Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AU3333

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-09-2005
Datum publicatie
29-09-2005
Zaaknummer
186685/ HA ZA 04-2411
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betaling door bank van rekening met positief saldo na datum faillissement; niet verbintenisrechtelijk maar goederenrechtelijk beoordelen: Niet van belang of bank op de hoogte was van faillissement.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 40
Faillissementswet 52
Faillissementswet 53
Faillissementswet 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2005/287 met annotatie van R.J. Abendroth
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van

MR. RICHARD LE GRAND Q.Q.,

handelende in zijn hoedanigheid als curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GADO GADO B.V., gevestigd te Den Haag,

wonende te Den Haag,

eiser,

procureur mr. P.J. Soede,

tegen

de naamloze vennootschap

SNS BANK N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

procureur mr. H. Dulack.

Partijen zullen hierna de curator en SNS Bank genoemd worden.

1 De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1 Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 mei 2004 is de besloten vennootschap Gado Gado B.V. (hierna: “de failliet”) in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. M.G. Ligthart als curator. Op 27 mei 2004 is mr. J.P. Niemeijer als opvolger van mr. Ligthart als curator aangesteld. Op 19 oktober 2004 is de curator als opvolger van mr. Niemeijer als zodanig aangesteld.

2.2 Het vonnis van het faillissement is op zaterdag 22 mei 2004 in het Rotterdams Dagblad gepubliceerd. Op maandag 24 mei 2004 is het vonnis in de Staatscourant gepubliceerd.

2.3 De failliet hield een rekening aan bij SNS Bank, verder te noemen: “de rekening”.

2.4 Bij fax van 21 juli 2004 heeft de toenmalige curator mr. Niemeijer SNS Bank bericht dat de failliet bij vonnis van 19 mei 2004 in staat van faillissement was verklaard. Daarbij heeft hij SNS Bank verzocht per direct de rekening te blokkeren.

2.5 In de periode van 25 mei 2004 tot en met 3 augustus 2004 is een totaalbedrag van € 9.840,02 van de rekening afgeboekt. De rekening vertoonde na afboeking van de betreffende bedragen (nog steeds) een batig saldo.

3. Het geschil

3.1 De curator vordert - samengevat - veroordeling van SNS Bank tot betaling van € 9.840,02, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 15 oktober 2004 en buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 662,--, althans een door de rechtbank in goede justitie te betalen bedrag, met veroordeling van SNS Bank in de kosten van deze procedure.

3.2 De curator legt aan zijn vordering ten grondslag -samengevat- dat SNS Bank vanaf 22 mei 2004 geen uitvoering meer mocht geven aan betalingsopdrachten van de failliet, omdat zij vanaf dat moment op de hoogte was of had behoren te zijn van het faillissement van de failliet. Daarnaast stelt de curator dat SNS Bank de onbevoegde betalingen niet mocht verrekenen met het batig saldo, nu voor verrekening geen wettelijke basis bestond. Daarbij verwijst de curator naar het bepaalde in artikel 54 lid 2 Fw.

3.3 SNS Bank voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 De rechtbank overweegt als volgt.

Bij een rekening-courant verhouding zoals de onderhavige gelden de volgende uitgangspunten. Op het moment dat een rekeninghouder een bedrag stort op een bankrekening, wordt de bank door vermenging eigenaar van het geld. Het saldo op de rekening moet -indien positief- worden aangemerkt als een vordering van de rekeninghouder op de bank. Met een betalingsopdracht geeft een rekeninghouder de bank opdracht om uit het eigen vermogen van de bank een betaling te verrichten aan een derde. De bank verkrijgt een vordering op de rekeninghouder ter hoogte van het betaalde bedrag, hetgeen er op neer komt dat de bank de vordering van de derde op de rekeninghouder heeft overgenomen. Deze vordering wordt in rekening-courant geboekt en, bij een toereikend positief saldo, verrekend met de vordering van de rekeninghouder op de bank.

4.2 Ingevolge artikel 53 Fw kan hij die zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde is, zijn schuld met de vordering op de gefailleerde verrekenen indien beide zijn ontstaan voor de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen, voor de faillietverklaring met de gefailleerde verricht. Ingevolge artikel 54 Fw kunnen na de faillietverklaring overgenomen vorderingen of schulden niet worden verrekend.

4.3 Hoewel de betalingsopdracht aan de bank verbintenisrechtelijke aspecten in zich heeft, geldt dat de vraag of de bank tot verrekening mocht overgaan goederenrechtelijk moet worden beoordeeld. Dit betekent dat de vraag of de bank er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de failliet beschikkingsbevoegd was op het moment dat zij de betalingsopdracht gaf in deze zaak voor de beoordeling niet van belang is voor zover er sprake is van verrekening van een vordering en een schuld die beide zijn ontstaan na de faillietverklaring. Dit aspect betreft immers de verbintenisrechtelijke kant van het geschil. Of de bank er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de failliet beschikkingsbevoegd was, is in die omstandigheden niet relevant voor de vraag of de bank goederenrechtelijk gezien tot verrekening kon overgaan.

4.4 Voor onderhavige zaak betekent dit concreet het volgende. Het faillissement is uitgesproken op 19 mei 2004. De debitering van de rekening-courant, met andere woorden: de verrekeningen van de vorderingen van SNS Bank op de failliet met de vorderingen van de failliet op SNS Bank, hebben plaatsgevonden op en na 25 mei 2004. De curator stelt zich op het standpunt dat SNS Bank in ieder geval vanaf 22 mei 2004 geen uitvoering meer mocht geven aan betalingsopdrachten van de failliet. SNS Bank heeft niet betwist dat de betalingsopdrachten op en/of na 22 mei 2004 zijn verstrekt. Uit het dossier blijkt dat de failliet reeds voor het faillissement een vordering had op de SNS Bank (het batig saldo op de rekening). Uit het voorgaande volgt dat de betalingen aan betreffende derden in ieder geval na de datum faillissement hebben plaatsgevonden. Daarmee staat dus vast dat de vorderingen van SNS Bank op de failliet zijn ontstaan na de faillietverklaring dan wel -hetgeen in deze zaak op hetzelfde neerkomt- dat de vorderingen van de betreffende derden na de faillietverklaring zijn overgenomen.

4.5 Nu de vorderingen van SNS Bank in ieder geval na de faillietverklaring zijn ontstaan, was SNS Bank, behoudens de hieronder te bespreken bedragen die betrekking hadden op loon over de periode na faillissement, ingevolge het bepaalde in artikel 54 Fw niet bevoegd tot verrekening over te gaan. Daarbij is, anders dan SNS Bank stelt, niet van belang of zij op de hoogte was of behoorde te zijn van het faillissement. In hoeverre dat het geval was kan dan ook in het midden blijven.

Betaling van boedelschulden?

4.6 SNS Bank stelt dat gedurende twee weken sprake is geweest van voortzetting van de onderneming. De door SNS bank gedane betalingen waren derhalve ingevolge artikel 40 FW boedelschulden voor zover het gaat om loonbetalingen. De voortzetting van de onderneming is per saldo, ook na aftrek van de door SNS Bank betaalde salarissen, positief geweest voor de boedel, aldus SNS Bank. De gedurende de voortzetting gemaakte kosten, waaronder salariskosten, dienen als bijzondere faillissementskosten van de bruto-opbrengst van de voortzetting te worden afgehaald. Door uitvoering van de betalingen heeft SNS bank de kosten van de voortzetting voor de boedel voldaan.

4.7 Niet in geschil is dat de betalingen van SNS Bank behoudens een bedrag van € 8,79 betrekking hebben op lonen over de maand mei 2004. Voorts staat vast dat SNS Bank een schuld van de boedel heeft betaald, voor zover het gaat om de loonbetalingen na datum faillissement. De curator heeft niet betwist dat het daarbij gaat om een bedrag van

€ 9.830,95 x 14/31 = € 4.439,78.

De curator merkt in dit verband terecht op dat van een rechtsgeldige betalingsopdracht van de failliet aan SNS Bank geen sprake was, nu de curator geen opdracht heeft gegeven tot de betalingen. De boedel heeft dientengevolge echter geen schade geleden, omdat deze kosten anders ook voor haar rekening zouden zijn gekomen. Nu het gaat om boedelvorderingen, is het bepaalde in artikel 52 lid 2 Fw niet van toepassing.

4.8 Uit het voorgaande volgt dat de vordering van de curator moet worden afgewezen tot een bedrag van

€ 4.439,78.

Artikel 52 derde lid FW: bate voor de boedel?

4.9 SNS Bank stelt tevergeefs dat zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 52 lid 3 Fw. Er is immers geen sprake van een voldoening aan de gefailleerde, maar aan derden ten behoeve van de gefailleerde. Bovendien kan niet gezegd worden dat de betaling ten bate van de boedel is gekomen. Waar eerst sprake was van vorderingen van derden jegens de boedel, is nu immers sprake van een gelijke vordering van de SNS bank op de boedel.

Onrechtmatige daad curator

4.10 Voor zover de SNS Bank stelt dat de curator niet heeft gehandeld zoals in redelijkheid mag worden verwacht van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator door niet tijdig alle betrokken banken te informeren overweegt de rechtbank het volgende. Anders dan SNS Bank stelt, kan zij een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad op de curator niet verrekenen met de vordering van de boedel op SNS Bank. Of de curator onrechtmatig gehandeld heeft, kan derhalve in deze procedure onbesproken blijven.

Redelijkheid en billijkheid

4.11 SNS Bank stelt dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is om de gevolgen van de onbekendheid van SNS Bank met het faillissement voor haar rekening te laten komen. Zij voert daartoe aan dat de problemen voor SNS Bank om kennis te krijgen van het faillissement van de failliet groter waren, dan het probleem van de curator om erachter te komen dat de failliet een rekening had bij SNS Bank. Deze stelling slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het systeem van de wet volgt dat verrekening na datum faillissement in de geven omstandigheden niet mogelijk is, ook niet als de SNS Bank niet bekend was of behoorde te zijn met het faillissement. Hieruit volgt dat de omstandigheid dat het voor SNS Bank moeilijk zou zijn geweest om kennis te krijgen van het faillissement –indien deze stelling al juist zou zijn, van een professionele bank als SNS Bank mag immers verwacht worden dat zij kennisneemt van de publicaties in de Staatscourant - niet kan leiden tot het oordeel dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de gevolgen van de onbekendheid van SNS Bank met het faillissement voor haar rekening te laten komen.

4.12 SNS Bank stelt voorts tevergeefs dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om de door de curator gestelde schade te verhalen op basis van een wettelijke fictie, terwijl de curator de mogelijkheid heeft om de schade direct te verhalen op de bestuurder van de failliet. Die heeft immers tegenover de curator aangegeven uitsluitend bij ING Bank te bankieren. Het enkele feit dat de curator ook de bestuurder kan aanspreken, brengt niet met zich dat de vordering van de curator jegens SNS Bank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is

Hoofdsom, rente en kosten

4.13 Uit het bovenstaande volgt dat de vordering van de curator kan worden toegewezen tot een bedrag van € 9.840,02 -/- € 4.439,78 = € 5.400,24.

De curator heeft betaling van de wettelijke handelsrente gevorderd. Voor zover de curator hiermee beoogd heeft de rente te vorderen als bedoeld artikel 6:119a BW, zal deze vordering worden afgewezen. Dit artikel is alleen van toepassing in een geval waarin betaling van het op grond van een handelsovereenkomst verschuldigde niet tijdig plaats vindt. De rechtbank zal daarom de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen vanaf 15 oktober 2004. De curator heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft ter zake een bedrag van € 662,-- gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen.

4.14 SNS Bank zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van de curator op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 70,40

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 288,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.126,40

5. De beslissing

De rechtbank

5.1 veroordeelt SNS Bank om aan de curator te betalen een bedrag van EUR 5.400,24 (vijfduizend vierhonderd euro en vierentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 15 oktober 2004 tot de dag van volledige betaling,

5.2 veroordeelt SNS Bank in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op EUR 1.126,40,

5.3 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2005.

w.g griffier w.g. rechter