Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AT8528

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-06-2005
Datum publicatie
30-06-2005
Zaaknummer
KG-nr: 194743 /KGZA 05-463
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verzoek van burgemeester om onderzoeksbureau te veroordelen nadere getuigen te horen, omdat het door dit bureau uitgebrachte rapport onvolledig en derhalve jegens burgemeester onrechtmatig zou zijn, afgewezen.

Niet gebleken is dat causaal verband bestaat tussen het aannemen van de motie van wantrouwen jegens het college door de raad en het onderzoeksrapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KG-nr: 194743 /KGZA 05-463

RECHTBANK UTRECHT

Sector Handels - en Familierecht

VONNIS

van de voorzieningenrechter

in het kort geding van:

[Eiseres]

wonende te Y,

e i s e r e s,

procureur: mr. H.C. van Olden,

advocaat: mr. M. Ambags te Eindhoven,

- t e g e n -

de besloten vennootschap met beperkte

aansprakelijkheid

Bestuur en Management Consultants

Leusden B.V.,

gevestigd te B,

g e d a a g d e,

procureur: mr. B.F. Keulen,

advocaat: mr. F. van Waardenburg

te Den Haag

Partijen worden hierna aangeduid als eiseres respectievelijk gedaagde.

1.

Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure is als volgt:

- dagvaarding van 1 juni 2005, die in fotokopie aan dit vonnis is gehecht;

- herstelexploot van 7 juni 2005;

- mondelinge behandeling op 16 juni 2005;

- pleitnota’s en producties van beide partijen.

1.2.

Partijen hebben vonnis gevraagd.

2.

De feiten

2.1.

Eiseres is per 1 januari 1997 bij Koninklijk Besluit benoemd als burgemeester van de gemeente Y. Per 1 januari 2003 is zij herbenoemd voor een periode van zes jaar, mede op basis van een positief advies van de gemeenteraad van de gemeente Y (hierna: de raad).

2.2

Na het aftreden van D. op 11 juni 2004 als wethouder van de gemeente Y, is in de gemeente een bestuurlijke crisis ontstaan. Oorzaak hiervan was dat na voornoemde ontslagname nog slechts één wethouder resteerde, terwijl krachtens het bepaalde in artikel 36, eerste lid, van de Gemeentewet, het aantal wethouders tenminste twee dient te bedragen. Daarenboven had de VVD-fractie haar vertrouwen in de coalitie opgezegd.

2.3

Op 4 juni 2004 heeft gedaagde, op verzoek van de raad, een offerte uitgebracht voor een financieel onderzoek gemeente Y. Het probleem is in deze offerte als volgt omschreven:

“ Uit het gesprek met de werkgroep voor de aanbesteding en de gunning is ons gebleken dat de fractievoorzitters het formeren van een nieuw college eerst zinvol achten nadat onafhankelijk onderzoek is verricht en politieke conclusies zijn getrokken omtrent de financiën van de werk- en besluitvormingsprocessen rond enkele grote projecten en grondexploitaties. Er is sprake van een gebrek aan inzicht in de financiën en daarmee aan de haalbaarheid van de genoemde projecten en de grondexploitaties. Er is daarnaast een gebrek aan vertrouwen in de wijze waarop bestuurders en/of ambtenaren in het recente verleden zijn omgegaan met die projecten c.q. onzekerheid over mogelijke negatieve gevolgen van eerdere besluitvorming. Dit gebrek aan inzicht en vertrouwen vormen een belemmering voor een duurzame uitweg uit de huidige politieke crisis.”

Het doel van het onderzoek is in de offerte als volgt geformuleerd:

“ Doel van het onderzoek moet naar onze mening derhalve zijn het bieden op hoofdlijnen van:

- Een geobjectiveerd en helder inzicht in de financiële stand van zaken rond de projecten als genoemd onder 1) en de belangrijkste, nog niet afgesloten, grondexploitaties.

- Een geobjectiveerde en heldere inschatting van de toekomstige financiële ontwikkeling daarvan, mede in relatie tot de mogelijkheden van de gemeente.

- Een geobjectiveerd en helder inzicht in de legitimiteit van het bestuurlijke en ambtelijk handelen rond die projecten en exploitaties.

- onafhankelijk advies over het omgaan met de aangetroffen situatie, zowel inhoudelijk als in communicatief opzicht.”

2.4

Op 4 juni 2004 is namens de raad - conform de uitgebracht offerte - opdracht verleend aan gedaagde. Blijkens de aanvaarde offerte mocht de doorlooptijd van het onderzoek maximaal 2 weken bedragen, het opstellen van de rapportage inclusief de communicatie maximaal één week.

2.5

Op 8 juli 2004 heeft gedaagde een rapport uitgebracht, onder de titel “Onderzoek naar Grote Projecten Gemeente Y”, met als ondertitel “Op weg naar vertrouwen”. In dit rapport zijn betreffende de positie van de burgemeester onder meer de volgende aanbevelingen opgenomen:

“ Uit de interviews met de fractievoorzitters en de gemeentesecretaris hebben wij begrepen dat de burgemeester door hen in het algemeen positief wordt gewaardeerd indien het gaat om aspecten als onder meer: inhoudelijke kundigheid, werklust, doorzettingsvermogen en dossierkennis. Zij is op 1 januari jl. herbenoemd, op advies van een terzake ingestelde commissie van de raad. Niettemin blijken er bij de meeste fractievoorzitters ook aanmerkingen te bestaan op haar functioneren. In combinatie met acties vanuit de bevolking en artikelen in de plaatselijke pers is haar positie ronduit zwak te noemen. Dat is geen goede basis voor nog een aantal jaren functioneren als burgemeester.

Anderzijds komt het ons, op basis van ons beeld van de situatie, voor dat op de raad, door positief te adviseren over haar herbenoeming, een taak rust om actief mee te werken aan herstel van een werkbare relatie met haar, danwel tenminste aan het geven van duidelijkheid over de mate waarin en de condities waaronder zij kan blijven als eerste burger van de gemeente Y.”

2.6

Op 8 juli 2004 is het rapport behandeld in de raad in een besloten vergadering, waarbij gedaagde haar rapportage heeft toegelicht aan de hand van een powerpoint presentatie. Vervolgens is het rapport op 12 juli 2004 behandeld in een openbare vergadering van de raad.

2.7

In voornoemde openbare vergadering heeft de raad een motie van wantrouwen jegens het college van burgemeester en wethouders aangenomen. De motie van wantrouwen is als volgt geformuleerd:

“Kennis genomen hebbend van het rapport van gedaagde

Overwegende dat het antwoord van B en W geen aanleiding en vertrouwen geeft op een oplossing op korte termijn spreekt uit dat wij het vertrouwen in het college van B en W opzeggen en gaat over tot de orde van de dag.”

2.8

Eiseres heeft zich op 16 juli 2004 ziek gemeld. De Commissaris van de Koningin van de provincie heeft op dezelfde dag een waarnemend burgemeester benoemd.

2.9

Eiseres heeft met ingang van 1 september 2005 haar ontslag als burgemeester van de gemeente Y ingediend en gaat met ingang van die datum met vervroegd pensioen.

3.

De vordering en het verweer

3.1

Voor de volledige inhoud en de grondslagen van de vordering wordt verwezen naar de aangehechte dagvaarding. Samengevat vordert eiseres op straffe van een dwangsom, al of niet in het kader van de opdracht van de gemeenteraad van 4 juli 2004, gedaagde te veroordelen om alsnog een aantal met name genoemde personen te horen respectievelijk te wederhoren en haar rapport van 8 juli 2004 aan te vullen met de uit die gesprekken opgedane feiten en omstandigheden alsmede om de inhoud van de gerapporteerde conclusies zonodig te wijzigen.

3.2

Eiseres heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zowel de wijze van totstandkomen van het rapport als de inhoud ervan zijn te kwalificeren als onzorgvuldig en dat gedaagde derhalve onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van haar. Het rapport bevat volgens haar veel onjuistheden, onvolledigheden en beweringen die onnodig voor commotie binnen de gemeente Y hebben gezorgd en die uiteindelijk de hoeksteen hebben gevormd voor het aannemen van de motie van wantrouwen door de raad. Eiseres stelt ten gevolge van het rapport schade te hebben geleden, nu dit rapport direct heeft geleid tot haar vertrek als burgemeester alsmede tot veel negatieve publiciteit. Het rapport en de daarmee gepaard gaande negatieve publiciteit belemmeren haar bij het vinden van een andere passende functie. Gezien de negatieve, essentiële, invloed van het huidige rapport op zowel haar vertrek als burgemeester als op haar kansen op de arbeidsmarkt, dient het rapport volgens eiseres, ter beperking van verdere schade, op korte termijn gecorrigeerd dan wel genuanceerd te worden.

3.3

Gedaagde betwist dat het rapport op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en onjuistheden en onvolledigheden bevat. Gedaagde stelt overeenkomstig de aan haar door de raad verstrekte opdracht onderzoek te hebben verricht naar de financiële situatie rondom een aantal projecten. De doorlooptijd van dit onderzoek was beperkt. In verband met die beperkte doorlooptijd stelt gedaagde selectief te zijn geweest met het houden van interviews. Volgens gedaagde bestaat geen noodzaak voor het alsnog horen c.q. wederhoren van de in de dagvaarding genoemde personen. In dit kader wijst gedaagde er tevens op dat de gemeenteraad op 12 juli 2004 unaniem heeft besloten de bevindingen, conclusies en aanbevelingen van gedaagde te onderschrijven en dat daarbij door eiseres, die bij deze vergadering aanwezig was, geen enkel voorbehoud is gemaakt. Volgens gedaagde was niet haar rapport aanleiding voor het indienen van de motie van wantrouwen, maar de wijze waarop het college op het uitgebrachte rapport heeft gereageerd. De motie van wantrouwen kwam ook niet uit de lucht vallen, nu er reeds langer politieke onrust bestond binnen de gemeente.

4.

De beoordeling

4.1

De voorzieningenrechter stelt voorop - zo is tussen partijen ook niet in geschil - dat de bestuurlijke crisis, ontstaan na het opstappen van een wethouder en het opzeggen van het vertrouwen in de coalitie door de VVD-fractie, de aanleiding heeft gevormd voor de opdrachtverlening aan gedaagde. Tevens wordt vooropgesteld dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter de aanbevelingen die in dit rapport omtrent de burgemeester zijn opgenomen, zoals aangegeven onder 2.5 van deze uitspraak, niet zodanig zijn dat daaruit volgt dat haar positie als burgemeester onhoudbaar zou zijn, maar wel dat gewerkt moet worden aan herstel van een werkbare situatie.

4.2

De bezwaren van eiseres tegen het rapport, hebben zowel betrekking op de wijze van totstandkomen van het rapport als op de inhoud er van.

4.3

Met betrekking tot de wijze van totstandkomen van het rapport wordt als volgt overwogen. De doorlooptijd van het onderzoek mocht blijkens de door gedaagde uitgebrachte en door de raad aanvaarde offerte 2 weken bedragen, het opstellen van de rapportage inclusief de communicatie maximaal één week. Gezien de beperkingen van het onderzoek in doorlooptijd en tijdsinzet, acht de voorzieningenrechter het niet onbegrijpelijk dat gedaagde selectief is geweest met het houden van interviews. Weliswaar had het de voorkeur verdiend indien - zoals ook aangegeven op pagina 5 onder het vijfde gedachtestreepje van de offerte - wederhoor had plaatsgevonden met onder meer de burgemeester om tussentijdse bevindingen en verwonderpunten te toetsen, doch voorshands wordt niet aannemelijk geacht dat gedaagde door het rapport op deze wijze tot stand te laten komen onrechtmatig ten opzichte van eiseres heeft gehandeld. Daarbij wijst de voorzieningenrechter er op dat gedaagde bij de power-point presentatie van het rapport op 8 juli 2004 aan de raad ook heeft aangegeven dat in verband met de beperkte tijd slechts beperkt hoor en wederhoor kon worden gepleegd. In de wijze van totstandkomen van het rapport wordt gelet op het voorgaande geen aanleiding gezien voor toewijzing van de vordering.

4.4

Met betrekking tot de inhoudelijke bezwaren van eiseres overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Of het rapport inhoudelijk onjuistheden, onvolledigheden en beweringen bevat, zoals door eiseres - onder verwijzing naar door haar opgestelde lijsten - is gesteld en door gedaagde is betwist kan in het beperkte kader van dit kort geding niet worden beoordeeld. Daartoe is nader onderzoek noodzakelijk, hetgeen het beperkte kader van dit geding te buiten gaat. In deze inhoudelijke bezwaren ziet de voorzieningenrechter wel aanleiding voor de volgende overwegingen. De inhoudelijke kritiek van eiseres richt zich met name op de wijze waarop is gerapporteerd over de financiële stand van zaken rond grote projecten. In dit kader acht de voorzieningenrechter van belang dat eiseres in de vergadering van 8 juli 2004 niet heeft geageerd tegen het rapport, alhoewel zij dit rapport enkele dagen eerder had ontvangen en zich derhalve op de vergadering had kunnen voorbereiden. Dat het voor eiseres, zoals zij heeft betoogd, politiek gezien niet mogelijk was om kritiek te uiten op dit rapport is door haar niet summierlijk aannemelijk gemaakt. Ook in de openbare raadsvergadering van 12 juli 2004 heeft eiseres geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van het rapport. Weliswaar heeft zij - als burgemeester - niet deelgenomen aan de stemming, waarbij de raad de conclusies en de aanpak van het rapport unaniem heeft onderschreven, doch zij heeft ook niet geageerd tegen dit rapport. Integendeel, blijkens de notulen van deze vergadering heeft eiseres namens het college aangegeven dat zij “in het rapport voldoende aanleiding ziet om de schouders te zetten onder de daarin gedane aanbevelingen”. Uit de notulen van de raadsvergadering van 12 juli 2004 blijkt verder dat de discussie over het rapport van gedaagde zich met name heeft toegespitst op de verhoudingen tussen de raad, het college en de ambtelijke leiding en het (gebrek aan) onderling vertrouwen. Gelet op deze notulen en de formulering van de motie van wantrouwen is de voorzieningenrechter niet gebleken dat hetgeen in het rapport is aangegeven over de financiële stand van zaken rond de grote projecten de aanleiding vormde voor het indienen en aanvaarden van de motie van wantrouwen. Deze motie moet naar voorlopig oordeel - gelet op de bestaande politieke crisis - veeleer in verband worden gebracht met het gebrek aan vertrouwen tussen de raad en het college en de onvrede van de raad omtrent de reactie van het college op het rapport. Voorshands is derhalve niet aannemelijk dat causaal verband bestaat tussen het uiteindelijke vertrek van eiseres als burgemeester en hetgeen in het rapport omtrent de grote projecten is vermeld. Bij gebrek aan causaal verband kan derhalve niet geoordeeld worden dat de schade die eiseres stelt te lijden het gevolg is van hetgeen in het rapport van gedaagde is aangegeven over de grote projecten. Nu eiseres met name wenst dat de door haar in de dagvaarding genoemde personen door gedaagde worden gehoord omdat onjuist over de grote projecten zou zijn gerapporteerd, dient haar vordering, nu causaal verband tussen de door haar gestelde schade en het rapport niet kan worden vastgesteld, ook om deze reden te worden afgewezen.

4.5

Gelet op het voorgaande wordt de vordering van eiseres afgewezen. Eiseres zal, als de in het ongelijk gesteld partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5

De beslissing

5.1

wijst de vordering af;

5.2

veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van gedaagde begroot op € 816,--,--voor salaris van haar procureur en op € 244,-- aan griffierecht;

5.3

verklaart onderdeel 5.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op donderdag 30 juni 2005.