Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AU2327

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-09-2005
Datum publicatie
27-09-2005
Zaaknummer
191974/HA ZA 05-587
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease. Geen strijd met de wet, geen schending zorgplicht, geen misleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 438
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

e i s e r,

procureur: mr. M.H. Vaandrager,

- t e g e n -

de naamloze vennootschap

GROEIVERMOGEN N.V.,

gevestigd te Utrecht,

g e d a a g d e,

procureur: geen procureur gesteld.

Eiser wordt "[eiser]" genoemd, terwijl gedaagde met "GroeiVermogen" wordt aangeduid.

1. Het verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit het volgende:

- dagvaarding van 16 juni 2004 met producties;

- conclusie van antwoord met producties;

- conclusie van repliek tevens wijziging van eis met producties;

- conclusie van dupliek met producties;

- vonnis van 2 maart 2005 van de rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht (375287/CU EXPL 04-10121), waarbij de zaak in de stand waarin deze zich bevindt is verwezen naar de sector handels- en familierecht van deze rechtbank;

- procureurstelling aan de zijde van [eiser];

- akte niet verschijnen aan de zijde van GroeiVermogen.

[Eiser] heeft vervolgens vonnis gevraagd.

2. De feiten

2.1

Op 22 november 1998 heeft [eiser] met GroeiVermogen een overeenkomst gesloten voor het product KoerswinstStapelaar 1998/2 (verder "de Overeenkomst"). Het product KoerswinstStapelaar betreft een aandelenlease-product. [eiser] heeft gekozen voor de optie "5x koerswinst: 4 Stapelaars". De looptijd van de Overeenkomst bedroeg 5 jaar. Na afloop van de looptijd van de Overeenkomst bleek de verkoopopbrengst van de aandelen lager dan de aankoopsom. GroeiVermogen heeft op 18 december 2003 aan [eiser] een resultatenoverzicht verzonden, waaruit blijkt dat het resultaat zodanig is dat [eiser] een bedrag van € 76,20 moet bijbetalen. Het bedrag van € 76,20 betreft een dividendvordering.

2.2

In de brochure inzake het product "KoerswinstStapelaar" is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

"Hoe werkt de KoerswinstStapelaar nu precies?

Hoe kan GroeiVermogen in 2003 uitbetaling garanderen van tot vijf maal de koerswinst over "uw" pakket aandelen? Daarvoor koopt GroeiVermogen voor elke KoerswinstStapelaar optiestructuren aan met een looptijd van vijf jaar. De KoerswinstStapelaar bestaat uit twee onderdelen: de basis en de Stapelaars.

1. De basis

De basis geeft recht op de volledige en onbeperkte koerswinst op het namens u aangekochte mandje aandelen. De basis is inclusief 0% Koersrisico verzekering. Deze garandeert dat u nooit hoeft bij te betalen. De basis keert in alle gevallen onbeperkt uit.

2. De Stapelaars

Door zelf uw aantal Stapelaars te kiezen, "koopt" u in feite het recht op extra koerswinst. Speciale structuren zorgen ervoor dat uw koerswinst in 2003 wordt vermenigvuldigd met de vereiste factor (2x, 3x, 4x of 5x). GroeiVermogen houdt de onderliggende opties per Stapelaar betaalbaar door de koerswinst te begrenzen op 76,63%. (…)"

"Wanneer speelt u quitte?

Wat u natuurlijk vooral wilt weten is: vanaf welke koersontwikkeling maak ik winst? Bij een keuze voor 5x koerswinst verdient u uw inleg al terug bij een gemiddelde jaarlijks koersstijging van 4,1 % (uitgaande van 50% Inkomstenbelasting en geen rente-inkomsten). Zoals u onder Sprekende Statistieken kunt zien, zou u de afgelopen 20 jaar in 68,5% van de gevallen de maximale uitkeringen hebben genoten op elke Stapelaar. In geen enkel geval zou u geen uitkering hebben ontvangen."

"Sprekende Statistieken

Wat zijn nu uw winstkansen volgens de statistieken? GroeiVermogen analyseerde 181 reeksen van 60 maanden in de periode oktober 1978 t/m september 1998. Hieronder ziet u de belangrijkste conclusies van deze simulatie, waarbij elk fonds gelijk is meegewogen. (…; volgt cijfervoorbeelden, toevoeging rechtbank)"

"De ingebouwde 0% Koersrisicoverzekering begrenst uw risico

Bij het leasen van aandelenproducten op de markt loopt u een risico. Mochten de koersen bij verkoop in 2003 onverhoopt lager zijn dan de aankoopkoers nu, dan zou u het verschil alsnog moeten bijbetalen. Dat risico is er niet bij de KoerswinstStapelaar. De ingebouwde 0% Koersrisicoverzekering zorgt ervoor dat u nooit hoeft bij te betalen. Zelfs in het allerergste beursscenario kunt u nooit meer verliezen dan uw netto inleg. Overigens: een dergelijk scenario heeft zich de afgelopen 20 jaar nog nooit voorgedaan."

Onder het kopje "Het antwoord op 10 vaak gestelde vragen" is onder meer het volgende opgenomen:

"1. Hoe worden mijn aandelen gefinanceerd?

De KoerswinstStapelaar is een leaseconstructie. De aandelen die GroeiVermogen voor u aankoopt, worden over vijf jaar betaald uit de opbrengst. De koerswinst is voor u, vermenigvuldigd met het aantal Stapelaars (de basis plus Stapelaars) waarvoor u heeft gekozen.

2. Wat betaal ik eigenlijk?

In feite leent u het geld voor uw aandelen van GroeiVermogen. Daarover betaalt u rente. U krijgt een korting van 15% op de normale rentevergoeding. Uw betaling bestaat verder uit een premie van

ƒ 749,- voor de 0% Koersrisico verzekering en ƒ 1.494,- voor elke Stapelaar bovenop de basis.

5. Hoe worden de Stapelaars gefinancieerd?

U betaalt een premie van ƒ 1.494,- per Stapelaar. Dit geld investeert GroeiVermogen in bepaalde optiestructuren, die voor particuliere beleggers niet verkrijgbaar zijn. Dankzij deze onderliggende opties kan uw koerswinst worden vermenigvuldigd met het aantal Stapelaars dat u aankoopt, waarbij de Stapelaars gelimiteerd zijn tot een maximum van ƒ 6.010,-."

2.3

In de Overeenkomst is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

"2. Financiering en rente.

GroeiVermogen betaalt de Aankoopsom. De deelnemer betaalt de Aankoopsom terug aan GroeiVermogen op de eerste beursdag na 5 jaar. Gedurende de periode van de Aankoopdatum tot de Afloopdatum (hierna te noemen de "Contractperiode") is de deelnemer rente aan GroeiVermogen verschuldigd ter hoogte van 1% per maand (12,69% effectief per jaar) over de Aankoopsom. De deelnemer betaalt de rente voor de gehele Contractperiode ineens vooruit waardoor een korting van 15% op het rentebedrag van toepassing is. (…)

3. Genot en eigendom van de Aandelen.

De aandelen zijn eigendom van GroeiVermogen. Gedurende de Contractperiode zijn alle baten, lasten en waardeveranderingen van de Aandelen voor rekening van de deelnemer (…).

4. 0% Koersrisico verzekering.

GroeiVermogen zal ingeval de Verkoopwaarde lager is dan de Aankoopsom het verschil op de Afloopdatum aan de deelnemer uitkeren. De deelnemer is daarvoor een garantiepremie verschuldigd gelijk aan het totaal van alle bruto dividendopbrengsten uit de Aandelen gedurende de Contractperiode plus 9,55% van de Aankoopsom. Betaling van de premie is verschuldigd en geschiedt als volgt:

a. Telkens indien en wanneer voor rekening van de deelnemer door GroeiVermogen tijdens de Contractperiode dividendopbrengsten (…) op de Aandelen worden, ontvangen, is de deelnemer een bedrag gelijk aan deze dividendopbrengsten aan GroeiVermogen verschuldigd. Betaling daarvan geschiedt door verrekening (…).

b. Indien op dividenden dividendbelastingen worden ingehouden, zal de deelnemer een bedrag gelijk aan die inhoudingen aan GroeiVermogen verschuldigd zijn; betaling daarvan geschiedt op de Afloopdatum door verrekening met de bedragen die GroeiVermogen alsdan aan de deelnemer verschuldigd mocht zijn.

(…)."

2.4

Volgens artikel 10 van de Overeenkomst is de Overeenkomst aangegaan onder de Voorwaarden KoerswinstStapelaar 1998/2. Hierin is, voor zover relevant, vermeld:

"6. Tussentijdse beëindiging.

(…)

De deelnemer heeft het recht de Overeenkomst tussentijds te beëindigen. Indien de Overeenkomst tussentijds wordt beëindigd, zal/zullen:

I het gehele bedrag van de Aankoopsom onmiddellijk door GroeiVermogen opeisbaar zijn;

(…)

V het recht op uitkering van de 0% Koersrisico verzekering en op uitkering van de Stapelaar(s) komt te vervallen en daartegenover;

VI de door GroeiVermogen te bepalen liquidatiewaarde op het moment van tussentijdse beëindiging van de Overeekomst, van de 0% Koersrisico verzekering en van de Stapelaar(s), aan de deelnemer ten goede komen;

VII een door de deelnemer te betalgen vergoeding onmiddellijk door GroeiVermogen opeisbaar zijn ter grootte van 0,25% van de Aankoopsom vermenigvuldigd met het aantal hele maanden tussen het tijdstip van tussentijdse beëindiging tot de Afloopdatum.

(…)

7. Aansprakelijkheid, bewijsvoering en garantieregeling.

GroeiVermogen is niet aansprakelijk voor enige schade van de deelnemer ten gevolge van waardevermindering, koersdaling of andere oorzaken, tenzij deze uitsluitend zijn veroorzaakt door opzet of grove schuld van GroeiVermogen. (…)"

2.5

In de welkoms-brief van GroeiVermogen staat, onder meer, vermeld:

"Van harte welkom als deelnemer aan de KoerswinstStapelaar 1998/2. Bij deze ontvangt u het definitieve lease-overzicht. Hierbij zijn de aankoopkoersen van de aandelen en uw definitieve deelnamebedrag vermeld.

Natuurlijk kunt u tussentijds de waarde-ontwikkeling van uw KoerswinstStapelaar volgen. U doet dit op basis van de actuele beurskoersen, die u in de krant of op teletekst aantreft. De waarde van de aandelen verminderd met de totale aankoopsom zoals vermeld in uw lease-overzicht geeft uw, nog ongerealiseerde, opbrengst weer. (…)"

2.6

In de brief d.d. 11 februari 2004 van GroeiVermogen aan [eiser] is onder meer het volgende opgenomen:

"In 1998 heeft u een KoerswinstStapelaar 1998/2 bij GroeiVermogen afgesloten. De KoerswinstStapelaar is een aandelenlease contract. Door het afsluiten van het contract bent u bij GroeiVermogen een lening aangegaan van € 3.553,07. Voor dit bedrag zijn aandelen aangekocht. Voor uw KoerswinstStapelaar heeft u een bedrag betaald van € 4.858,83. Dit deelnamebedrag bestond uit drie componenten. Het eerste component was een bedrag ad € 1.812,07 aan vooruitbetaalde rente. Het tweede deel was de premie voor de 0% Koersrisico verzekering, ad € 339,32. Het derde deel bestond uit de premie voor vier Stapelaards, ad € 2.707,44. Dit hebben wij bevestigd door middel van het lease-overzicht. (…)"

3. De vordering en het verweer

3.1

[eiser] vordert, na eiswijziging, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a) voor recht verklaart dat GroeiVermogen onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] wegens schending van haar zorgplicht en/of vanwege misleiding;

b) GroeiVermogen gebiedt haar handelsnaam te wijzigen, op straffe van een passende dwangsom;

c) voor recht verklaart dat er sprake is van wanprestatie;

d) GroeiVermogen veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 4.999,00, inclusief wettelijke rente;

e) primair, GroeiVermogen verbiedt misleidende mededelingen te doen in folders of op haar website die betrekking hebben op nieuwe diensten die GroeiVermogen aan [eiser] aanbiedt, op straffe van een dwangsom van € 4.858,00 per overtreding met een maximum van € 48.580,00;

en

subsidiair, GroeiVermogen verbiedt misleidende mededelingen te doen op een wijze zoals door de rechtbank redelijk en billijk wordt geacht, op straffe van een door de rechtbank vast te stellen dwangsom;

f) primair, GroeiVermogen gebiedt om, verkort weergegeven, binnen twee weken na het vonnis een rectificatie te plaatsen op de eerste pagina van het financiële gedeelte van de Telegraaf van een zaterdag, inzake het misleidende karakter van de folder betreffende de KoerswinstStapelaar en strijdigheid van de folder met de zorgplicht van GroeiVermogen, op straffe van een dwangsom van € 5.000.00 voor iedere zaterdag dat de rectificatie niet is geplaatst met een maximum van € 50.000,00;

en

subsidiair, GroeiVermogen gebiedt een rectificatie te plaatsen op een wijze die de rechtbank redelijk en billijk acht, op straffe van een door de rechtbank vast te stellen dwangsom;

g) primair, GroeiVermogen gebiedt om, verkort weergeven, gedurende twee maanden rechtsboven op de hoofdpagina van haar website een rectificatie plaatst inzake het misleidende karakter van de folder betreffende de KoerswinstStapelaar en strijdigheid van de folder met de zorgplicht van GroeiVermogen, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag per overtreding met een maximum van € 25.000,00;

en

subsidiair, GroeiVermogen gebiedt een rectificatie op haar website te plaatsen op een wijze die de rechtbank redelijk en billijk acht, op straffe van een door de rechtbank vast te stellen dwangsom;

h) GroeiVermogen gebiedt om aan [eiser] binnen twee weken na dagtekening van het vonnis schriftelijk mede te delen dat GroeiVermogen haar vordering intrekt, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag;

i) primair, GroeiVermogen gebiedt om [eiser] in het vervolg binnen een termijn van twee maanden volledig per brief te informeren, indien door [eiser] schriftelijke vragen worden gesteld over door GroeiVermogen aangeboden diensten, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 5.000,00;

en

subsidiair, GroeiVermogen gebiedt om [eiser] in het vervolg volledig per brief te informeren binnen een door de rechtbank vast te stellen termijn op straffe van een door de rechtbank vast te stellen dwangsom;

j) voor recht verklaart dat er sprake is van strijd met de wet;

k) voor recht verklaart dat de Overeenkomst nietig is, dan wel verklaart dat de Overeenkomst vernietigbaar is;

l) GroeiVermogen veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 527,49 zoals gespecificeerd in het overgelegde overzicht "nevenvorderingen";

m) GroeiVermogen veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2

GroeiVermogen heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Dit verweer zal, voor zover van belang, bij de beoordeling aan de orde zal komen.

4. De beoordeling

Algemeen

4.1

De grondslagen die [eiser] aan zijn reeks van vorderingen ten grondslag heeft gelegd, laten zich als volgt groeperen: strijd met de wet in de zin van artikel 3:40 BW, onrechtmatig handelen, toerekenbaar tekortschieten en overtreding van de Handelsnaamwet. De vorderingen gebaseerd op onrechtmatig handelen laten zich vervolgens weer onderscheiden in: doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht, strijd met een (bijzondere) zorgplicht en misleiding in de zin van artikel 6:194 BW. De rechtbank zal met de beoordeling van de meest verstrekkende vordering met betrekking tot de Overeenkomst beginnen, namelijk vordering 3.1 onder k) waarin een verklaring voor recht wordt gevorderd dat de Overeenkomst nietig is dan wel dat de rechtbank de Overeenkomst vernietigbaar verklaart, hetgeen [eiser], zo begrijpt de rechtbank, baseert op grond van strijdigheid met de wet in de zin van artikel 3:40 BW. Voordat de rechtbank hiermee aanvangt acht zij het volgende van belang.

4.2

De rechtbank heeft geconstateerd dat [eiser] niet altijd even consequent bij het door hem gestelde handelen van GroeiVermogen heeft aangegeven welke verplichting daardoor is overtreden en in relatie tot welke vordering dit moet worden beoordeeld. Dit heeft onder meer tot gevolg dat bepaalde stellingen door [eiser] veelvuldig, al dan niet met nadere motivering, worden aangevoerd ter onderbouwing van zijn reeks van vorderingen. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] sommige van deze stellingen baseert op een aantal onjuiste uitgangspunten. Ter voorkoming van onnodige herhalingen zal de rechtbank zich daarom thans reeds in algemene zin uitlaten over de stellingen van [eiser] die betrekking hebben op het beleggen door GroeiVermogen ten behoeve van [eiser] in opties en op de consequenties daarvan voor de wijze waarop GroeiVermogen ten behoeve van [eiser] het vermogensbeheer heeft uitgevoerd. En tevens op de stelling van [eiser] inzake de woorden "lease" en "aandelenlease".

4.3

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van vermogensbeheer in die zin dat door [eiser] opdracht is gegeven een specifiek voor [eiser] samengestelde beleggingsportefeuille namens hem te beheren. Uit de door partijen overgelegde stukken inzake de Overeenkomst blijkt dat [eiser] een overeenkomst voor 5 jaar is aangegaan, inzake een door GroeiVermogen ontwikkeld beleggingsproduct waarbij wordt belegd met een vaste aandelenportefeuille waarover [eiser] geen zeggenschap heeft gehad in de samenstelling daarvan. De folder vermeldt hierover: "Voor de KoerswinstStapelaar heeft GroeiVermogen een "mandje" samengesteld van drie vertrouwde Nederlandse fondsen: Dordtsche Petroleum, Ahold (…) en ING-groep (…)."

De vaste beleggingsportefeuille is bovendien niet specifiek voor [eiser] samengesteld maar is verbonden aan het product KoerswinstStapelaar.

4.4

Het voorgaande brengt tevens met zich mee dat de rechtbank de stelling van [eiser] dat door GroeiVermogen namens hem in opties is belegd onjuist acht. Op grond van artikel 1 van de Overeenkomst blijkt dat door GroeiVermogen uitsluitend voor de deelnemer (in casu, [eiser]) aandelen zijn gekocht van de bovengenoemde fondsen. In de Overeenkomst is geen bepaling opgenomen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat voor rekening en risico van de deelnemer ook opties door GroeiVermogen zouden zijn aangekocht. Uitsluitend in verband met de 0% Koersrisico verzekering is in de folder een verwijzing naar opties opgenomen. Uit hetgeen onder 2.2 is geciteerd (vraag 5 en het antwoord daarop) blijkt dat GroeiVermogen voor de financiering van deze verzekering gebruik heeft gemaakt van optiestructuren.

De 0% Koersrisico verzekering dekt het risico voor de deelnemer af dat hij bij afloop van de Overeenkomst geconfronteerd wordt met bijbetaling van het negatieve verschil tussen de aan- en verkoopwaarde van de aandelen. In het onderhavige geval ging het om een bedrag van € 1.210,92. Door de 0% Koersrisico verzekering is dit bedrag niet bij [eiser] in rekening gebracht. Niet gesteld kan daarom worden dat de opties een onderdeel vormden van het aandelenlease-product, anders dan dat kennelijk GroeiVermogen het risico dat zij door het aanbieden van de 0% Koersrisico verzekering liep, heeft afgedekt door middel van optiestructuren. Dit betekent dat al hetgeen [eiser] heeft gesteld in relatie tot onrechtmatig handelen, zorgplichten en misleiding voor zover het vermogensbeheer of opties betreft in het navolgende buiten beschouwing zal worden gelaten.

4.5

De rechtbank merkt ten aanzien de benaming "aandelenlease" op, dat zij deze uitsluitend opvat als een generieke benaming van door diverse beleggingsinstellingen uitgegeven producten, die onderling verschillen vertonen, maar waarbij de bindende factor erin is gelegen dat aandelen in naam van de deelnemer worden aangekocht en waarbij voor de financiering daarvan een lening wordt verstrekt. Onder "aandelenlease" wordt derhalve zowel het product verstaan waarbij na afloop van de looptijd het eigendom overgaat naar de deelnemer als waarbij dit niet het geval is. In het geval waarbij de eigendom niet overgaat, zoals in het onderhavige geval, kan de overeenkomst niet worden gekwalificeerd als huurkoop, hetgeen van belang is voor de vraag welke rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Onder "aandelenlease" wordt tevens de producten begrepen waarbij een kans bestaat dat er sprake is van een restschuld naast het leningsbedrag, en producten waarbij, zoals in het onderhavige geval, geen restschuld ontstaat door een verschil in verkoop- en aankoopwaarde van de aandelen en alleen het leningsbedrag (al dan niet met daarmee verband staande kosten) verschuldigd is gebleken. Alle bovengenoemde vormen worden tot het product "aandelenlease" gerekend. Dit betekent dat hetgeen door [eiser] is opgemerkt ten aanzien van de betekenis van de woorden "lease" en "aandelenlease" in relatie tot het product in het navolgende niet meer separaat zal worden behandeld.

Strijd met dwingende wetbepalingen: nietigheid dan wel vernietigbaarheid

4.6

[Eiser] stelt zich op het standpunt dat er sprake is van strijd met de wet, waardoor de rechtshandeling nietig is in de zin van artikel 3:40 BW. [eiser] stelt dat er sprake is van strijd met de Wet Toezicht Effectenverkeer 1995 (verder "Wte 1995") en het op de Wte 1995 gebaseerde Besluit Toezicht Effectenverkeer 1995 (verder "Bte 1995"). Tussen partijen is niet in het geding dat GroeiVermogen als effecteninstelling is onderworpen aan de Wte 1995 en de Bte 1995. In navolging van hetgeen de rechtbank in dit verband in haar uitspraak van 22 december 2004 (onder andere gepubliceerd in JOR 2005, 40 en ook raadpleegbaar via www.rechtspraak.nl) ten aanzien van een aandelenproduct van een andere aanbieder heeft overwogen, oordeelt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 3:40 lid 2 BW leidt strijd met een dwingende rechtsbepaling tot nietigheid van de rechtshandeling, en in het geval de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, tot vernietigbaarheid, een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit. Lid 3 bepaalt vervolgens dat het bepaalde in het tweede lid alleen geldt indien de wetsbepaling de strekking heeft om de geldigheid van de daarmee strijdige rechtshandeling aan te tasten. De rechtbank is van oordeel dat zowel de Wte 1995 als de daarop, door delegatie, gebaseerde Bte 1995 niet de strekking hebben om de geldigheid als zodanig van een rechtshandeling, in het onderhavige geval, het sluiten van de overeenkomst inzake de KoerswinstStapelaar, aan te tasten. Wel wordt in de Bte 1995 een aantal regels voorgeschreven ten aanzien van hetgeen in de overeenkomsten moet zijn bepaald. Noch de Wte 1995, noch de Bte 1995 bevatten echter verbodsbepalingen waaruit kan worden afgeleid dat de strekking daarvan is dat de geldigheid van het sluiten van de Overeenkomst wordt aangetast indien niet aan alle regels uit de Bte 1995 is voldaan. Ook uit het feit dat de Wte 1995 en de Bte 1995 bij overtreding van een aantal nader genoemde bepalingen, een dwangsom en/of boetestelsel kent, volgt dat de effecteninstelling die bevoegd is genoemde diensten aan te bieden, maar niet alle onderdelen van artikel 25 Bte 1995 volledig heeft nageleefd, een boete kan worden opgelegd, maar niet dat het verrichten van de effectendiensten als zodanig niet is geoorloofd. Dit betekent dat in het onderhavige geval op grond van lid 3 van artikel 3:40 BW, artikel 3:40 lid 2 BW geen gelding heeft. De vordering onder 3.1 sub k) tot nietigheid dan wel vernietigbaarheid wegen strijd met de wet wordt dan ook afgewezen.

Onrechtmatige daad: zorgplicht

4.7

[Eiser] stelt dat GroeiVermogen onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht jegens haar cliënten. [eiser] wijst daarbij op de bijzondere zorgplicht die op GroeiVermogen rust om naar beste vermogen met de belangen van haar cliënten rekening te houden. Volgens [eiser] is deze zorgplicht terug te voeren op artikel 24 aanhef en onder a, b, c en d Bte, artikel 28 Bte en artikel 29 Bte. Volgens [eiser] volgt hier onder meer uit dat GroeiVermogen kennis had moeten nemen van de beleggingsdoelstelling van [eiser], hetgeen GroeiVermogen volgens [eiser] niet heeft gedaan. [eiser] stelt voorts dat hij onjuist dan wel onvolledig is geïnformeerd over het feit dat ook bij een kleine koersstijging de mogelijkheid bestond dat hij al zijn geld zou kunnen verliezen, hetgeen niet overeen kwam met zijn beleggingsdoelstelling, dat juist was gericht op geld verdienen.

De rechtbank begrijpt de stelling van [eiser] aldus, dat door geen informatie in te winnen bij [eiser], GroeiVermogen geen inzicht heeft kunnen krijgen of het door haar aangeboden product past bij de beleggingsdoelstellingen van [eiser] en daardoor onvoldoende met de belangen van [eiser] rekening heeft kunnen houden.

Het verweer van GroeiVermogen komt er samengevat op neer, dat volgens haar artikel 24 uit de Bte 1995 slechts de grondslag vormt voor de toezichthouder om concrete gedragsregels te stellen. Deze regels, in de vorm van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999, zijn voor GroeiVermogen pas op 1 februari 1999 in werking getreden en waren dus niet van toepassing op het moment van sluiten van de Overeenkomst, zodat een dergelijke verplichting niet op GroeiVermogen rustte.

4.8

De rechtbank overweegt als volgt. Uit eerdere uitspraken inzake vergelijkbare aandelenleaseconstructies blijkt dat op een instelling als GroeiVermogen een bijzondere zorgplicht rust om niet-professionele beleggers te informeren over de risico's van het product (HR 11 juli 2003, JOR 2003, 199) en rekening te houden met de belangen van (potentiële) cliënten (HR 9 januari 1998, NJ 1999, 285). Naar het oordeel van de rechtbank brengt een dergelijke zorgplicht niet alleen mee dat GroeiVermogen gehouden is om enerzijds informatie te verstrekken over het aangeboden product, maar tevens om informatie in te winnen bij haar potentiële cliënt omtrent hun financiële positie, hun beleggingservaring en hun beleggingsdoelstellingen. Deze in de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer uitgewerkte zorgplicht is voor zijn bestaansrecht daarvan niet afhankelijk. De Nadere Regeling toezicht effectenverkeer moet bovendien gezien worden in het licht van de Wte 1995, geplaatst in het kader van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (93/22/EEG), welke ziet op de beschermingsgedachte ten aanzien van de deskundige financiële dienstverlener ten opzichte van de, in vergelijking met de beleggingsinstelling, niet of minder deskundige consument.

4.9

De genoemde twee verplichtingen, te weten, het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële cliënt, moeten in samenhang worden bezien. In die zin dat naarmate er meer uitgebreide informatie is verstrekt, de noodzaak tot het inwinnen van uitgebreide informatie over de cliënt kan verminderen. Nog daargelaten wat de inhoud en uitgebreidheid van de informatie is die door GroeiVermogen is verstrekt, de rechtbank komt hierna daar nog op terug, laat dit onverlet dat de balans niet zover kan doorslaan dat uitsluitend informatie wordt verstrekt en helemaal geen informatie bij de potentiële cliënt wordt ingewonnen. In het onderhavige geval staat onweersproken vast dat GroeiVermogen geen informatie bij [eiser] heeft ingewonnen. De stelling van GroeiVermogen dat het hier om een gestandaardiseerd product ging, waarbij op grond van de door haar verstrekte informatie het voor de potentiële cliënt duidelijk kon zijn waaruit zijn risico bestond – GroeiVermogen wijst in dit verband specifiek op het feit dat 0% Koersrisico verzekering juist ook het risico van een restschuld beperkte - doet hieraan niet af.

4.10

Anders dan GroeiVermogen, is de rechtbank van oordeel, dat GroeiVermogen er niet zonder meer vanuit heeft kunnen gaan dat zij bij de verkoop van het product KoerswinstStapelaar kon volstaan met alleen informatie te verstrekken. De rechtbank constateert, dat nu GroeiVermogen op voorhand reeds had besloten dat het inwinnen van informatie achterwege kon blijven, zij zichzelf de mogelijkheid heeft ontnomen om erachter te komen of de informatie die zij over een potentiële cliënt kon verkrijgen, haar zou doen besluiten om de KoerswinstStapelaar niet aan die deelnemer te verkopen. Door geen informatie in te winnen heeft GroeiVermogen geen inzicht kunnen verkrijgen in het doel van de belegging en de financiële positie en ervaring van de deelnemer.

De rechtbank constateert echter ook, dat [eiser] in onvoldoende mate heeft gesteld dat in het geval GroeiVermogen wel informatie had ingewonnen, wat dan uit dat onderzoek naar voren zou zijn gekomen, waardoor GroeiVermogen het product niet aan [eiser] zou hebben geadviseerd. [eiser] heeft immers erkend dat hij zich ervan bewust was dat hij aan een beleggingsproduct deelnam. Het enige wat [eiser] in dit verband heeft gesteld is dat het aan de KoerswinstStapelaar verbonden risico, namelijk dat verlies van de deelnamesom mogelijk was bij een kleine stijging van de aandelenkoersen, niet overeenkwam met zijn beleggingsdoelstelling. Over dit risico is [eiser] echter geïnformeerd in de folder onder het kopje "Wanneer speelt u quitte?" (zie 2.2).

Het inwinnen van bovengenoemde informatie acht de rechtbank ook van belang in verband met het feit het product in bepaalde situaties een risico kon inhouden, waarvan de omvang niet van tevoren vaststond. Immers, bij een tussentijdse beëindiging bestond er een kans op een op dat moment qua omvang nog niet vaststaande restschuld, nu uit artikel 6 van de voorwaarden blijkt dat het recht op uitkering van de 0% Koersrisico verzekering en op uitkering van de Stapelaars bij tussentijdse beëindiging komt te vervallen en wordt vervangen door een door GroeiVermogen te bepalen liquidatiewaarde op het moment van tussentijdse beëindiging van de 0% Koersrisico verzekering en van de Stapelaars. In het onderhavige geval is echter geen sprake van een tussentijdse beëindiging, zodat de door [eiser] gestelde schade hiermee niet in verband staat.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de vordering onder 3.1 sub a) voor zover deze is gebaseerd op het niet voldoen aan een zorgplicht jegens [eiser] wordt afgewezen.

Onrechtmatig handelen: misleiding

4.11

[Eiser] stelt, samengevat, dat in de folder inzake de KoerswinstStapelaar onjuiste en onvolledige mededelingen zijn opgenomen. [eiser] beroept zich daarbij op artikel 6:194 BW. [eiser] wijst daarbij specifiek op het gebruik in de folder van de woorden "risico" en "0% Koersrisico verzekering". [eiser] stelt dat hij het woord "risico" heeft gelezen als de mogelijkheid om een gedeelte van het deelnamebedrag te verliezen, terwijl hij "0% Koersrisico verzekering" heeft begrepen als een verzekering die het risico, zoals door hem opgevat, afdekt. Ook acht [eiser] de handelsnaam GroeiVermogen en het gebruik daarvan in de folder in relatie tot de aangeboden dienst misleidend, nu [eiser] het deelnamebedrag heeft verloren. Misleidend acht [eiser] ook de verwijzing in de folder dat GroeiVermogen deel uitmaakt van Fortis groep, waarvan wordt opgemerkt dat de tot die groep behorende bedrijven solide partners zijn, die flexibele oplossingen bieden voor particulieren, terwijl, volgens [eiser], GroeiVermogen helemaal geen flexibele oplossing heeft bedacht.

Voorst acht [eiser] de folder misleidend omdat de in de folder opgenomen periodes (zie onder 2.2) niet representatief zijn om het verloop van koersen aan te relateren. Tot slot heeft [eiser] gewezen dat na de waarschuwingen die in de folder zijn opgenomen (zie onder 2.2 onder de kopjes "Wanneer speelt u quitte?" en "De ingebouwde 0% Koersrisico verzekering begrenst uw risico") telkens een ontkrachtende mededeling is opgenomen, zoals bijvoorbeeld "een dergelijk scenario heeft zich de afgelopen 20 jaar nog nooit voorgedaan."

4.12

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling of er sprake is van onrechtmatigheid doordat GroeiVermogen misleidende informatie over de KoerswinstStapelaar heeft verstrekt, het van belang is over welke informatie de potentiële belegger de beschikking had om zijn beslissing op te baseren alvorens de KoerswinstStapelaar overeenkomst aan te gaan. Door [eiser] is erkend dat hij verschillende documenten inzake de KoerswinstStapelaar heeft ontvangen. Naast de folder heeft hij ook de overeenkomst ontvangen, waar op de achterzijde de Voorwaarden KoerswinstStapelaar stonden afgedrukt. Dit betekent dat [eiser] zich niet uitsluitend op grond van de folder heeft kunnen informeren.

Bij de beoordeling of er sprake is van misleidende mededelingen, moet, gezien de uitspraak van Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 16 juli 1998, C-210/96 (NJ 2000, 374), worden uitgegaan van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument. De rechtbank komt tot de conclusie dat bij oplettende bestudering van de hiervoor genoemde informatie [eiser] had kunnen en moeten begrijpen dat de KoerswinstStapelaar inhield dat hij een lening afsloot met GroeiVermogen en dat GroeiVermogen vervolgens met deze lening voor rekening en risico van [eiser] aandelen zou kopen in drie fondsen, waarbij het risico op een restschuld op grond van een negatief verschil tussen aan- en verkoopwaarde werd afgedekt door de 0% Koersrisico verzekering. De rechtbank heeft het volgende bij haar beoordeling een rol laten spelen.

4.13

Naar de rechtbank begrijpt acht [eiser] de folder ter zake het gebruik van de woorden "risico" en "0% Koersrisico verzekering" misleidend omdat hij ze anders heeft gelezen dan achteraf volgens hem het geval blijkt te zijn. De rechtbank volgt deze stelling van [eiser] niet. Uit de folder in samenhang gelezen met de overeenkomst en voorwaarden (zie onder 2.2 en 2.3) blijkt dat de misvatting van [eiser] hieromtrent eerder is ingegeven door een verkeerde - naar hijzelf ook stelt – lezing van de folder, dan door misleiding.

4.14

Ten aanzien van de handelsnaam GroeiVermogen en het gebruik daarvan in de folder heeft, naar het oordeel van de rechtbank, GroeiVermogen terecht als verweer gevoerd dat de naam van het product los staat van het door haar aangeboden product waaraan door [eiser] is deelgenomen en dat zij bovendien ook andere producten dan alleen effectenleaseproducten aanbiedt. Tevens blijkt uit de door [eiser] overgelegde folder inzake de KoerswinstStapelaar dat het woord "GroeiVermogen" uitsluitend wordt gebruikt om de vennootschap GroeiVermogen N.V. aan te duiden. [Eiser] heeft bovendien, gelet op artikel 5b Handelsnaamwet, in onvoldoende mate gemotiveerd waarom de door hem aangenomen verbinding tussen de handelsnaam van de aanbieder in relatie tot één van de aangeboden producten, in dit geval de KoerswinstStapelaar, een onjuist indruk geeft van de onder die naam gedreven onderneming.

De rechtbank is van oordeel dat uit de vermelding in de folder inzake de relatie tussen GroeiVermogen en de Fortis groep, waarbij aan de Fortis groep bepaalde kenmerken worden toegedicht, niet kan worden geconcludeerd dat het hier om een mededeling gaat ten aanzien van enig concreet product en om die reden ook niet beschouwd kan worden als een mededeling in de zin van artikel 6:194 BW.

4.15

Ook hetgeen [eiser] heeft gesteld over het opnemen van niet-representatieve periodes van koersresultaten en ontkrachtende mededelingen faalt. Als opgemerkt, dient de folder in samenhang te worden gelezen met de overige verstrekte documenten. Aan wervende in algemene zin opgestelde teksten, die niet ongebruikelijk zijn in folders, kan in die zin niet een louter op zichzelf staande waarde worden toegekend.

4.16

Het voorgaande betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de folder inzake de KoerswinstStapelaar niet als misleidend in de zin van artikel 6:194 BW kan worden beschouwd. Dit brengt met zich mee dat de vordering onder 3.1 sub a), sub f) en g) voor zover zij betrekking heeft op misleiding wordt afgewezen. Ook voor zover zij betrekking heeft op strijdigheid van de folder met de zorgplicht van GroeiVermogen wordt de vordering afgewezen. De rechtbank overweegt daarbij dat bij de beoordeling van de zorgplicht van GroeiVermogen om informatie te verstrekken niet uitsluitend wordt gekeken naar de folder maar naar het totaal aan ter beschikking gestelde documenten. Dit betekent dat de vordering onder 3.1 sub f) en g) in zijn totaliteit wordt afgewezen. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen vloeit tevens voort dat de vordering onder 3.1 sub b) tot wijziging van de handelsnaam van GroeiVermogen wordt afgewezen.

4.17

Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van de folder is overwogen impliceert naar het oordeel van de rechtbank dat ook de vordering onder 3.1 sub e) niet slaagt. Nog afgezien van het feit dat het gevraagde verbod te algemeen en onbepaald van aard is, zal de toets of er sprake is van een misleidende mededeling alleen kunnen worden uitgevoerd naar aanleiding van een concrete mededelingen met betrekking tot een concrete dienst, waarbij andere mededelingen, bijvoorbeeld gedaan in een overeenkomst en voorwaarden, medebepalend zijn. De vordering onder 3.1 sub e) wordt afgewezen.

Vordering onder 3.1 sub i)

4.18

Ter onderbouwing van deze vordering beroept [eiser] zich op artikel 3:296 BW, waarbij hij aangeeft dat zijn belang in deze vordering hierin is gelegen dat, gelet op de onderhavige procedure, in verband met de onderhavige zaak nog correspondentie kan volgen. De rechtbank wijst deze vordering af, omdat de toelichting die door [eiser] is gegeven de grondslag van zijn vordering niet kan dragen. De toelichting die door [eiser] is gegeven lijkt erop te wijzen dat [eiser] zich ervan wil verzekeren dat zijn brieven in de toekomst door GroeiVermogen in verband met door GroeiVermogen aangeboden diensten tijdig worden beantwoord. Zonder nadere concretisering, die ontbreekt, kan een dergelijke in zeer algemene woorden gesteld gebod niet worden toegewezen nu enig belang daartoe in onvoldoende mate is gesteld. Voor zover [eiser] een relatie legt met de onderhavige procedure merkt de rechtbank op dat alle stukken die in het kader van de procedure door GroeiVermogen ter rolle worden genomen volgens vaste procesregels ter zijner kennis worden gebracht, zodat zonder nadere toelichting het gestelde verband met de procedure, als niet relevant kan worden gekwalificeerd.

Vordering onder 3.1 sub c)

4.19

[Eiser] stelt dat, gelet op artikel 6:248 BW, GroeiVermogen gehouden is om minimaal de deelnamesom aan hem terug te betalen. GroeiVermogen heeft als verweer gevoerd dat zij op grond van de Overeenkomst hiertoe niet gehouden was. De rechtbank acht dit verweer van GroeiVermogen juist. [Eiser] heeft voorts in onvoldoende mate gesteld waarom toepassing van artikel 6:248 BW in het onderhavige geval geïndiceerd zou zijn. [Eiser] heeft immers geen andere argumenten aangevoerd dan die hij ook ter onderbouwing van zijn andere vorderingen heeft aangevoerd en die in het voorgaande reeds zijn beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat geen van deze argumenten een beroep op artikel 6:248 BW rechtvaardigen.

4.20

[Eiser] stelt dat er ook sprake is van een toerekenbare tekortkoming omdat hij hoge (aanvullende) vergoedingen heeft betaald, waarvoor GroeiVermogen geen tegenprestatie heeft geleverd. [eiser] noemt in dit verband de vooruitbetaalde rente en door hem betaalde belasting over aandelen en dividendinkomsten. GroeiVermogen heeft zich verweerd door te stellen dat voor de rente die [eiser] heeft betaald, GroeiVermogen aan [eiser] de aankoopsom van de aandelen heeft geleend. De dividendinkomsten heeft [eiser] aan GroeiVermogen betaald op grond van de 0% Koersrisico verzekering. De omstandigheid dat [eiser] wellicht belasting heeft moeten betalen over de waarde van het effectenbezit, betekent volgens GroeiVermogen niet dat GroeiVermogen hiervoor een tegenprestatie zou hebben moeten leveren, anders dan is overeengekomen. GroeiVermogen wijst hierbij ook op het feit dat [eiser] ook heeft kunnen profiteren van de rente-aftrek. De rechtbank is van oordeel dat het verweer van GroeiVermogen slaagt, zodat de, overigens niet door enig document onderbouwde, stellingen waarop [eiser] zich in dit verband baseert niet kunnen leiden tot de vaststelling dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming.

De conclusie van 4.19 en 4.20 is dat ook de vordering onder 3.1 sub c) wordt afgewezen.

Overige vorderingen

4.21

Hetgeen de rechtbank in het voorgaande heeft besloten, brengt in samenhang met zich mee dat ook de vordering onder 3.1 sub d), sub h) en sub j) wordt afgewezen. Ook de vordering onder 3.1 sub l), welke door GroeiVermogen is betwist, kan niet tot toewijzing leiden, nu [eiser] heeft nagelaten aan te geven op welke grondslag hij deze vordering baseert. Voor zover de rechtbank uit de aanduiding "nevenvorderingen" moet begrijpen dat zij op dezelfde gronden worden gebaseerd als de vordering onder 3.1 sub d) dan kan dit ook niet tot toekenning van de vordering leiden, omdat geen van de gronslagen waarop de vordering onder 3.1 sub d) is gebaseerd, tot toekenning hebben geleid. Dit betekent dat ook de vordering onder 3.1 sub l) wordt afgewezen.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan, als in het voorgaande reeds behandeld dan wel niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

4.22

[Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1

wijst de vorderingen af;

5.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van GroeiVermogen gevallen, tot op deze uitspraak begroot op € 768,-- aan salaris en op nihil aan verschotten;

5.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Ch.E. Bethlem en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 7 september 2005.

w.g. griffier w.g. rechter