Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AT9364

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-07-2005
Datum publicatie
18-07-2005
Zaaknummer
182243/HAZA 04-1725
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht financieel adviseur. De rechtbank stelt voorop dat van een redelijk handelend en bekwaam adviseur mag worden verwacht dat hij zijn cliënt volledig informeert over alle feiten en omstandigheden die hem ten tijde van de advisering bekend zijn of kunnen zijn over de producten dat hij zijn cliënt adviseert, en die - in het licht van de doeleinden en de financiële omstandigheden van de cliënt - relevant zijn voor de door de cliënt te nemen investeringsbeslissing.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2005/246 met annotatie van mr. drs. C.M. Grundmann-van de Krol
JA 2005/80 met annotatie van mw. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt onder «JBPr» 2006/14

Uitspraak

VONNIS

van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [eiser sub 4],

wonende te [woonplaats],

5. [eiser sub 5],

wonende te [woonplaats],

6. [eiser sub 6],

wonende te [woonplaats],

e i s e r s,

hierna te noemen: [eisers],

procureur: mr. D.G. Schouwman,

- t e g e n -

de besloten vennootschap

met beperkte aansprakelijkheid

DvdF & PARTNERS B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Veenendaal,

g e d a a g d e,

hierna te noemen: [DvdF],

procureur: mr. Mr. C. Beijer.

1.

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- dagvaarding van 5 augustus 2004, met producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek, tevens wijziging van eis, met producties;

- conclusie van dupliek, met producties.

Partijen hebben vervolgens vonnis gevraagd.

2.

De feiten

2.1

Eind 2001/begin 2002 heeft [DvdF] [eisers] geadviseerd over het doen van investeringen in (onder meer) de producten Result en Result Plus van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid New World Investments B.V., thans genoemd Prunevieille International B.V., verder te noemen NWI.

2.2.

Op 19 oktober 2001 heeft de Autoriteit Financiële Markten, althans haar rechtsvoor-gangster, op haar website een waarschuwing geplaatst over (producten van) NWI die - voor zover relevant - luidt als volgt:

“(...) New World Investments BV

New World Investments BV biedt in Nederland via een brochure en via hun website effecten aan in de vorm van schuldbrieven zonder daarbij een prospectus beschikbaar te stellen. Op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 is het verboden om zonder prospectus buiten besloten kring effecten aan te bieden. (...)

De brochure is uitgegeven onder de naam “Groei naar Vermogen”. Deze brochure wekt de indruk dat het om een prospectus gaat. De brochure voldoet echter niet aan de wettelijk gestelde eisen voor een prospectus. Ook wordt in de brochure geen verwijzing gemaakt naar een prospectus.

Een prospectus geeft de belegger informatie over onder meer de financiële positie en de vooruitzichten van de onderneming. Ook beschrijft een prospectus welke rechten en verplichtingen aan effecten zijn verbonden. Verder moet een prospectus een mededeling bevatten van een (externe) accountant waarin staat dat het voldoet aan de wettelijke vereisten uit de Wte 1995.

New World Investments BV biedt in haar brochure en via de website particulieren en rechtspersonen de mogelijkheid te beleggen in schuldbrieven onder de naam Result en Result Plus. De belegging zou zijn gekoppeld aan onroerend goed in Costa Rica, geeft een vast rendement van 10% per jaar en kent een looptijd van tien jaar. Het beleggend publiek wordt dringend geadviseerd niet op deze aanbiedingen in te gaan”.

2.3.

Op respectievelijk 25 november 2001 (eisers sub 1 en 2, verder te noemen: [eisers sub 1 en 2]), 9 maart 2002 (eisers sub 3 en 4, verder te noemen: [eisers sub 3 en 4]) en 23 januari 2002 (eisers sub 5 en 6, verder te noemen: [eisers sub 5 en 6]) hebben [eisers] een inschrijvingsformulier voor de investering voor de duur van 10 jaar van de volgende bedragen in de producten Result en Result Plus gezonden naar NWI:

[eisers sub 1 en 2]: f. 120.000,-- (€ 54.453,63)

[eisers sub 3 en 4] : € 63.529,25 en € 11.344,51

[eisers sub 5 en 6] : € 49.915,82

NWI heeft daarop aan [eisers] inlegbewijzen verstrekt waarop als uitgiftedata staan vermeld respectievelijk 1 januari 2002, 1 juni 2002 en 1 mei 2002. In de op deze investeringen van toepassing zijnde algemene voorwaarden is - voor zover relevant - het volgende bepaald:

“(...)

5 Rendement.

5.1 De opdrachtgever koopt het recht van verhuur van grond of vastgoed voor een periode van 20 jaar, of tegen de op het orderformulier vermelde looptijd, tegen een jaarlijks bedrag van 10% van de aankoopsom, jaarlijks of eventueel maandelijks te voldoen aan de opdrachtgever.

5.2 De huurpenningen voor de eerste 2,0 jaar worden door Tierras Nuevas vóóruitgestort op een rekening van de Stichting Vicus.

5.3 Vervolgstortingen geschieden per 2 jaar vóóruit op dezelfde rekening. Ter waarborging hiervan is het juridisch eigendom over de gronden ondergebracht in de onafhankelijke Stichting Vicus. Deze stichting wordt gecontroleerd door de accountant en staat onder toezicht van Stichting Derdenbelangen. Laatstgenoemde stichting treedt zowel nationaal als internationaal op als trustee voor Stichtingen als Stichting Vicus.

5.4 Na afloop van de looptijd van 20 jaar of anderszins overeengekomen wordt de bankgegarandeerde inleg terugbetaald aan de opdrachtgever.

5.5 Uiterlijk de 15e werkdag, volgend op het eind van de 12 maanden waarop de huurovereenkomst betrekking heeft, worden de huurpenningen overgemaakt op de rekening van opdrachtgever. (...)”

2.4.

[Eisers] hebben tot december 2003 rendementbetalingen op de investeringen ontvangen.

3.

De vorderingen en het verweer

3.1.

[Eisers] hebben - kort weergegeven - na eiswijziging gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht verklaart dat [DvdF] jegens [eisers] onrechtmatig heeft gehandeld, althans in strijd met haar zorgplicht, en dat zij deswege jegens [eisers] aansprakelijk is voor de dientengevolge door [eisers] geleden en te lijden vermogensschade, bestaande uit verlies van geïnvesteerd vermogen en te derven rendement;

b. [DvdF] veroordeelt aan [eisers] bij wege van schadevergoeding te betalen de door hen ingelegde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente alsmede de gederfde rendementsuitkering van 10% op jaarbasis, althans een in goede justitie vast te stellen rendement, over de periode december 2003 tot 8 juni 2004, te vermeerderen met wettelijke rente;

c. [DvdF] veroordeelt aan [eisers] te betalen de door hen gederfde rendementsuitkering, althans een in goede justitie vast te stellen rendement, over de looptijd van de overeenkomsten vanaf 8 juni 2004;

d. [DvdF] veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder de kosten van de gelegde beslagen.

3.2.

[DvdF] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [eisers] in hun vordering, althans tot afwijzing van deze vordering.

3.3.

De overige stellingen van partijen komen in het volgende - voor zover nodig - aan de orde.

4.

De beoordeling

4.1.

[Eisers] hebben aan hun gewijzigde vorderingen ten grondslag gelegd dat [DvdF] jegens hen onrechtmatig, althans in strijd met de zorgplicht heeft gehandeld. [eisers] voeren in dat kader onder meer aan dat [DvdF] [eisers] op de hoogte had moeten stellen van het feit dat de AFM het publiek afraadde om in (producten van) NWI te investeren, alsmede dat zij een onderzoek had moeten instellen naar de door NWI voor haar producten verstrekte garanties en waarborgen en [eisers] omtrent de uitkomst daarvan deugdelijk had moeten informeren.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat van een redelijk handelend en bekwaam adviseur mag worden verwacht dat hij zijn cliënt volledig informeert over alle feiten en omstandigheden die hem ten tijde van de advisering bekend zijn of kunnen zijn over de producten dat hij zijn cliënt adviseert, en die - in het licht van de doeleinden en de financiële omstandigheden van de cliënt - relevant zijn voor de door de cliënt te nemen investeringsbeslissing.

4.3.

Vaststaat dat de AFM op 19 oktober 2001, derhalve ruim voordat [eisers] op basis van het advies van [DvdF] tot het investeren in de producten Result en Result Plus van NWI zijn overgegaan, NWI op haar waarschuwingslijst heeft geplaatst. De specifieke producten, waarin [eisers] uiteindelijk hebben geïnvesteerd, zijn in deze waarschuwing uitdrukkelijk genoemd. Deze waarschuwingslijst was voor een ieder, en derhalve tevens voor [DvdF], op een eenvoudige wijze raadpleegbaar via het internet.

4.4.

Deze waarschuwing was - naar het oordeel van de rechtbank - een voor de door [eisers] te nemen investeringsbeslissing relevant feit. De AFM heeft in de waarschuwing aangegeven dat de brochure van NWI voor de producten Result en Result Plus, die [DvdF] aan [eisers] in het kader van haar advisering ter beschikking heeft gesteld, niet voldeed aan de aan een prospectus gestelde wettelijke vereisten. Door zo’n prospectus wordt de potentiële belegger informatie verstrekt over de financiële positie en de vooruitzichten van de onderneming die de betreffende effecten aanbiedt, alsmede de rechten en verplichtingen die aan de effecten zijn verbonden. In zoverre was de door [DvdF] ter beschikking gestelde prospectus dan ook relevant voor de inschatting van het risico van de door [eisers] beoogde investering.

Bovendien heeft de AFM niet alleen een algemene waarschuwing over het ontbreken van die prospectus doen uitgaan, maar de producten waarin [eisers] overwogen te investeren, met name genoemd en ter zake het volgende opgenomen: “Het beleggend publiek wordt dringend geadviseerd niet op deze aanbiedingen in te gaan.”

4.5.

Voorts is in deze van belang dat [DvdF] niet heeft betwist dat het haar bekend was dat [eisers] met de investering in NWI weinig risico wilden lopen.

4.6.

Onder voormelde omstandigheden had naar het oordeel van de rechtbank van [DvdF] mogen worden verwacht dat zij [eisers] had gewezen op het feit dat de AFM over de betreffende producten van NWI een waarschuwing had doen uitgaan.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de waarschuwing van de AFM terzake van de producten van NWI voor [DvdF] aanleiding had moeten zijn om de betrouwbaarheid van de door NWI aangeboden producten te betwijfelen en onderzoek te doen naar de specifieke grond op basis waarvan de AFM tot het geven van de waarschuwing had besloten. Alsdan zou [DvdF] zijn gestuit op de besluiten van de AFM van 26 september 2001 en 23 oktober 2001, waarbij de rechtsvoorgangster van de AFM aan NWI - met last onder dwangsom - de aanwijzing had gegeven om te stoppen met het aanbieden van effecten en het aangaan van overeenkomsten voortvloeiend uit eerdere aanbiedingen van effecten.

Voorts zou [DvdF] alsdan zijn gestuit op:

- het vonnis van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam van 18 oktober 2001, waarbij de door NWI gevraagde voorziening inzake de openbare kennisgeving door AFM werd geweigerd;

- het vonnis van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2001, waarbij een door NWI gevraagde voorlopige voorziening werd afgewezen;

- de ongegrondverklaring van het bezwaar van NWI tegen de besluiten van de rechts-voorgangster van de AFM, bij besluit van 1 februari 2002.

4.7.

Al deze feiten hebben zich - behoudens de laatste, voor zover het de advisering aan [eisers sub 1 en 2] betreft - voorgedaan voordat [eisers] zijn overgegaan tot het investeren in de producten van NWI, zodat [DvdF] ook deze feiten aan hen had kunnen en moeten mededelen. Het had [DvdF] vervolgens vrijgestaan om daarbij aan te geven dat het besluit tot het geven van de aanwijzingen of het plaatsen op de waarschuwingslijst onterecht waren. Bijvoorbeeld, omdat er onvoldoende gegevens waren om te concluderen dat NWI als een uitgevende instelling in de zin van de Wte diende te worden aangemerkt, hetgeen de grond vormde voor het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (oordelende in hoger beroep over de besluiten van de AFM) om de beslissing tot ongegrond verklaring van het bezwaar van NWI uiteindelijk bij uitspraak van 29 april 2004 te vernietigen.

4.8.

Niet gebleken is dat [DvdF] [eisers] op de waarschuwing van de AFM heeft gewezen. [DvdF] heeft weliswaar de stelling van [eisers] dat zij dit heeft nagelaten, betwist, maar heeft deze betwisting onvoldoende gemotiveerd. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt immers niet in te zien waarom [eisers] ondanks deze waarschuwing gewoon tot het investeren in NWI zouden zijn overgegaan. Een gemiddelde belegger zou bij een dergelijke waarschuwing immers tenminste nadere informatie hebben gevraagd aan de adviseur over de achtergrond van de waarschuwing van de AFM. [DvdF] heeft echter bij haar betwisting niet aangegeven op welke wijze [eisers] op het geven van de waarschuwing zouden hebben gereageerd. Ook Van de Broek, de medewerker van [DvdF] die [eisers] destijds heeft geadviseerd, blijft in zijn door [DvdF] overgelegde verklaring vaag over de risico’s van de producten van NWI waarop hij [eisers] destijds zou hebben gewezen.

Voorts heeft [DvdF] niet gesteld dat zij [eisers] tevens heeft gewezen op de onder 4.6 bedoelde feiten die aan de waarschuwing vooraf zijn gegaan of daarop zijn gevolgd.

4.9.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [DvdF] niet heeft voldaan aan haar zorgplicht jegens [eisers] door deze niet te wijzen op de door de AFM gegeven waarschuwing ten aanzien van de producten van NWI en over de daarmee samenhangende feiten en omstandigheden (zoals weergegeven onder 4.6).

4.10.

In zijn algemeenheid kan de stelling van [eisers] niet worden aanvaard dat een adviseur ook diepgaand onderzoek dient in te stellen naar door een effecteninstelling voor een geadviseerd product gegeven garanties en waarborgen. Echter, Van de Broek heeft - zoals [DvdF] niet heeft weersproken - zowel voorafgaande als na het sluiten van de overeenkomst met betrekking tot de producten van NWI tegen [eisers] gezegd dat “de producten door haar advocaat als goed waren beoordeeld”. Daarmee heeft zij in het onderhavige geval jegens [eisers] een zorgplicht op zich genomen om de betreffende producten op de afgegeven garanties en zekerheden voor nakoming te beoordelen. In combinatie met de aan [eisers] verstrekte beleggingsoverzichten, waarin geen duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de door [DvdF] verstrekte en de door NWI verstrekte garanties ter zake van de producten Result en Result Plus, heeft deze mededeling van Van de Broek bij [eisers] de indruk gewekt en kunnen wekken dat het met de garanties en waarborgen met betrekking tot de producten Result en Result Plus wel goed zat. Een redelijk handelend en bekwaam adviseur had op het moment van het geven van het advies om in NWI te investeren echter niet tot deze conclusie kunnen komen. Zoals [DvdF] niet heeft weersproken, was de Stichting Vicus, de belangenbehartiger van de investeerders in Result en in Result Plus van NWI, die ex artikel 5.3 van de Algemene Voorwaarden juridisch eigenaar zou worden van de gronden waarvoor door de investeerders geld was ingelegd, op het moment van het geven van het beleggingsadvies door [DvdF] nog niet opgericht. Dit gebeurde pas in oktober 2002. Voorts had deze stichting - blijkens haar brief van 12 november 2003 - zelfs bijna twee jaar nadat [eisers] de investeringen in NWI waren aangegaan, nog steeds geen juridische zeggenschap over deze gronden en was er nog geen zekerheidsstelling voor de inleg van de investeerders overeenkomstig artikel 5.4 van de Algemene Voorwaarden gerealiseerd.

4.11.

De conclusie van het voorgaande is dat [DvdF] op twee aspecten (het niet wijzen op de waarschuwing (en daarmee samenhangende feiten en omstandigheden) en het onterecht wekken van de indruk dat de garanties en de waarborgen goed waren geregeld) toerekenbaar tekortgeschoten is in haar zorgplicht jegens [eisers].

[DvdF] is dan ook in beginsel aansprakelijk voor de dientengevolge door [eisers] geleden schade.

[Eisers] moeten middels een schadevergoeding in de situatie gebracht worden waarin zij zouden hebben verkeerd, indien de zorgplicht door [DvdF] wel correct was nagekomen. De rechtbank acht in het licht van het vaststaande feit dat [eisers] met de investeringen in NWI weinig risico wilden lopen, aannemelijk dat zij de investeringen in de producten in Result en Result Plus dan niet zouden hebben gedaan. Anderzijds zouden [eisers] alsdan ook niet het voordeel hebben genoten van de investeringen van NWI, bestaande uit ontvangen rendementsbetalingen tot december 2003. Over de omvang van deze rendementsbetalingen hebben [eisers] zich niet uitgelaten, noch over de wijze waarop zij het geld zouden hebben geïnvesteerd, indien zij niet geïnvesteerd zouden hebben in Result en Result Plus, of over het rendement dat zij daarmee zouden hebben behaald. De rechtbank zal hen alsnog bij akte in de gelegenheid stellen zich daarover uit te laten.

4.12.

Het beroep van [DvdF] op eigen schuld van [eisers] wordt afgewezen. De omstandigheid dat de uiteindelijke beslissing om in NWI te investeren, is genomen door [eisers] zelf en dat aan elke investering een risico is verbonden, brengt niet mee dat de door [eisers] geleden schade deels aan hen moet worden toegerekend. Immers, door de tekortkoming van [DvdF] in haar zorgplicht zijn [eisers] niet in staat gesteld een geïnformeerde beslissing over het investeren in NWI te nemen.

4.13.

Evenmin kan het beroep van [DvdF] over het nalaten van het nemen van schadebeperkende maatregelen door [eisers] (door niet lid te worden van de belangenvereniging Fecundo), worden aanvaard. Niet gesteld of gebleken is dat deze vereniging concrete resultaten heeft bereikt bij het terugkrijgen van de inleg bij NWI dan wel het doorbetalen van het overeengekomen rendement. De conclusie is dan ook niet gerechtvaardigd dat [eisers] door van deze vereniging lid te worden hun schade hadden kunnen beperken.

4.14.

De omstandigheid dat de Stichting Vicus mogelijk eveneens aansprakelijk zou kunnen worden gehouden voor de door [eisers] geleden schade, brengt geen verandering in de aansprakelijkheid van [DvdF] jegens [eisers], noch in de omvang van de schade die zij ten gevolge van de schending van de zorgplicht door [DvdF] hebben geleden.

4.15.

De rechtbank zal de beslissing voor het overige aanhouden, teneinde [eisers] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over hetgeen onder 4.11 is overwogen.

5.

De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 10 augustus 2005 voor het nemen van een akte door [eisers] over de omvang van de tot december 2003 ontvangen rendementsbetalingen en de wijze waarop zij - indien zij niet in producten van NWI hadden geïnvesteerd - de door hen ingelegde gelden zouden hebben geïnvesteerd en het rendement dat zij daarmee zouden hebben behaald;

5.2

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 13 juli 2005.

w.g. griffier w.g. rechter