Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AU3074

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-09-2005
Datum publicatie
22-09-2005
Zaaknummer
SBR 05/351
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersbesluit, inhoudende de opheffing van een spitsafsluiting. Besluit inhoudelijk strijdig met de artt 3:2 en 7:12 Awb.

Bovendien niet in overeenstemming met de artt 10:16 en 10:17 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

Reg. nr.: SBR 05/0351

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Utrecht, in het geding tussen:

Bewonersvereniging Soest - Zuid, gevestigd te Soest,

e i s e r e s,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest,

v e r w e e r d e r.

1. INLEIDING

1.1 Het beroep heeft betrekking op het besluit van verweerder van 4 januari 2005 (hierna: het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 24 augustus 2004 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de bij besluit van 7 juli 1999 ingestelde afsluiting voor auto’s en motoren tijdens spitsuren op de Den Blieklaan/Foekenlaan (hierna: de spitsafsluiting), ingetrokken.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 24 augustus 2005, waar namens eiseres zijn verschenen [eiseres]. Namens verweerder zijn verschenen mr. E.L.C. Soors d’Ancona en A. van Wanrooij, beiden werkzaam bij de gemeente Soest.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WVW 1994, kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WVW 1994 worden verkeersbesluiten genomen door:

a. de Minister van Verkeer en Waterstaat voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van het Rijk;

b. gedeputeerde staten voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een provincie;

c. het algemeen bestuur of, krachtens besluit van het algemeen bestuur, door het dagelijks bestuur voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een waterschap;

d. de gemeenteraad of, krachtens besluit van de raad, door burgemeester en wethouders of door een door de raad ingestelde commissie voor zover zij betreffen het verkeer op andere wegen.

Ingevolge artikel 21 van het Besluit Administratieve Bepalingen inzake het Wegverkeer vermeldt de motivering van een verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere dan de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2.2 De spitsafsluiting is destijds ingesteld om het sluipverkeer in belangrijke mate te verminderen en de bereikbaarheid van de wijk Hees en de daarin gelegen voorzieningen zo veel mogelijk te handhaven. De wijken Hees en Soest-Zuid zijn als gevolg van de afsluiting aangewezen op de daarvoor bestemde wegen van de hoofdwegenstructuur in de gemeente Soest. Volgens verweerder hebben de maatregelen ter bevordering van de doorstroming op de Ossendamweg en de Vondellaan effect gesorteerd waardoor de grondslag voor het instellen van de spitsafsluiting is komen te vervallen. De verkeersaansluiting van de wijk Soest-Zuid is inmiddels verbeterd en de onderlinge verkeersuitwisseling tussen de aanliggende wijken wordt door de spitsafsluiting bemoeilijkt, zodat de spitsafsluiting niet langer behoeft te worden gehandhaafd. Eiseres heeft het standpunt van verweerder gemotiveerd betwist.

2.3 De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het bestreden besluit niet is ingegaan op de bevindingen van adviesbureau XTNT. Dit bureau heeft op verzoek van eiseres drie circulatiealternatieven onderzocht die het sluipverkeer in de wijk Soest - Zuid tegengaan. XTNT heeft geconcludeerd dat automobilisten na opheffing van de spitsafsluiting niet snel geneigd zullen zijn om de route via de Ossendamweg te nemen, zelfs niet na uitvoering van de door eiseres voorgestelde maatregelen. Verweerder heeft in het bestreden besluit daarentegen gesteld dat de doorstroming op de Ossendamweg zodanig is verbeterd dat de afsluiting niet langer gehandhaafd behoeft te worden om het verkeer over de hoofdroutes te geleiden maar dat deze overweging niet kan worden gestaafd met cijfers. Deze stelling van verweerder is echter niet te rijmen met hetgeen daarover is vermeld in het rapport van XTNT. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzoek gedaan naar de gevolgen van het opheffen van de spitsafsluiting.

2.4 De rechtbank betrekt bij haar overwegingen voorts het volgende. Verweerder heeft de gemeenteraad voorafgaand aan het bestreden besluit een pakket maatregelen voorgesteld om de hoofdwegenstructuur te actualiseren. Onderdeel hiervan vormde het voorstel om de spitsafsluiting niet op te heffen maar met fysieke maatregelen te ondersteunen. Verweerder achtte de opheffing van de afsluiting strijdig met de doelstelling van de beleidsnota “Duurzaam Veilig” om het verkeer zo snel mogelijk naar de hoofdwegenstructuur te brengen. In het bestreden besluit heeft verweerder evenwel opgenomen dat de hoofdwegenstructuur voldoende functioneert en dat aanvullende maatregelen als een spitsafsluiting niet langer nodig zijn. De rechtbank acht, mede gelet op het rapport van XTNT, de motivering in het bestreden besluit dat de opheffing van de afsluiting niet strijdig zou zijn met de nota “Duurzaam Veilig” niet overtuigend omdat, zoals kan worden afgeleid uit het hiervoor genoemde raadsvoorstel, het opheffen van de afsluiting volgens verweerder leidt tot meer doorgaand verkeer in de wijken Hees en Overhees. Dit laatste is niet in overeenstemming met de beleidsnota “Duurzaam Veilig”.

2.5 Het bestreden besluit is, gelet op het voorgaande, genomen in strijd met artikel 3:2, in samenhang met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met inachtneming van deze uitspraak zal verweerder een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen.

2.6 De rechtbank stelt voorts vast dat de gemeenteraad bij zijn besluit van 7 april 1995 de bevoegdheid tot het nemen van verkeersbesluiten als bedoeld in artikel 18 van de WVW 1994 aan verweerder heeft gedelegeerd. Ingevolge de artikelen 10:16 en 10:17 van de Awb kan het delegerend bestuursorgaan ter zake van de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid uitsluitend beleidsregels geven en kan het bestuursorgaan de gedelegeerde bevoegdheid niet zelf uitoefenen. Het bestreden besluit is evenwel tot stand gekomen op aanwijzing van de gemeenteraad. De rechtbank wijst in dit verband op het voorstel van de wethouder Verkeer waaruit blijkt dat het raadsbesluit voor verweerder geen ruimte biedt voor het in stand laten van de afsluiting. Voorts heeft verweerder blijkens het verweerschrift geen ruimte gezien voor een eigen belangenafweging. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke besluitvorming in strijd is met de artikelen 10:16 en 10:17 van de Awb nu daaruit volgt dat het de gemeenteraad niet is toegestaan in concrete situaties aanwijzingen te geven. Ook om deze reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft overigens moeten vaststellen dat de gemeenteraad zich niet uitsluitend heeft laten leiden door de in artikel 2 van de WVW 1994 genoemde belangen.

2.7 Het beroep is derhalve gegrond. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Niet gebleken is evenwel van kosten die met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel zal verweerder het door eiseres betaalde griffierecht dienen te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 5 januari 2005;

3.3 draagt verweerder op om binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;

3.4 bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,- aan haar vergoed, te betalen door de gemeente Soest.

Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2005.

De griffier: De rechter:

drs. H. Maaijen mr. R.P. den Otter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. De beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na bekendmaking van deze uitspraak.