Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AT9380

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-06-2005
Datum publicatie
14-07-2005
Zaaknummer
SBR 04-1950
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bodemprocedure; AAW; immateriële schade; overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Reg. nr.: SBR 04 / 1950

UITSPRAAK van de rechtbank Utrecht, meervoudige

kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke

zaken, in het geding tussen:

[eiseres],

wonende te Utrecht,

e i s e r e s,

en

de Raad van bestuur van het

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),'

v e r w e e r d e r.

1. INLEIDING.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 juni 2004, waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 13 november 2003 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder het verzoek van eiseres om immateriële schadevergoeding afgewezen.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 april 2005, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Schalkwijk, werkzaam bij het Uwv.

2. OVERWEGINGEN.

Feiten

Eiseres, geboren op 1 januari 1957, heeft van 30 juni 1991 tot 25 maart 1994 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ontvangen.

Op 24 januari 1997 heeft eiseres een aanvraag ingediend bij verweerder om in aanmerking te komen voor een AAW-uitkering in verband met in 1980 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 7 april 1998 heeft verweerder overwogen dat de arbeidsongeschiktheid van eiseres is ingetreden op 1 april 1994, en heeft verweerder eiseres per 24 januari 1996, zijnde een jaar voor datum aanvraag, een uitkering ingevolge de AAW toegekend.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 28 december 1999 heeft verweerder dit bezwaar gegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van eiseres gesteld kan worden op 1 januari 1981, en dat in principe per 31 december 1981 een uitkering kan worden toegekend. Bij besluit van

28 november 2001 heeft verweerder eiseres vervolgens met ingang van 1 januari 1982 een uitkering ingevolge de AAW en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Op 17 september 2003 heeft eiseres bij verweerder een verzoek ingediend voor een immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 16.000,--, omdat verweerder niet tijdig, namelijk pas na een afhandelingstermijn van in totaal 20 jaar, een besluit heeft genomen naar aanleiding van de aanvragen van eiseres om een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Eiseres heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet tijdig is beslist op haar aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering en dat dit een schending inhoudt van de in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154; 1990, 156: EVRM) genoemde redelijke (berechtings)termijn.

Bij besluit van 13 november 2003 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen, primair omdat onvoldoende is aangetoond dat het aan verweerder is te wijten dat het recht van eiseres op AAW-uitkering niet 20 jaar eerder is vastgesteld, subsidiair omdat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van immateriële schade en meer subsidiair omdat de hoogte van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Verweerder heeft er op gewezen dat artikel 6 van het EVRM spreekt over een berechtingstermijn, en dat de in artikel 6 van het EVRM genoemde redelijke termijn dan ook niet van toepassing is tijdens de bezwaarprocedure.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Eiseres heeft erkend dat eerst op 24 januari 1997 een aanvraag is ingediend, zodat de toe te kennen immateriële schadevergoeding kan worden beperkt tot € 3.200,--. Eiseres heeft betoogd dat zij als gevolg van de lange besluitvorming dusdanig (psychisch) heeft geleden, dat vergoeding van immateriële schade is geïndiceerd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres een schrijven overgelegd van haar huisarts H.J. Jansen van 19 juli 1999, en een uitdraai van het journaal van deze huisarts over de periode van 21 mei 1997 tot en met 18 augustus 1999.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van immateriële schade noch dat als gevolg van de overschrijding van de beslistermijn de klachten van eiseres in ernst zouden zijn toegenomen en dat gesproken zou moeten worden van geestelijk leed. Tevens heeft verweerder het standpunt ten aanzien van de toepassing van artikel 6 van het EVRM gehandhaafd, zodat ook geen aanleiding bestaat om op grond van de afhandelingsduur over te gaan tot het toekennen van immateriële schadevergoeding.

Standpunten van partijen

Eiseres heeft aangevoerd dat zij wel voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij psychisch heeft geleden als gevolg van de (te) trage besluitvorming door verweerder. In dit kader stelt eiseres dat uit het journaal van de huisarts voortvloeit dat zij (ook) in de periode vanaf de datum van de aanvraag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bekend was met (psychische) klachten, en dat zij bij haar huisarts diverse malen aandacht heeft gevraagd voor de procedure met verweerder.

Ter zitting van de rechtbank heeft eiseres aangevoerd dat, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 december 2004 (gepubliceerd in RSV 2005/71), moet worden aangenomen dat een schending van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van het EVRM met betrekking tot de bestuurlijke fase thans (ook) aanleiding kan zijn voor toekenning van immateriële schadevergoeding. Eiseres wijst er op dat met de afhandeling van het bezwaarschrift meer dan drie jaar en zes maanden gemoeid is geweest, te weten van 19 mei 1998 (de datum waarop zij bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 7 april 1998) tot 28 november 2001 (het uiteindelijke besluit). Volgens eiseres is daarmee sprake van schending van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase. Eiseres betoogt dat moet worden aangenomen dat de overschrijding van de redelijke termijn geheel of gedeeltelijk het gevolg is van een niet-verontschuldigbare traagheid van besluitvorming door verweerder. Voorts kan uit de medische stukken - indirect - worden afgeleid dat eiseres als gevolg van de lange procedure daadwerkelijk een bepaalde mate van spanning en frustratie heeft ondergaan. Gelet op de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de CRvB concludeert eiseres dat de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding ten minste € 2.900,-- dient te bedragen. Eiseres licht toe dat zij het verzoek om imma-teriële schadevergoeding enige tijd na het besluit van 28 november 2001 heeft ingediend, omdat verweerder veel tijd nodig had om diverse verrekeningsbesluiten te nemen en omdat eiseres eerst wettelijke rente heeft gevorderd over de na te betalen bedragen.

Verweerder heeft aangevoerd dat pas indien eiseres genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat zij zodanig onder het uitblijven van een voor haar gunstige beslissing heeft geleden, dat er sprake is van geestelijk leed, dit kan worden beschouwd als aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) op grond waarvan sprake kan zijn van schadevergoeding. Verweerder betoogt dat eiseres dit met de overgelegde gegevens zeker niet heeft aangetoond.

Ter zitting van de rechtbank heeft verweerder erkend dat sprake is van een overschrijding van de wettelijke beslistermijn, en tevens van de redelijke termijn. Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat de in artikel 6 van het EVRM genoemde redelijke termijn in onderhavig geval niet van toepassing is, omdat uit de tekst van artikel 6 van het EVRM blijkt dat een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van het overschrijden van de redelijke termijn eerst gehonoreerd kan worden als sprake is geweest van een rechterlijke procedure. Verweerder acht niet aannemelijk dat eiseres als gevolg van de duur van de procedure daadwerkelijk een bepaalde mate van spanning en frustratie heeft ondergaan. In dit kader wijst verweerder erop dat uit het journaal van de huisarts niet blijkt dat sprake is geweest van spanning en frustratie, en dat eiseres het verzoek om schadevergoeding pas heeft ingediend twee jaar na afgifte van het besluit van 28 november 2001 waarbij definitief een uitkering ingevolge de AAW/WAO werd toegekend. Ook heeft eiseres tijdens de bezwaarschriftprocedure niet geklaagd over de duur van de procedure en is in casu geen sprake van een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb.

Beoordeling van het geschil

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit op goede gronden het verzoek om immateriële schadevergoeding van eiseres heeft afgewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geenszins aannemelijk dat zij zodanig onder de vertraagde besluitvorming door verweerder heeft geleden dat sprake was van gees-telijk leed dat kan worden beschouwd als aantasting van haar persoon in de zin van artikel 6:106 van het BW. In dit verband verwijst de rechtbank naar vaste rechtspraak van de CRvB, onder meer de uitspraak van 16 april 1996, JB 1996/117.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de in artikel 6 van het EVRM genoemde redelijke termijn ook van toepassing is indien, zoals in onderhavig geval, de fase van bestuurlijke besluitvorming niet gevolgd is door een rechterlijke procedure. De rechtbank beantwoordt deze vraag, in afwijking van het standpunt van verweerder, bevestigend.

Volgens vaste jurisprudentie, zoals bijvoorbeeld de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 december 1994 (Schouten en Meldrum, gepubliceerd in RSV 1995/256) begint de in artikel 6 van het EVRM genoemde redelijke termijn te lopen in de fase van de bestuurlijke besluitvorming, namelijk op het moment dat de belanghebbende bezwaar aantekent tegen het primaire besluit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het eindpunt van de redelijke termijn hetzij de definitieve uitspraak van de rechter is hetzij het besluit waarmee de bestuurlijke voorfase eindigt. Onder verwijzing naar de uitspraken van de CRvB van 24 september 1997 (AB 1997/431) en 4 juni 2002 (JB 2002/281) wijst de rechtbank er voorts op dat een belanghebbende, voor zover de overschrijding van de redelijke termijn is veroorzaakt door een bestuursorgaan, bij de indiening van het verzoek tot schadevergoeding in het algemeen de keuze heeft om ofwel de weg van artikel 8:73 van de Awb te bewandelen ofwel die van het zelfstandig schadebesluit. Naar het oordeel van de rechtbank is de gelding in de bezwaarprocedure van de in artikel 6 van het EVRM neergelegde eis van behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn niet beperkt tot die gevallen waarin naderhand om schadevergoeding is verzocht op grond van artikel 8:73 van de Awb. Een andere opvatting zou er toe leiden dat de vraag of een bestuursorgaan tijdens de bezwaarfase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM in acht moet nemen, pas achteraf bevestigend zou kunnen worden beantwoord, namelijk indien beroep wordt ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De rechtbank acht in dit kader nog van belang dat de CRvB in de reeds genoemde uitspraak van 4 juni 2002 overweegt dat het vereiste van een redelijke beslistermijn (ook) opgesloten ligt in het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiseres op 19 mei 1998 bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit van 7 april 1998, en dat verweerder pas bij het besluit van 28 november 2001 een definitief standpunt heeft ingenomen over het recht van eiseres op een uitkering ingevolge de AAW/WAO. Daarmee is gegeven dat deze procedure meer dan drie jaar en zes maanden heeft geduurd. De rechtbank is van oordeel dat daardoor de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn is overschreden en dat verweerder, door de lange termijn die hij heeft genomen om zijn besluitvorming af te ronden, eiseres ervan afgehouden heeft om het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op berechting binnen een redelijke termijn te effectueren. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat deze zaak, waarin het ten principale gaat om de vraag of eiseres per 1 januari 1982 recht heeft op een uitkering ingevolge de AAW/WAO, naar het haar voorkomt niet als uitzonderlijk complex is aan te merken. Overigens heeft verweerder ter zitting van de rechtbank ook erkend dat de redelijke termijn in onderhavig geval is overschreden.

De rechtbank ziet evenwel geen aanleiding aan eiseres een vergoeding toe te kennen voor eventuele door haar geleden immateriële schade. In genoemde uitspraak van 8 december 2004 heeft de CRvB overwogen dat, indien wordt vastgesteld dat de totale duur van de procedure van dien aard is dat de redelijke termijn in artikel 6 van het EVRM is overschreden en dat deze overschrijding geheel of gedeeltelijk het gevolg is geweest van een niet-veront-schuldigbare traagheid van het bestuursorgaan, dient te worden beoordeeld of er termen zijn om de belanghebbende voor het bestuurlijk aandeel in de termijnoverschrijding een compensatie te verlenen. Ook heeft de CRvB overwogen dat dan voor de toekenning van vergoeding van immateriële schade termen aanwezig zijn als op grond van het met de procedure gemoeide belang en de overige feiten en omstandigheden van het geval aanneme-lijk is dat de belanghebbende als gevolg van de procedure daadwerkelijk een bepaalde mate van spanning en frustratie heeft ondergaan. De rechtbank is, mede gelet op de aard van het belang van eiseres, namelijk een mogelijk (veel) eerdere toekenning van het recht op AAW/ WAO, van oordeel dat de (mogelijk) door eiseres ervaren spanning en frustratie, voor zover veroorzaakt door vertraagde besluitvorming en de belemmering van de toegang tot de rechter, voldoende is gecompenseerd door de vaststelling dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden. Bovendien acht de rechtbank van belang dat verweerder eiseres de wettelijke rente heeft vergoed.

De rechtbank is, gelet op feit dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft overwogen dat de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn in onderhavig geval niet van toepassing is, van oordeel dat het bestreden besluit niet gedragen wordt door een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank zal, nu ook zij van oordeel is dat eiseres geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING.

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven,

bepaalt dat het Uwv aan eiseres het betaalde griffierecht van € 37,-- voldoet,

veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in dit geding ten bedrage van € 644,-, te betalen door het Uwv aan de griffier van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. M.P. Gerrits-Janssens, als voorzitter, mr. J.F. Bandringa en

mr. G. van Zeben, als leden, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2005.

De griffier: De voorzitter van de meervoudige kamer:

mr. J.E. Visser mr. M.P. Gerrits-Janssens

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.