op grond van zijn gebrekkige ontwikkeling een gevaar oplevert voor de veiligheid van anderen, dan wel voor de algemene veiligheid van personen of goederen. Rapporteur heeft overwogen de rechtbank te adviseren betrokkene de maatregel van TBS met voorwaarden op te leggen. Met betrokkene zijn echter moeilijk afspraken te maken. De maatregel van TBS met voorwaarden heeft in het geval van betrokkene derhalve geen zin. Mede gezien de ernst en de aard van de ten laste gelegde feiten adviseert rapporteur de rechtbank betrokkene naast een eventuele gevangenisstraf de maatregel van TBS met bevel tot verpleging op te leggen indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden geacht.

Een omtrent verdachte opgemaakt pro justitia rapport d.d. 29 oktober 2004 van drs. C.J.F. Kemperman, zenuwarts, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van het onder parketnummer 16/370418-04 onder 1 ten laste gelegde feit - indien bewezen - lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en een ziekelijke stoornis, in de zin dat er sprake is van anti-sociaal gedrag bij een man met een persoonlijkheidsstoornis en een alcoholafhankelijkheid, zodat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

In zijn advies overweegt de psychiater het volgende: Het is van belang is dat betrokkene (weer) in behandeling gaat voor zijn alcoholprobleem. Voorts zal hij moeten leren op een goede manier om te gaan met stress en tegenslagen. Betrokkene zegt gemotiveerd te zijn tot verandering. Hij wil met name behandeld worden voor zijn sociale fobie. Het probleem is echter dat in de praktijk bleek dat behandeling niet aansloeg en hij de schuld (ook nu nog) bij derden legt. Een vrijwillig kader is derhalve nauwelijks zinvol. Een gedwongen kader zal ook zijn problemen kennen als motivatie niet doorleefder wordt. Lijdensdruk is nu namelijk niet waarneembaar. Er zijn met andere woorden niet zoveel behandelmogelijkheden. Geadviseerd wordt nu om de zaak aan te houden en de reclassering te vragen onderzoek te doen naar eventuele (resterende) behandelmogelijkheden binnen een groot voorwaardelijk strafdeel, aangezien betrokkene meer delinquent dan patiënt lijkt. Mocht een

dubbeldiagnose-kliniek nog weinig therapeutische ingangen zien, dan kan de rechtbank normatief beslissen - en dat dan voornamelijk ter maatschappijbeveiliging - al dan niet een TBS met dwangverpleging op te leggen. De in ernst toenemende delicten en door meerdere rapporteurs hoog

geachte recidivekans kan de rechtbank daarbij meewegen.

Een omtrent de verdachte opgemaakt maatregelrapport van Reclassering Nederland, d.d. 18 januari 2005 door K. Dekker, inhoudende als visie van de reclassering:

Eerdere hulpverleningscontacten hebben niet voldoende effect gesorteerd. Te verwachten valt dat de duur van de behandeling, plaatsvindend binnen de nodige structuur, bepalend is in welke mate betrokkene weet te komen tot gedragsalternatieven voor zijn tot dusver inadequate levensstrategie. De FPK's Assen en Eindhoven geven aan, gezien de ernst en aard van de problematiek van betrokkene, niet voldoende toegerust te zijn voor een adequaat behandelingsaanbod. Omdat volgens de visie van de reclassering voor betrokkene, bij een behandeling, minimaal de veiligheid en structuur binnen een FPK gezocht moet worden is verder onderzoek naar een plaatsingsmogelijkheid binnen een Forensische Psychiatrische Afdeling niet zinvol. Deze afdelingen bieden doorgaans nog minder structuur en veiligheid dan die binnen een FPK geboden wordt. Daarbij behandelen deze afdelingen meestal psychiatrische stoornissen en niet de centraal staande persoonlijkheidsstoornissen zoals bij betrokkene geconstateerd. Op basis van vorenstaande zien wij geen mogelijkheden betrokkene te plaatsen voor een behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden en brengen wij derhalve een negatief advies uit.

Een omtrent de verdachte opgemaakt pro justitia rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 30 juni 2005, van J.H. van Renesse, psychiater, en J.B. Seinen, psycholoog, onder meer inhoudende als conclusie en advies:

Betrokkene is een aan alcohol verslaafde man met een persoonlijkheidsstoornis op grond van aanleg- en omgevingsfactoren. In de persoonlijkheidsstoornis zijn vooral antisociale, maar ook in mindere mate narcistische en borderline trekken te onderscheiden. In het verleden leed betrokkene aan een sociale fobie die voor hem aanleiding vormde tot middelengebruik. Zijn middelengebruik ging hand in hand met antisociale gedragingen. Van lieverlee ontwikkelde zich een vicieuze cirkel tussen betrokkene's middelengebruik en zijn antisociale pathologie. Betrokkene's excessieve alcoholgebruik hangt inmiddels bijna onlosmakelijk samen met zijn persoonlijkheidspathologie.

Bovengenoemde pathologie komt tot uiting in een impulsieve en antisociale levensstijl, waarbij betrokkene op grond van zijn (milde) narcistische krenkbaarheid regelmatig in conflict komt met anderen, waarbij de alcohol een faciliterende rol kan spelen bij het ontremmen van betrokkene's

doorgaans agressiegeremde gedrag. Gekeken naar betrokkene's voorgeschiedenis leidt door hem genuttigde alcohol niet zelden tot een mobilisatie van onderliggende wrokkige boosheid, die, zeker na krenking, tot uiting komt. Mede door te weinig zicht op de precieze toedracht van het tenlastegelegde sub 1 en 2 is het niet mogelijk een uitspraak te doen over het verband tussen deze ten laste gelegde feiten en betrokkene's persoonlijkheidspathologie, anders dan het verband met de genoemde persoonlijkheidsaspecten. Met name is volstrekt onduidelijk gebleven of en zo ja in hoeverre er sprake was van een agressie-luxerende krenking. Van de gedragsketen: alcoholmisbruik - narcistische krenking - agressie-ontremming ontbreekt dan ook een essentiële schakel, namelijk de narcistische krenking. Bij de andere twee ten laste gelegde feiten staan de antisociale trekken van betrokkene's persoonlijkheid op de voorgrond. Deze vormen geen grond voor een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid, omdat niet kan worden onderbouwd dat betrokkene door deze trekken een beperking van zijn wilsvrijheid ondervindt.

Gelet op bovenstaande conclusies ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid kan er vanuit gedragskundig oogpunt geen uitspraak worden gedaan over de recidivekans.

De rechtbank overweegt ten aanzien de toerekeningsvatbaarheid van verdachte het volgende.

In alle omtrent de verdachte uitgebrachte rapportages wordt melding gemaakt van dezelfde persoonlijkheidsproblematiek bij verdachte, namelijk dat verdachte een aan alcohol verslaafde man is met een persoonlijkheidsstoornis op grond van aanleg- en omgevingsfactoren en dat in die persoonlijkheidsstoornis vooral antisociale, maar ook in mindere mate narcistische en borderline trekken zijn te onderscheiden.

Op grond van de hiervoor vermelde rapportages van de psychologen Van der Donk en Turk en van de zenuwarts Kemperman komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zowel ten tijde van de bewezenverklaarde feiten op 21 april 2004 als ten tijde van het bewezenverklaarde feit op 31 augustus 2004 lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, als gevolg waarvan de bewezneverklaarde feiten hem in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Verdachte wordt veroordeeld voor - onder meer - misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de ontastbaarheid van het lichaam van één of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan 4 jaar is gesteld.

De rechtbank heeft daarbij geconstateerd dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor geweldsdelicten, waaronder openlijke geweldpleging, bedreiging, mishandeling, poging tot doodslag en dat hij ook eenmaal is veroordeeld ter zake van verkrachting. Eerdere hulpverleningscontacten hebben bij verdachte niet mogen baten. Bij vergelijking van de feiten waarvoor verdachte eerder is veroordeeld met de thans bewezenverklaarde feiten blijkt dat de ernst van de feiten toeneemt.

De rechtbank maakt zich grote zorgen over de omstandigheid dat uit bewezenverklaarde feiten blijkt dat verdachte zonder aanleiding over kan gaan tot het uitoefenen van ernstig geweld. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen weegt voor de rechtbank zwaar.

De psycholoog drs. R.S. Turk acht in zijn rapport d.d. 18 oktober 2004 het recidivegevaar zeer hoog en concludeert dat een terbeschikkingstelling met dwangverpleging de enige mogelijkheid is.

De psychiater drs. C.J.F. Kemperman verzocht in zijn rapport d.d. 29 oktober 2004 de rechtbank de reclassering een terbeschikkingstelling met voorwaarden te laten onderzoeken en concludeert dat, in geval dat de reclassering daarin negatief zou rapporteren, een terbeschikkingstelling met dwangverpleging de enige mogelijkheid is.

De rechtbank heeft de reclassering een terbeschikkingstelling met voorwaarden laten onderzoeken, maar de reclassering heeft in haar rapport d.d. 18 januari 2005 negatief gerapporteerd, nu gezien de ernst en aard van de problematiek van verdachte geen van de in aanmerking komende FPK’s voldoende toegerust bleek te zijn voor een adequaat behandelingsaanbod.

Hoewel de deskundigen van het Pieter Baan Centrum geen uitspraak hebben gedaan over een mogelijk verband tussen het onder parketnummer 16/370418-04 onder 1 primair bewezenverklaarde feit en de mogelijke recidivekans, onderkennen genoemde deskundigen wel de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte. Deze problematiek bestond ten tijde van de bewezenklaarde feiten en de aard van de geconstateerde stoornis rechtvaardigt de conclusie dat

zonder een adequate behandeling bij verdachte sprake is van een hoge recidivekans.

De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, thans geen andere mogelijkheid dan door het opleggen aan verdachte van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege om de maatschappij tegen verdachte te beschermen.

De rechtbank zal dan ook gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging eist.

De vordering van de benadeelde partij […]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder parketnummer 16/370418-04 onder 2 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder parketnummer 16/370418-04 onder 2 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij zal worden verwezen in de tot op heden door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil.

Teruggave inbeslaggenomen goederen:

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- een sleutelbos;

- bankbescheiden (afschriften Rabobank en ING-bank, een afhaal-/pincodebericht);

- een proces-verbaal van aangifte van […],

merkt de rechtbank de erfgenamen van [het slachtoffer] als rechthebbenden aan. De rechtbank zal de teruggave van deze voorwerpen aan genoemde personen gelasten.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b, 45, 47, 57, 246,

285 (oud) en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 16/370418-04 onder 1 primair in de eerste plaats en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 16/370418-04 onder 1 primair in de tweede plaats en onder parketnummer 16/370216-04 onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage IIIA en IIIB van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 16/370418-04 onder 1 primair in de tweede plaats en onder parketnummer 16/370216-04 onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder parketnummer 16/370418-04 onder 1 primair en onder parketnummer 16/370216-04 onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 7 JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld.

Beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Verklaart de benadeelde partij […] niet ontvankelijk in de vordering.

Verwijst de benadeelde partij in de tot op heden door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, vastgesteld op nihil.

Gelast de teruggave van:

- een sleutelbos;

- bankbescheiden (afschriften Rabobank en ING-bank, een afhaal-/pincodebericht);

- een proces-verbaal van aangifte van […],

aan de erfgenamen van [het slachtoffer].

Dit vonnis is gewezen door mrs. C.W. Bianchi, voorzitter, E.C. Ruinaard en Y.A.T. Kruyer, rechters, bijgestaan door mr. A. van Beek als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 oktober 2005.

Mr. Y.A.T. Kruyer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.