Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AT8472

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-06-2005
Datum publicatie
30-06-2005
Zaaknummer
Kort geding nr. 195065/KG ZA 05-492/YT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Sinds 2000 heeft SBS op de televisiezender Net5 ieder jaar de succesvolle tv-serie Expeditie Robinson uitgezonden. Vorig jaar is SBS begonnen met de voorbereiding van een nieuwe serie voor dit jaar. Intussen is de licentie voor die nieuwe serie verleend aan Talpa, eigendom van John de Mol. Talpa is ook begonnen met de voorbereiding van de nieuwe serie.

Het vonnis bepaalt dat SBS de licentierechten op het programma verliest. Talpa mag de voorbereidingen voor ‘Expeditie Robinson’ dus voortzetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kort geding nr. 195065/KG ZA 05-492/YT

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

VONNIS van de voorzieningenrechter in kort geding in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SBS BROADCASTING B.V. ,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

e i s e r e s,

procureur: mr. B.F. Keulen,

advocaat: mr. J.C.H. van Manen te Amsterdam,

- t e g e n -

1. de vennootschap naar buitenlands recht

STRIX TELEVISION AB,

gevestigd te Stockholm, Zweden,

procureur: mr. I.M. Jebbink,

advocaten: mr. H.E. Schweers en mr. A. Oorthuys, beiden te Rotterdam,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

CASTAWAY TELEVISION PRODUCTIONS Ltd,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

procureur: mr. E.H. de Jonge-Wiemans,

advocaat: mr. H.W. Wefers Bettink te Amsterdam,

3. de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TALPA TV B.V.,

gevestigd te Amstelveen en kantoorhoudende te Naarden,

procureur: mr. J.M. van Noort,

advocaten: mr. J.A. Schaap en mr. J. van Slooten, beiden te Amsterdam.

De eisende partij wordt hierna aangeduid als SBS. De gedaagde partijen worden verder gezamenlijk aangeduid als Strix c.s. en afzonderlijk als respectievelijk Strix AB, Castaway en Talpa.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- twee gelijkluidende dagvaardingen, elk van 19 mei 2005, waarvan er één in fotokopie aan dit vonnis is gehecht;

- mondelinge behandeling op 15 juni 2005;

- pleitnota en producties van SBS;

- pleitnota en producties van Strix AB;

- pleitnotities en producties van Castaway;

- pleitnota en producties van Talpa.

1.2. Partijen hebben vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1. SBS heeft in de jaren 2000 tot en met 2004 ieder jaar in Nederland en België de uitzending verzorgd van het televisieprogramma “Expeditie Robinson”. Het programma bestond telkens uit een serie van dertien afleveringen en betrof een wedstrijd waarin de deelnemers onder extreme omstandigheden streden om de eerste plaats.

2.2. De rechten op het idee en de uitwerking daarvan in een zogeheten format voor het programma “Expeditie Robinson” berusten bij Castaway. Castaway heeft in de genoemde jaren steeds voor elke serie afzonderlijk aan Strix AB een licentie verleend voor het gebruik van het format ten behoeve van de productie en uitzending van “Expeditie Robinson” in diverse landen.

2.3. Strix AB heeft op haar beurt aan SBS ieder jaar een licentie verleend voor gebruik van het format voor de productie van ”Expeditie Robinson” in het Nederlands en in het Vlaams en voor de uitzending van het programma in Nederland en België. De overeenkomst waarin die licentie is vastgelegd, wordt hierna aangeduid als de Format Agreement. Daarnaast heeft Strix AB voor de uitvoering van die productie ieder jaar met SBS een overeenkomst gesloten waarin de gezamenlijke uitvoering van de productie is geregeld en waarin nogmaals het exclusieve recht van SBS op het uitzenden van het programma is vastgelegd. Deze overeenkomst wordt hierna aangeduid als de Broadcast Agreement.

2.4. In juli 2004 heeft SBS aan Strix AB bericht dat zij voor 2005 opnieuw een serie afleveringen van “Expeditie Robinson” wilde gaan maken en uitzenden. Strix AB heeft hierop positief gereageerd en heeft in overleg met SBS een budget voor de productie van de nieuwe serie opgesteld.

2.5. Talpa wordt bestuurd door John de Mol. Talpa is bezig met het opzetten van een nieuwe televisiezender die in augustus 2005 haar uitzendingen zal beginnen.

2.6. Eind oktober 2004 heeft R. van Westerloo, programmadirecteur bij SBS, hierna te noemen: Van Westerloo, zijn dienstverband met SBS opgezegd om als programma-directeur bij Talpa in dienst te treden. Zijn arbeidsovereenkomst met SBS is op 1 februari 2005 geëindigd. In die arbeidsovereenkomst was een geheimhoudings-verplichting en een non-concurrentiebeding opgenomen. Van Westerloo was bij SBS onder meer verantwoordelijk voor het programma “Expeditie Robinson”.

2.7. Eind december 2004 heeft E.-P. Hasselbach zijn dienstverband met SBS opgezegd. Zijn arbeidsovereenkomst is op 1 februari 2005 geëindigd. In deze overeenkomst was een geheimhoudingsverplichting opgenomen. E.-P. Hasselbach heeft in de jaren dat het programma “Expeditie Robinson” door SBS is uitgezonden, steeds het programma gepresenteerd en de organisatie van de serie verzorgd. Hij is na zijn dienstverband met SBS bij Talpa in dienst getreden.

2.8. In de loop van januari 2005 is bekend geworden dat Castaway de licentie betreffende “Expeditie Robinson” voor Nederland en België voor 2005 aan Talpa had verleend.

2.9. Op enig moment is Talpa met Strix AB overeengekomen dat de productie van “Expeditie Robinson” voor 2005 door Strix AB wordt uitgevoerd.

3. Het geschil en de beoordeling ervan

3.1. Nu Strix AB en Castaway als gedaagden gevestigd zijn op het grond-gebied van een andere staat dan Nederland en de vorder-ing uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, moet aller-eerst de vraag worden beantwoord of de Neder-landse rechter bevoegd is van deze vordering kennis te nemen. Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord en wel op grond van artikel 6 van de in dezen toepasselijke EEX-verordening, nu Talpa als gedaagde in Nederland is gevestigd en de vorderingen jegens ieder van Strix c.s. verband houden met de licentierechten voor het programma “Expeditie Robinson”, zodat er sprake is van een nauw verband tussen die vorderingen als bedoeld in het genoemde verordeningsartikel. Bovendien gaat het om voorlopige maatregelen als bedoeld in artikel 31 van de EEX-verordening, zodat ook op die grond de Nederlandse rechter bevoegd is. Daaraan kan niet in de weg staan dat SBS en Strix AB in de thans nog lopende overeenkomsten een arbitragebeding naar Zweeds recht hebben opgenomen respectievelijk de rechter in Engeland en Wales als bevoegde rechter hebben aangewezen, nu Strix c.s. desgevraagd ter zitting hebben verklaard dat zij op dat arbitragebeding en op die forumkeuze geen beroep doen.

3.2. Ten aanzien van het op de onderhavige vordering toepasselijke recht wordt het volgende overwogen. SBS en Strix AB hebben in de genoemde, thans nog lopende overeenkomsten het Zweedse recht van toepassing verklaard. SBS heeft de toepassing van dit recht op de rechtsverhouding tussen SBS en Strix AB schriftelijk en ook mondeling ter zitting doen toelichten door een Zweedse rechtsgeleerde, terwijl ook Strix AB op dat punt een schriftelijke toelichting door een Zweedse rechtsgeleerde heeft overgelegd. Vastgesteld wordt dat het Zweedse recht op de hier van belang zijnde punten niet wezenlijk verschilt van het Nederlandse recht, zodat hierna niet afzonderlijk op het Zweedse recht behoeft te worden ingegaan. Ten aanzien van Castaway geldt dat de vordering jegens haar is gebaseerd op een onrechtmatige daad, zodat daarop de Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad (WCOD) van toepassing is. Op grond van artikel 3, lid 2, WCOD is in dit geval het Nederlandse recht van toepassing, nu het door SBS gestelde onrechtmatige handelen van Castaway ziet op een licentie voor een onder meer in Nederland uit te zenden televisieprogramma, zodat dat handelen van Castaway in Nederland zijn inwerking heeft.

3.3. Voor de volledige inhoud en de grondslagen van de vor-dering wordt verwezen naar de aangehechte dagvaarding. Ter zitting heeft SBS haar eis verminderd. De aldus verminderde vordering valt uiteen in meerdere onderdelen, die zowel Strix c.s. gezamenlijk als één van hen afzonderlijk betreffen.

Kort weergegeven vordert SBS jegens Strix c.s. gezamenlijk het volgende:

1) Strix c.s. moeten ieder de productie van de nieuwe serie van het programma “Expeditie Robinson” of hun medewerking aan die productie staken en zij moeten afzien van het openbaar maken van dat programma of delen daarvan in Nederland en België;

hetzij

2) Strix AB en Castaway moeten in onderhandeling treden met SBS over een licentie voor “Expeditie Robinson” geldend in Nederland en België en aan Talpa moet worden verboden gedurende die onderhandelingen het programma “Expeditie Robinson” uit te zenden;

hetzij

3) Strix c.s. moeten de onder 1) bedoelde productie en uitzending van “Expeditie Robinson” in Nederland en België achterwege laten gedurende de looptijd van de thans geldende overeenkomsten tussen SBS en Strix AB, derhalve tot en met december 2005;

hetzij

4) Strix c.s. moeten de uitzending van “Expeditie Robinson” in Nederland en België achterwege laten gedurende de onder 3) bedoelde looptijd, derhalve tot en met december 2005.

Jegens Strix AB vordert SBS, eveneens kort weergegeven, het volgende:

5) Aan Strix AB moet worden verboden mee te werken aan de productie van “Expeditie Robinson”, waarvan de uitzending door Talpa in Nederland en België wordt beoogd;

hetzij

6) Strix AB moet ofwel met SBS een co-productieovereenkomst aangaan voor de productie van de nieuwe serie van “Expeditie Robinson” ofwel over die co-productie met SBS in onderhandeling treden.

Ten aanzien van Castaway vordert SBS, kort weergegeven, het volgende:

7) Castaway moet met onmiddellijke ingang de overeenkomst beëindigen die zij met Talpa heeft gesloten betreffende de rechten voor “Expeditie Robinson” voor Nederland en België.

Ten aanzien van Talpa vordert SBS het volgende:

8) Talpa moet met onmiddellijke ingang aan SBS alle informatie afgeven die zij via de voormalige werknemers van SBS heeft ontvangen en die betrekking heeft op “Expeditie Robinson”, waaronder ook contracten betreffende eerdere series van “Expeditie Robinson”, en zij moet voorts alle kopieën die zij van de bedoelde informatie in haar bezit heeft of heeft opgeslagen, vernietigen en uit haar (computer)systemen verwijderen; en

9) Aan Talpa moet worden verboden tot 1 augustus 2005 gebruik te maken van de diensten van Van Westerloo voor zover het gaat om werkzaamheden die “Expeditie Robinson” betreffen.

Voorts vordert SBS nog:

10) Aan de vorderingen vermeld onder 1) tot en met 9) moet een nader omschreven dwangsom worden verbonden;

11) Strix c.s. moeten aan SBS een bedrag van € 150.000,-- betalen als voorschot op de schadevergoeding die zij volgens SBS aan haar verschuldigd zijn.

3.4. De stellingen van SBS en het verweer van Strix c.s. komen in het volgende voor zoveel nodig aan de orde.

3.5. Voor zover Strix c.s. ieder als meest vérstrekkend verweer hebben aangevoerd dat SBS geen belang, althans geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering, moet dit verweer worden verworpen. SBS heeft immers onweersproken gesteld dat Strix AB en Talpa binnenkort reeds beginnen met de opnamen voor de nieuwe serie van “Expeditie Robinson”, zodat SBS er een evident en voldoende spoedeisend belang bij heeft te weten of Strix AB en Talpa daartoe gerechtigd zijn, nu zij stelt dat het recht daarop aan haar zelf toekomt.

3.6. Inhoudelijk stelt SBS als grond voor de in 3.3 onder 1) tot en met 7) vermelde onderdelen van haar vordering dat Strix c.s. in een gezamenlijke actie tegen haar, SBS, hebben samengespannen met als doel zich zelf voordelen te verschaffen door aan SBS het produceren en uitzenden van het succesvolle televisieprogramma “Expeditie Robinson” te ontnemen. SBS stelt daartoe nader dat Strix AB aan die gezamenlijke actie heeft bijgedragen door met opzet haar verplichtingen jegens SBS niet na te komen en tevens in strijd met die verplichtingen onderhandelingen te entameren tussen Castaway en Talpa over de licentierechten voor een nieuwe serie van “Expeditie Robinson”, terwijl Castaway en Talpa van die handelwijze van Strix AB hebben geprofiteerd op een wijze die volgens SBS onrechtmatig jegens haar is.

3.7. Deze stellingen van SBS kunnen niet worden aanvaard. Daarvoor is het volgende van belang.

3.8. Volgens SBS ligt de handelwijze van Strix AB aan de basis van de gestelde gezamenlijke actie. Overwogen wordt dat de verplichtingen waaraan Strix AB volgens SBS niet heeft voldaan of waarmee haar handelen in strijd zou zijn, vooralsnog - anders dan SBS heeft gesteld - niet gebaseerd kunnen worden op een reeds tot stand gekomen overeenkomst inzake een nieuwe serie van “Expeditie Robinson” in 2005, nu daarover ook volgens de stellingen van SBS nog niet op alle essentiële punten - waaronder ook de prijs - overeenstemming was bereikt.

3.9. Wel geldt dat Strix AB ook volgens haar eigen stellingen aanvankelijk ervan is uitgegaan dat zij de nieuwe serie voor 2005 in samenwerking met SBS zou gaan produceren. Blijkens de correspondentie tussen Strix AB en SBS - die door SBS is overgelegd en door Strix AB niet is weersproken - hebben Strix AB en SBS over die nieuwe serie overleg gevoerd, welk overleg als onderhandelingen moet worden aangemerkt. Ook blijkt uit die correspondentie dat Strix AB voor de productie van die nieuwe serie reeds een budget heeft opgesteld. SBS en Strix AB zijn het erover eens dat Strix AB op haar genoemde, aanvankelijke uitgangspunt is teruggekomen en de onderhandelingen met SBS heeft gestaakt, nadat zij had vernomen dat Van Westerloo, programmadirecteur bij SBS en tevens verantwoordelijk voor “Expeditie Robinson”, bij SBS zou vertrekken en bij Talpa in dienst zou treden. De vraag rijst dan of het Strix AB toen nog wel vrij stond zich uit de onderhandelingen met SBS terug te trekken. Gezien de omstandigheden, met name de voorafgaande jarenlange samenwerking en de inhoud van de reeds gevoerde onderhandelingen over de nieuwe serie, valt in ieder geval niet uit te sluiten dat Strix AB die onderhandelingen niet meer kon afbreken zonder schadeplichtig te worden. Indien wordt aangenomen dat Strix AB in zoverre niet aan haar verplichtingen jegens SBS heeft voldaan, is van belang dat zij, Strix AB, ter rechtvaardiging daarvan heeft aangevoerd (i) dat door het vertrek van Van Westerloo bij SBS, gezien de grote invloed van een programmadirecteur en het risico dat meer medewerkers van SBS hem naar Talpa zouden volgen, onzekerheid was ontstaan over de toekomst van “Expeditie Robinson” bij SBS, en (ii) dat daardoor voor haar een belangenconflict ontstond, waarin zij noodgedwongen voor de belangen van haarzelf en van Castaway heeft moeten kiezen, aldus nog steeds Strix AB. Of deze reden voor het afbreken van de onderhandelingen Strix AB zou kunnen ontheffen van haar - eventuele - schadevergoedingsplicht, kan hier in het midden blijven, doch die reden brengt wel mee dat naar voorlopig oordeel bij het afbreken van de onderhandelingen niet de door SBS gestelde boze opzet van Strix AB, te weten het oogmerk om SBS te benadelen, heeft voorgezeten. SBS heeft die redengeving van Strix AB immers niet of onvoldoende weersproken en heeft voor het overige haar vermoedens die op de gestelde boze opzet van Strix AB zouden wijzen, onvoldoende onderbouwd. Evenmin is aannemelijk dat Strix AB, zoals SBS verder nog heeft gesteld, met de bedoelde boze opzet onderhandelingen tussen Castaway en Talpa heeft geëntameerd. Immers, het feit dat Strix AB met Castaway en Talpa over de mogelijkheid van een licentieverlening aan Talpa heeft gesproken, kan op zich zelf de bedoelde boze opzet van Strix AB niet inhouden, nu immers niet onbegrijpelijk is dat bij Strix AB ongerustheid over de toekomst van “Expeditie Robinson” was ontstaan toen bleek dat Van Westerloo, die ook volgens SBS zelf de stuwende kracht achter “Expeditie Robinson” was, naar Talpa was overgegaan.

3.10. SBS stelt verder dat Strix AB niet heeft voldaan aan bepaalde verplichtingen die voor haar voortvloeien uit de thans nog lopende overeenkomsten, te weten artikel 16 Broadcast Agreement en artikel 8.1 Format Agreement. Gelet op de betekenis die SBS aan deze bepalingen toekent en op de betwisting van die betekenis door Strix AB moet worden vooropgesteld dat volgens vaste rechtspraak een contractsbepaling niet behoeft te worden uitgelegd indien de formulering daarvan geen ruimte laat voor twijfel. In dit geval kan er naar voorlopig oordeel geen twijfel over bestaan dat aan artikel 16 Broadcast Agreement geen verdere betekenis toekomt dan dat daarin een regeling is getroffen voor het geval dat Strix AB dan wel SBS rechtstreeks of via “any affiliated company or other partner” het recht verkrijgt de zesde serie van “Expeditie Robinson” te produceren en uit te zenden. Bij een indirecte rechtsverkrijging moet het derhalve gaan om een partij die nauw met Strix AB dan wel met SBS verbonden is. De uitdrukking “any affiliated company or other partner” zou immers zonder zin zijn, indien daaronder elke willekeurige derde verstaan zou moeten worden. Nu Talpa niet in de bedoelde zin met Strix AB of met SBS is verbonden, moet artikel 16 Broadcast Agreement buiten toepassing blijven. Artikel 8.1 Format Agreement kan in dit geval geen toepassing vinden, omdat Strix AB haar recht op het produceren van de nieuwe serie niet van Castaway als “rights holder”, maar van Talpa als licentiehouder heeft verkregen. Dat deze wijze van overeenkomen enkel bedoeld was om de onderhavige regeling van artikel 8.1 Format Agreement te omzeilen - zoals SBS heeft gesteld - is op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

3.11. SBS beroept zich verder nog op de looptijd van de Broadcast Agreement en de Format Agreement, die pas op 31 december 2005 eindigen. Daaruit volgt volgens SBS dat het exclusieve recht dat in die overeenkomsten aan haar is verleend, nog tot de genoemde datum geldig is en dat op die grond Strix AB gehouden is tot aan die datum (i) “Expeditie Robinson” alleen door SBS te laten uitzenden en (ii) niet mee te werken aan de productie van “Expeditie Robinson” voor 2005. SBS ziet er echter aan voorbij dat de geldende overeenkomsten betrekking hebben op de reeds geproduceerde en uitgezonden serie afleveringen van 2004 en dat volgens de onweersproken stelling van Strix AB de langere looptijd uitsluitend ten behoeve van de uitzending van herhalingen is opgenomen.

3.12. Voor zover uit het voorgaande nog niet zonder meer zou volgen dat er onvoldoende grond bestaat voor de georchestreerde samenwerking tegen SBS zoals door SBS gesteld, wordt overwogen dat ook de onrechtmatige wijze van profiteren waarmee Castaway en Talpa volgens SBS aan die samenwerking hebben bijgedragen, onvoldoende aannemelijk is geworden. Niet valt in te zien op welke grond Castaway gehouden zou zijn de licentierechten voor een nieuwe serie opnieuw aan Strix AB te verlenen of daarover uitsluitend met Strix AB in onderhandeling te treden, nu Castaway en Strix AB de licentieovereenkomsten tot nu toe telkens uitdrukkelijk voor één serie afleveringen van “Expeditie Robinson” hebben gesloten en niet is gesteld of gebleken dat Castaway desondanks voor de nieuwe serie aan Strix AB gebonden zou zijn. Evenmin valt in te zien op welke grond Talpa niet rechtstreeks met Castaway in onderhandeling zou mogen treden of een overeenkomst zou mogen sluiten. SBS heeft gesteld doch op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat met die rechtstreekse overeenkomst tussen Castaway en Talpa enkel beoogd was de verplichtingen tussen haar, SBS, en Strix AB uit de thans nog lopende overeenkomsten te omzeilen.

3.13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de onderdelen van de vordering zoals hiervoor in 3.3 vermeld onder 1) tot en met 7), niet voor toewijzing vatbaar zijn.

3.14. Thans moet nog een oordeel worden gegeven over de vordering jegens Talpa vermeld in 3.3 onder 8) en 9).

3.15. SBS vordert allereerst dat Talpa informatie betreffende “Expeditie Robinson” moet afgeven of vernietigen. SBS baseert haar vordering op dit punt op de geheimhoudings-verplichting waaraan haar vroegere werknemers die naar Talpa zijn overgegaan, gebonden zijn. SBS heeft echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat informatie door vroegere werknemers aan Talpa is verstrekt, zodat de vordering op dit punt niet toewijsbaar is.

3.16. Voor zover SBS vordert dat Talpa tot 1 augustus 2005 geen gebruik mag maken van de diensten van Van Westerloo voor zover het “Expeditie Robinson” betreft, wordt het volgende overwogen. Volgens SBS heeft Talpa jegens haar, SBS, onrechtmatig geprofiteerd van de handelwijze van Van Westerloo, die in strijd met zijn concurrentiebeding bij Talpa in dienst is getreden. Echter, noch uit de stellingen van SBS, noch uit de door haar overgelegde stukken blijkt (i) dat zij Van Westerloo op enig moment aan zijn concurrentiebeding heeft gehouden en (ii) dat zij Talpa eerder dan bij dagvaarding in dit kort geding heeft laten weten dat zij op grond van dat concurrentiebeding bezwaar maakte tegen de indiensttreding van Van Westerloo bij Talpa, althans tegen werkzaamheden van Van Westerloo ten behoeve van “Expeditie Robinson”. Indien echter veronderstellenderwijze wordt aangenomen dat SBS desondanks dat concurrentiebeding thans, vijf maanden na het einde van het dienstverband van Van Westerloo, nog mag inroepen en indien voorts wordt aangenomen dat dit concurrentiebeding - anders dan Talpa heeft bepleit - doorloopt tot zes maanden na het formele einde van het dienstverband op 1 februari 2005, dan geldt dat dit beding nog loopt tot 1 augustus 2005 en dat de voorziening op dit punt dus voor de duur van één maand wordt gevraagd. Voor deze korte termijn moet toewijzing van de voorziening, gezien de genoemde omstandigheden en de wederzijdse belangen, buitenproportioneel worden geacht. De vordering is op dit punt dan ook niet toewijsbaar.

3.17. SBS heeft voorts nog een bedrag van € 150.000,-- gevorderd als voorschot op vergoeding van de schade die zij stelt door toedoen van Strix c.s. te hebben geleden.

3.18. Op dit punt moet worden vooropgesteld dat de gevraagde voorziening strekt tot beta-ling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan aanleiding, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling - bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.

3.19. In dit geval heeft SBS niets gesteld waaruit zou kunnen blijken dat zij een spoedeisend belang heeft bij betaling van het gevorderde bedrag, terwijl volgens vaste rechtspraak bij een geldvordering een nadere onderbouwing van die spoedeisendheid is vereist. Reeds om die reden kan het gevorderde bedrag dan ook niet worden toegewezen.

3.20. Nu al het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen van de onderdelen van de vordering tot toewijzing kan leiden, zal de vordering worden afgewezen.

3.21. SBS zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

4.1. wijst de vordering af;

4.2. veroordeelt SBS in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Strix AB begroot op € 816,-- voor salaris van haar procu-reur en op € 244,-- voor verschotten, aan de zijde van Castaway eveneens begroot op € 816,-- voor salaris van haar procu-reur en op € 244,-- voor verschotten en tenslotte ook aan de zijde van Talpa begroot op € 816,-- voor salaris van haar procu-reur en op € 244,-- voor verschotten;

4.3. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. van Veen en is in het openbaar uit-gesproken op 30 juni 2005.

w.g. griffier w.g. rechter