Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AU4742

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-10-2005
Datum publicatie
21-10-2005
Zaaknummer
16/370417-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van doodslag

Verdachte is 31 augustus 2004 samen met zijn medeverdachten bijeengekomen in de woning van het slachtoffer om gezamenlijk grote hoeveelheden bier te consumeren. Die dag is er iets gebeurd wat voor een medeverdachte aanleiding was in woede te ontsteken en op het slachtoffer in te slaan en te schoppen. De andere medeverdachte is vervolgens als een dolleman te keer gegaan en heeft het slachtoffer onder meer met een mes in zijn been en met een schroevendraaier in zijn nek gestoken. Verdachte heeft het slachtoffer met een klomp meerdere keren op het hoofd geslagen. Het slachtoffer had geen schijn van kans tegen het tegen hem door verdachte en de medeverdachten uitgeoefende buitensporige geweld en is ter plaatse aan zijn verwondingen overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer : 16/370417-04

Datum uitspraak: 21 oktober 2005

Tegenspraak

Raadsman: mr. A.C.J. Nettenbreijers

G/T: Nee

VERKORT VONNIS

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, te Nieuwegein.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 oktober 2005.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder primair tenlastegelegde acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat er bij verdachte sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg alvorens het slachtoffer […] opzettelijk van het leven te beroven, zodat verdachte van dit eerste onderdeel van het onder primair ten laste gelegde, te weten de ten laste gelegde moord, moet worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank overweegt ten aanzien van het primair op de tweede plaats tenlastegelegde, te weten - kort gezegd – het medeplegen van doodslag, het volgende.

Verdachte heeft ontkend geweldshandelingen te hebben verricht en voorts heeft hij verklaard de hele tijd op de tweezitsbank te hebben gezeten.

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte deelgenomen heeft aan het tegen het slachtoffer […] gepleegde geweld, acht de rechtbank de volgende bewijsmiddelen van belang.

Medeverdachte [1] heeft op 1 september 2004 bij de politie verklaard dat [verdachte] 4-5 keer tegen de rug van [het slachtoffer] heeft geschopt en met een klomp tegen het hoofd van [het slachtoffer] heeft geslagen. Medeverdachte [2] heeft op 31 augustus 2004 bij de politie verklaard dat [verdachte] [het slachtoffer] heeft geschopt en op 1 september 2004 heeft hij bij de politie verklaard dat [verdachte] meerdere keren met zijn klomp op het hoofd van [het slachtoffer] heeft geslagen. Door de technische recherche is onder de tafel in de kamer waar het feit gepleegd is, apart van ander schoeisel, een linker klompschoen aangetroffen. Op deze linker klompschoen is een bloedspoor aangetroffen, welke, na onderzoek van het NFI, zeer waarschijnlijk afkomstig bleek te zijn van het slachtoffer […]. Voornoemde verklaringen van de medeverdachten acht de rechtbank geloofwaardig, omdat zij op de dag waarop het ten laste gelegde feit heeft plaatsgevonden en daags daarna, onafhankelijk van elkaar, terwijl zij zich in beperkingen bevonden, zijn afgelegd. Daarbij komt dat de medeverdachten in die verklaringen niet alleen belastend hebben verklaard ten aanzien van verdachte, maar dat zij voorts hun eigen aandeel hebben bekend. Hetgeen de medeverdachten omtrent hun eigen aandeel hebben verklaard, vindt steun in de andere bewijsmiddelen in het dossier.

Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met de linker klompschoen [het slachtoffer] op het hoofd heeft geslagen en dat hij het slachtoffer heeft geschopt.

De raadsman heeft namens de verdachte (subsidiair) aangevoerd dat er geen sprake was een bewuste samenwerking of een gezamenlijke uitvoering, als gevolg waarvan medeplegen niet kan worden bewezen. De raadsman wijst erop dat er geen sprake is van nauwe samenwerking, dat er geen enkele afspraak is gemaakt en dat de rollen van de betrokkenen zeer zeker niet inwisselbaar waren. Bovendien was, naar de mening van de raadsman, verder distantiëren voor verdachte dan hij

heeft gedaan absoluut onmogelijk. Daarnaast heeft de raadsman nog betoogd dat, nu het tijdstip van overlijden niet precies is vastgesteld, de mogelijkheid bestaat dat de vermeende geweldshandelingen van verdachte eerst hebben plaatsgevonden nadat het slachtoffer was overleden, zodat niet bewezen kan worden dat de doodsoorzaak het gevolg was van handelingen van verdachte.

De rechtbank stelt voorop dat, om van medeplegen van doodslag te kunnen spreken, bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten vereist is, welke samenwerking moet zijn gericht op de dood van het slachtoffer. Het bestaan van afspraken tussen verdachte en de medeverdachten is daartoe echter niet vereist. Bewuste samenwerking is ook

aanwezig, zoals in deze zaak, wanneer verdachte en zijn medeverdachten tezamen en in elkaars aanwezigheid handelingen hebben gepleegd die, zeker in combinatie met elkaar, de dood van het slachtoffer tot gevolg hebben gehad. Verdachte en zijn medeverdachten hebben allen geweldshandelingen verricht. Handeling na handeling heeft in elkaars aanwezigheid plaatsgevonden. Ondanks het feit dat het geweld geruime tijd heeft geduurd, heeft verdachte zich

naar het oordeel van de rechtbank niet gedistantieerd. Integendeel, verdachte heeft zelfs een aandeel daaraan geleverd.

De rechtbank overweegt voorts dat uit het rapport van de patholoog-anatoom d.d. 13 januari 2005 blijkt dat het slachtoffer is overleden als gevolg van verschillende vormen van geweld, waardoor ernstige ademhalingsbelemmering was ontstaan. De patholoog-anatoom noemt met name de ribbreuken, het geweld op de hals, de zwelling van de weke delen van de neus door de breuk van het neusbeen en het forse bloedverlies als gevolg van diverse letsels. De gezamenlijkheid van het buitensporig geweld dat is toegepast op het slachtoffer en waaraan verdachte - als medepleger - heeft deelgenomen, is aanwijsbaar als de oorzaak van het intreden van de dood. Verdachte is derhalve medeverantwoordelijk voor de dood van [het slachtoffer], ongeacht het precieze moment waarop het slachtoffer is overleden.

Gelet op het voorgaande wordt dit verweer verworpen.

Voor een bewezenverklaring van medeplegen van doodslag dient vast te staan dat verdachte en zijn medeverdachten opzet hebben gehad op de dood van [het slachtoffer]. Verdachte heeft niet verklaard dat, en ook overigens is niet gebleken dat, zij het slachtoffer willens en wetens van het leven hebben willen beroven. Derhalve dient onderzocht te worden of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet gericht op de dood van [het slachtoffer].

Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - aanwezig, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de

aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Onder een aanmerkelijke kans dient volgens de Hoge Raad te worden verstaan

een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Bij het oordeel aangaande de aanmerkelijkheid van de kans mag de waarde van het bedreigde rechtsbelang geen rol spelen. Er dient wel rekening te worden gehouden met de feitelijke context van de gedraging.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de algemene ervaringsregelen worden aangenomen dat er, gelet op de aard van de gepleegde geweldshandelingen, waaronder het meerdere keren, al dan niet met een klomp, slaan en trappen op het hoofd en tegen het lichaam van [het slachtoffer] en het steken met een schroevendraaier van een lengte van 10 centimeter in zijn nek, in combinatie met de aanzienlijke duur van het gepleegde geweld, sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op het overlijden van het genoemde slachtoffer. Verdachte en zijn medeverdachten moeten zich hiervan bewust zijn geweest. Door toch deze geweldshandelingen te verrichten heeft verdachte evenals zijn medeverdachten de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer bewust aanvaard.

De overige door de raadsman gevoerde verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair in de tweede plaats ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder primair in de tweede plaats meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder primair bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Medeplegen van doodslag

De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft namens verdachte een beroep gedaan op de schulduitsluitingsgrond noodtoestand-exces dan wel psychische overmacht. Verdachte bevond zich, volgens de raadsman, in een situatie waar hij niets meer aan kon veranderen. De gemoedstoestand van medeverdachten [1] en [2] maakte de situatie ernstig bedreigend. Bovendien zag verdachte welk een uitzonderlijk zwaar geweld werd toegepast voor zijn ogen. Verdachte was op dat moment psychisch, maar vooral fysiek niet in staat zich te verweren. Voor verdachte was er, naar de mening van de raadsman, geen andere uitweg mogelijk dan te kiezen voor een beperkte handeling om de woede van medeverdachten [1] en [2] niet over zichzelf af te roepen.

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodtoestand-exces allereerst een noodtoestandsituatie dient te zijn ontstaan. Daartoe is vereist dat de gedraging van verdachte voortvloeide uit een actuele concrete nood, bestaande uit een conflict van belangen, en dat die gedraging geëigend was om daaraan een eind te maken. Naar het oordeel van de rechtbank bevond verdachte zich, objectief gezien, niet in een zodanig belangenconflict. Het geweld was niet (meer) gericht tegen verdachte, maar tegen het slachtoffer [...]. Uit het dossier is voorts niet gebleken dat verdachte niet in de mogelijkheid verkeerde de kamer te verlaten. Nu de noodtoestand al niet is gebleken, faalt het beroep op noodtoestand-exces.

Ook het beroep op psychische overmacht faalt. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verdachte onder zodanige psychische druk stond dat van hem redelijkerwijs niet kon worden gevergd daartegen weerstand te bieden. Ook hier geldt dat het geweld niet (meer) tegen verdachte was gericht en dat niet is gebleken dat verdachte de kamer niet kon verlaten. Daar komt bij dat op geen enkele wijze is gebleken dat verdachte onder zodanige druk werd gezet dat hij niet anders kon dan gevolg geven aan de oproep van één van de medeverdachten om ook iets te doen.

Van de gestelde schulduitsluitingsgronden is gelet hierop niet gebleken. Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is 31 augustus 2004 samen met zijn medeverdachten, zoals zo vaak, bijeengekomen in de woning van [het slachtoffer] om gezamenlijk grote hoeveelheden bier te consumeren. Die dag is er iets gebeurd wat voor medeverdachte [2] aanleiding was in woede te ontsteken en op het slachtoffer in te slaan en te schoppen. Medeverdachte [1] is vervolgens als een dolleman te keer gegaan en heeft het slachtoffer onder meer met een mes in zijn been en met een schroevendraaier in zijn nek gestoken. Verdachte heeft het slachtoffer met een klomp meerdere keren op het hoofd geslagen. Het slachtoffer had geen schijn van kans tegen het tegen hem door verdachte en de medeverdachten uitgeoefende buitensporige geweld en is ter plaatse aan zijn verwondingen overleden. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Daarbij komt dat het geweld heeft plaatsgevonden in de woning van het slachtoffer.

Dergelijk handelen getuigt van een ernstig gebrek aan respect van verdachte voor de lichamelijke en geestelijke integriteit van anderen. De dood van het slachtoffer en de wijze waarop hij naar het oordeel van de rechtbank is afgeslacht, heeft veel leed veroorzaakt bij zijn nabestaanden. Daar komt bij dat de dood van [het slachtoffer] grote onrust heeft veroorzaakt in de gemeenschap in het algemeen en in zijn directe woonomgeving in het bijzonder. Gevoelens van angst en onveiligheid worden door dit feit aangewakkerd en versterkt. De rechtbank acht verdachte hiervoor mede verantwoordelijk.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 2 september 2004, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld, maar niet ter zake van geweldsdelicten;

- een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, d.d. 2 december 2004, opgemaakt door S. Steinau;

- een omtrent verdachte opgemaakt pro justitia rapport d.d. 10 november 2004 van drs. H. Scharft, psycholoog, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit - indien bewezen - lijdende was aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een alcoholafhankelijkheid en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis, zodat verdachte enigszins verminderd

toerekeningsvatbaar moet worden geacht;

- een omtrent verdachte opgemaakt pro justitia rapport d.d. 3 december 2004 van drs. J.M.J.F. Offermans, psychiater, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit - indien bewezen - lijdende was aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van alcoholafhankelijkheid en van een gebrekkige ontwikkeling van

zijn geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid, zodat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank neemt genoemde conclusies over en maakt deze tot de hare.

Voorts is verdachte onderzocht in het Pieter Baan Centrum. Uit de rapportage van het Pieter Baan Centrum d.d. 30 juni 2005 van M.D. van Ekeren, psychiater, en J.B. Seinen, psycholoog, is gebleken dat verdachte heeft geweigerd om aan het gedragskundig onderzoek mee te werken, zodat een volledig gedragskundig onderzoek van verdachte niet heeft kunnen plaatsvinden. Van een weigering op pathologische gronden kan niet worden gesproken.

Nu, naar het oordeel van de rechtbank, uit het rapport van het Pieter Baan Centrum geen tegenstrijdigheden naar voren komen, in vergelijking met de hiervoor genoemde rapportage, waaraan verdachte wel heeft meegewerkt, zal de rechtbank bij de straftoemeting er van uitgaan dat het bewezenverklaarde in enigszins verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor het onder primair in de eerste plaats tenlastegelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het onder primair in de tweede plaats ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot -kort gezegd- een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Het door verdachte gepleegde delict rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij neemt de rechtbank echter in aanmerking dat verdachte niet de initiator is geweest en dat zijn aandeel in het geweld minder groot is geweest dan het aandeel van de beide medeverdachten. Mede gelet op de hiervoor aangegeven conclusie ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van kortere duur dan door de officier van justitie gevorderd, passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder primair in de eerste plaats ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder primair in de tweede plaats ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder primair bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 6 JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. C.W. Bianchi, voorzitter, E.C. Ruinaard en Y.A.T. Kruyer, rechters, bijgestaan door mr. A. van Beek als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 oktober 2005.

Mrs E.C. Ruinaard en Y.A.T. Kruyer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.