Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AT8949

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-07-2005
Datum publicatie
08-07-2005
Zaaknummer
SBR 05/1262 VV, 05/1265 VV en 05/1405 VV
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom in verband met in afwijking van verleende bouwvergunning gerealiseerde dakkapellen. Aangezien de dakkapellen in strijd zijn met redelijke eisen van welstand is legalisering niet mogelijk. Geen reden voor verlening van de begunstigingstermijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector bestuursrecht

nr. SBR 05/1262 VV, 05/1265 VV en 05/1405 VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op de verzoeken om een voorlopige voorziening in de geschillen tussen:

[verzoeker], wonende te Woerden, verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden, verweerder.

1. INLEIDING

1.1 De verzoeken hebben betrekking op de besluiten van verweerder van 4 mei 2005 waarbij verzoekers zijn aangeschreven een in afwijking van de bouwvergunning gerealiseerde dakkapel op hun woningen aan respectievelijk de [adres] [adres] te Woerden voor 1 augustus 2005 te verwijderen of in overeenstemming met de bouwvergunning te brengen, onder oplegging van een dwangsom van € 1.200,- per week, met een maximum van € 30.000.-.

1.2 De verzoeken zijn op 24 juni 2005 gevoegd ter zitting behandeld, waar verzoekers in persoon zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.W. van der Horst en A. Swanink, beiden werkzaam bij de gemeente Woerden.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt bij verweerder tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

2.4 Namens verzoekers [verzoeker] heeft ontwerpburo Marianne Stolwijk (hierna: Stolwijk) op 20 februari 2004 een lichte bouwvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een dakkapel op de woningen [adres] te Woerden. Bij besluit van 22 april 2004 heeft verweerder een bouwvergunning verleend overeenkomstig de bij dat besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte bouwaanvraag en tekeningbladen. Bij besluit van 22 september 2004 heeft verweerder aan verzoeker [verzoeker] een lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een identieke dakkapel op zijn woning aan de [adres]

2.5 Een inspecteur Bouwzaken heeft op 6 december 2004 geconstateerd dat verzoekers in afwijking van de aan hen verleende bouwvergunning een dakkapel hebben gerealiseerd. Bij brief van 14 januari 2005 heeft verweerder, onder aankondiging van handhavend optreden, verzoekers bericht dat in afwijking van de bouwvergunning is gebouwd en daarbij aangegeven dat de afwijkingen betrekking hebben op de grotere kozijnhoogte/totaalhoogte, de gesloten zijgevelvlakken en de afwijkende dakranddetaillering. Op 1 februari 2005 hebben verzoekers tijdens een hoorzitting gereageerd op verweerders voornemen om bestuursdwang toe te passen. Stolwijk heeft verweerder op 16 februari 2005 bericht dat de bouwtekeningen in goed overleg met het Bureau Bouwzaken en de welstandscommissie zijn gewijzigd en akkoord zijn bevonden. Na advies van verweerders afdeling Stedenbouw en van de Commissie welstand en monumenten (hierna: de commissie) heeft verweerder de onder 1.1 genoemde besluiten van 4 mei 2005 genomen.

2.6 Verweerder stelt zich daarbij - samengevat weergegeven - op het standpunt dat de dakkapellen in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Verweerder baseert dit standpunt op het advies van de commissie. Aan de adviezen van de commissie moet in de regel groot gewicht worden toegekend omdat de commissie kan worden aangemerkt als een commissie van deskundigen. De advisering door de commissie moet daarom ook worden gezien als een waarborg voor een verantwoorde en - binnen zekere grenzen - geobjectiveerde beoordeling van de welstandsaspecten. Het welstandsadvies is naar inhoud en wijze van totstandkomen niet onzorgvuldig te achten. Er is bovendien geen advies van een andere deskundige ingebracht waaruit blijkt dat de dakkapellen niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Gelet op het advies is er geen zicht op legalisering van de afwijkingen, zodat aan verzoekers terecht een dwangsom is opgelegd, aldus verweerder.

2.7 Verzoekers betwisten niet dat in afwijking van de bouwvergunningen is gebouwd en dat de dakkapellen moeten worden aangepast en zodoende in overeenstemming met de bouwvergunning moeten worden gebracht. Zij willen in overleg komen tot een voor alle partijen gunstige oplossing en verzoeken om extra tijd voor het uitvoeren van de wijzigingen, mede gelet op de aanstaande vakantieperiode. Verzoekers stellen dat zij de dupe zijn van de slechte prestaties van Stolwijk, tegen wie zij al een civiele procedure zijn gestart.

2.8 Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Ww - voor zover hier van belang - mogen het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet (Ww) juncto artikel 2, aanhef en onder d, sub 7, van het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (BBLB) is geen bouwvergunning vereist voor het bouwen van een dakkapel op een bestaand gebouw, mits is voldaan aan de nader genoemde voorwaarden.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het BBLB is een lichte bouwvergunning vereist voor het bouwen van een in de aanhef van een geletterd onderdeel van artikel 2 bedoeld bouwwerk dat niet voldoet aan de in dat onderdeel gegeven kenmerken, mits is voldaan aan de nader genoemde voorwaarden.

Ingevolge artikel 40 van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

In artikel 44, eerste lid en derde lid, van de Woningwet (Ww) is - voor zover hier van belang - bepaald dat de lichte bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd, indien het bouwplan naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

2.9 De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers niet betwisten dat in afwijking van de aan hen verleende bouwvergunning een dakkapel op hun woning is aangebracht. De dakkapellen zijn wat betreft de hoogte, de detaillering van de dakrand en een gesloten zijwand niet in overeenstemming met de bouwvergunning. Verweerder is derhalve bevoegd om verzoekers te gelasten, onder oplegging van een dwangsom, deze overtreding ongedaan te maken.

2.10 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden behoort te worden afgezien.

2.11De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich bij de besluiten van 4 mei 2005 heeft mogen baseren op de adviezen van de commissie van 7 januari 2005. Daartoe wordt overwogen dat indien een door de welstandscommissie uitgebracht advies naar inhoud of wijze van totstandkomen geen gebreken vertoont, het overnemen van een dergelijk advies door verweerder in de regel geen nadere toelichting behoeft, tenzij een tegenadvies wordt overgelegd van een andere deskundige. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers niet een dergelijk welstandsadvies in het geding hebben gebracht. Door verzoekers is ook overigens niet aannemelijk gemaakt dat het door de commissie uitgebrachte advies niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen of anderszins naar inhoud of wijze van totstandkomen gebreken vertoont. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zijn beslissing in redelijkheid heeft kunnen baseren op het advies van deze commissie. Hieruit volgt dat er geen concreet zicht is op legalisering van de dakkapellen.

2.12 Het beroep van verzoekers op de omstandigheid dat zij vanuit hun woning zicht hebben op een diversiteit aan dakkapellen waartegen door verweerder niet handhavend wordt opgetreden en het daarom niet redelijk is dat zij hun dakkapel dienen aan te passen, is de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel dat, mede gelet op de afwijkende bouwstijl van de huizen van verzoekers, geen sprake is van gelijke gevallen die gelijkelijk zouden moeten worden behandeld, nog daargelaten dat voor een aantal van die dakkapellen een bouwvergunning zou zijn verleend.

2.13 Verzoekers hebben met het oog op de vakantieperiode gevraagd om verlenging van de begunstigingstermijn omdat zij niet in staat zouden zijn om voor 1 augustus 2005 aan de last te voldoen. Ter zitting hebben verweerders gemachtigden gesteld dat verzoekers geruime tijd wisten dat aanpassingen nodig waren en dat zij na het besluit van 4 mei 2005 niet aanstonds acties hebben ondernomen om aan de last te voldoen, zodat er volgens verweerder thans geen aanleiding is om de begunstigingstermijn te verlengen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, hoewel verzoekers wens om een langere termijn te krijgen in dit geval niet geheel onbegrijpelijk is, verweerder in redelijkheid tot dit standpunt heeft kunnen komen nu niet is gebleken dat het voor verzoekers onmogelijk is geweest om tijdig aan de last te voldoen en zij geruime tijd op de hoogte waren van de noodzaak van de aanpassingen.

2.14 De voorzieningenrechter is niet gebleken van feiten of omstandigheden waaruit moet worden geconcludeerd dat de bestreden besluiten van 4 mei 2005 in heroverweging niet in stand kunnen blijven. Ook overigens bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van verzoeker zijn derhalve ook geen termen aanwezig.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. drs. R. in ’t Veld, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2005.

De griffier: De voorzieningenrechter:

drs. H. Maaijen mr. drs. R. in ’t Veld

Afschrift verzonden aan partijen op: