Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AT6312

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
31-05-2005
Zaaknummer
369811 CV EXPL 04-5632
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Colectieve actie vakbonden.

Bedrijfsautoregelng aangemerkt als (primaire of secundaire) arbeidsvoorwaarde.

Eenzijdige wijziging arbeidsvoorwaarden in de zin van artikel 7:613 BW. Geen zwaarwichtig belang aan de zijde van werkgever. Toerekenbaar niet nakomen door werkgever van de arbeidsovereenkomst met werknemers die het gebruik hadden van een lease-auto.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 613
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2005, 114
JAR 2005/139
XpertHR.nl 2010-366497
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

SECTOR KANTON, LOCATIE AMERSFOORT

Vonnis in de zaak van:

1. de vereniging FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Amsterdam,

2. de vereniging CNV DIENSTENBOND,

gevestigd te Hoofddorp, gem. Haarlemmermeer,

verder gezamenlijk ook te noemen: de bonden,

eisende partijen,

gemachtigde: mr. S. Meijer-Pieneman, juriste bij FNV Bondgenoten,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RAET B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amersfoort,

verder ook te noemen: Raet,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. L.M. van der Sluis, advocaat te Utrecht.

1. Verloop van de procedure

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- de dagvaarding met producties van de bonden;

- de conclusie van antwoord van Raet met producties;

- de conclusie van repliek van de bonden met producties;

- de conclusie van dupliek van Raet met producties.

Hierna is uitspraak bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1

Raet is rechtsopvolgster van diverse vennootschappen, waaronder Raet N.V. en Getronics.

2.2

Het behoort tot de statutaire en maatschappelijke taak van de bonden om op te komen voor de belangen van werknemers, in het bijzonder hun leden. De bonden organiseren onder andere leden in de Diensten/ICT-sector en werkzaam bij Raet en de bonden behartigen hun belangen.

2.3

Naast het bepaalde in de (individuele) arbeidsovereenkomsten met haar werknemers, worden de arbeidsvoorwaarden beheerst door de Bedrijfsregeling Arbeidsvoorwaarden RAET (BAR).

2.4

Artikel 2.6 van de BAR luidt als volgt:

2.6 Regeling bedrijfsauto's en privé-motorvoertuigen

2.6.1 Bedrijfsauto's

Aan de medewerker kan, ter beoordeling van de directie, een bedrijfsauto ter beschikking worden gesteld, indien dit gezien het ambulante karakter van de functie voor de bedrijfsuitoefening doelmatig is. Een exemplaar van deze regeling ligt ter inzage bij de afdeling HRM. De medewerker komt slechts in aanmerking voor een bedrijfsauto als voldaan wordt aan één van de volgende criteria:

? De medewerker is een buitendienstmedewerker;

? De medewerker rijdt meer dan 15.000 zakelijke kilometers per jaar, dat wil zeggen buiten de woon-werk kilometers.

Met deelnemers aan de bedrijfsautoregeling wordt een gebruiksovereenkomst voor een bedrijfsauto afgesloten. De deelnemers ontvangen tevens een exemplaar van de bedrijfsautoregeling.

(…).

2.5

De “bedrijfsautoregeling” bedoeld in artikel 2.6 van de BAR is de Bedrijfsautoregeling van Getronics Holding Nederland van 1 juli 2002, welke onder meer het volgende inhoudt:

3 Toekenningsvoorwaarden

3.1 Een medewerker komt in aanmerking voor toekenning van een bedrijfsauto indien dit naar het oordeel van werkgever gezien het ambulante karakter van de functie van medewerker voor de bedrijfsuitoefening doelmatig is.

3.2 (…)

3.3 Per Divisie kunnen nadere (bedrijfsspecifieke) toekenningsvoorwaarden worden vastgesteld.

(…)

5 Functiewijziging

Functiewijzigingen, waarbij het voldoen aan de toekenningsvoorwaarden niet in het geding is, hebben in het algemeen geen wijziging van bedrijfsauto tot gevolg tot het moment dat het leasecontract voor de desbetreffende bedrijfsauto eindigt, tenzij de werkgever anders beslist. (…)

Indien door functiewijziging niet meer aan de toekenningsvoorwaarden wordt voldaan eindigt de deelname aan de bedrijfsautoregeling.

(…)

13 Gebruik bedrijfsauto

13.1 De deelnemer krijgt de bedrijfsauto ter beschikking voor de uitoefening van zijn functie.

(…)

14 Privégebruik

14.1 De deelnemer mag de bedrijfsauto voor privé-doeleinden gebruiken.

(…)

18 Kosten

18.1 Voor rekening van het bedrijf komen de kosten van:

a aanschaf;

b. onderhoud en reparatie;

c. banden;

d. brandstof;

e. olie en smeermiddelen;

f. WA + Cascoverzekering;

g. motorrijtuigenbelasting.

18.2 Voor rekening van de deelnemer komen de kosten van:

a. boetes, bekeuringen, sleepkosten en gerelateerde kosten als gevolg van overtredingen;

b. stalling;

c. parkeergelden;

d. kosten van wassen en poetsen;

e. kosten van het schoonhouden van het interieur.

(…)

26 Beëindiging

(…)

26.2 De deelname aan de bedrijfsautoregeling zal voortijdig worden beëindigd wanneer:

(…)

b. de deelnemer niet meer voldoet aan de toekenningsvoorwaarden; de werkgever behoudt zich het recht voor in dat geval een voorziening voor afbouw te treffen;

(…)

28 Afsluitende bepalingen

28.1 Deze bedrijfsautoregeling is een bedrijfsregeling. Werkgever kan derhalve de bedrijfsautoregeling eenzijdig wijzigen of laten vervallen. Voor een dergelijke wijziging of intrekking gelden de overlegprocedures zoals vastgesteld met COR/OR-en

De deelnemers worden bij wijziging of het vervallen van onderhavige regeling hiervan tijdig schriftelijk in kennis gesteld.

(…)

2.6

Bij brief van 2 februari 2004 heeft Raet het volgende medegedeeld aan haar medewerkers:

“In december 2003 hebben de bestuurder en de ondernemingsraad een akkoord bereikt over de arbeidsvoorwaarden van 2004. ( ... ). Op basis van deze afspraken en op voorstel van uw direct leidinggevende, zijn uw primaire arbeidsvoorwaarden voor 2004 als volgt samengesteld.

(…)

Regeling bedrijfsauto

Met ingang van 1 januari 2004 wordt u een bedrijfsauto categorie 2A ter beschikking gesteld volgens de geldende Bedrijfsautoregeling.”

2.7

Bij brief van 16 juli 2001 deelde (een rechtsvoorganger van) Raet aan een harer personeelsleden mee:

“In verband met een upgrading van de secundaire arbeidsvoorwaarden op basis van externe marktomstandigheden doet het ons een genoegen u hierbij het volgende te kunnen meedelen.

Op basis van uw huidige functie van Informatieanalyst/Projectleider 2 worden uw arbeidsvoorwaarden per 1 augustus 2001 als volgt vastgesteld.

Bedrijfsauto

Voor de uitoefening van uw huidige functie wordt door de onderneming een bedrijfsauto categorie 2A ter beschikking gesteld volgens de geldende Bedrijfsautoregeling van Gerronics Holding Nederland (…).

Wij wijzen u er in het bijzonder op dat het ter beschikking stellen van de bedrijfsauto direct verbonden is aan het uitoefenen van de genoemde functie en wel zolang dat voor die uitoefening noodzakelijk is en de functie door u tenminste volgens verwachting wordt vervuld. (…).”

2.8

Bij memo van 10 november 2003 heeft de bestuurder van Raet aan de OR

“een voorstel gedaan met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden 2004 op de volgende onderwerpen

1. loonsomruimte

2. verlofdagen

3. bedrijfsautoregeling

4. regeling kinderopvang

5. regeling zakelijke km privé auto

Hoewel de bedrijfsautoregeling en de regeling kinderopvang niet instemmingsplichtig zijn, willen wij deze toch in het overleg brengen omdat zij van groot belang geacht worden voor onze medewerkers. (…).”

3. Bedrijfsautoregeling

(…)

Verder is bij Raet vastgesteld dat de totale leasekosten sterk oplopen door een te grote groei van lease auto’s, vooral bij personen die geen directe externe zakelijke functie hebben.

In het nieuwe salarishuis zullen hiervoor aanpassingen gemaakt moeten worden met betrekking tot. Aanwijzing en categorieën. Alleen bij totale verlaging van de kosten kan er overgegaan worden tot aanpassing van de leasevergoedingen. (…)”

2.9

Op 16 februari 2004 heeft Raet de volgende brief gestuurd aan haar personeel:

“Recent is door de Directie besloten om de toewijzingscriteria ten aanzien van de bedrijfsautoregeling Raet bv te herzien.

De aanleiding van deze herziening is gelegen in het feit dat de kosten voor Raet bv met betrekking tot de bedrijfsautoregeling in relatie tot de aard van het werk als organisatie te hoog worden. Om een heldere en eenduidige toepassing te krijgen van deze regeling heeft de Directie besloten om de toewijzingscriteria met name vanuit een functioneel oogpunt te herzien.

Concreet houdt dit in dat medewerkers een bedrijfsauto toegewezen krijgen ten behoeve van hun functie-uitoefening, te weten externe mobiliteit naar klanten (extern), dan wel medewerkers die een bedrijfsauto toegewezen krijgen als secundaire arbeidsvoorwaarde (intern).

Definitie in- en externe medewerkers:

De volgende definitie wordt gehanteerd bij de bepaling van interne- en externe medewerker:

? Een functie met meer dan 15.000 km per jaar gereden zakelijke kilometers, buiten de zakelijk gereden woon- werkkilometers.

Of:

? Meer dan 1000 billable uren op jaarbasis

Deze ontwikkelingen hebben tot gevolg dat de toewijzingscriteria met ingang van 16 februari 2004 er als volgt uit zien:

Aanpassing toewijzingseriteria bedrijfsauto's 2004:

Zie: Bijlage 1 leasecategorieën Raet bv, 16 februari 2004.

Consequenties:

Deze aanpassing van de toewijzingscriteria heeft concreet de volgende consequenties:

1. Bij aanbiedingen voor nieuwe medewerkers worden met ingang van 16 februari 2004 bovenstaande toewijzingscriteria direct toegepast worden.

2. Huidige medewerkers die in dienst waren voor 16 februari 2004, kunnen reeds contractueel vastgelegde leasecontracten uitrijden voor de duur van het afgesloten contract. Na het uitrijden van het huidige leasecontract zal de eventuele nieuwe aanvraag op basis van het nieuwe toewijzingscriterium worden toegepast.

3. Medewerkers die per 16 februari 2004 nog in de proeftijd zitten, mogen indien de proeftijd succesvol wordt doorlopen, de afgesproken leasecategorie nog bestellen en vervallen na het aflopen van dit leasecontract terug in punt 2 die hierboven staat beschreven.

4. Medewerkers die uit hoofde van hun functie naar externe partijen dan wel andere Raet locaties moeten gaan, kunnen bij de Mobiliteitscoördinator een aanvraag doen voor tijdelijk vervoer of een auto lenen van een collega.

5. Medewerkers die op basis van de nieuwe toewijzingscriteria niet meer in aanmerking komen voor een bedrijfsauto, mogen nog gedurende 2 maanden na 16 februari 2004, van het huidige door de werkgever beschikbaar gestelde vervoer gebruikmaken.

6. Bovenstaande punten zijn van toepassing behoudens reeds voor 16 februari 2004 met de werkgever gemaakte en schriftelijk vastgelegde individuele afspraken.

(…)”

2.10

De hiervoor weergegeven brief van 16 februari 2004 is bij brief van 16 maart 2004 als volgt toegelicht:

“Op 16 februari jongstleden is een brief naar alle medewerkers verstuurd die de beschikking hebben over een bedrijfsauto. Naar aanleiding van deze brief is enige onduidelijkheid ontstaan over de interpretatie van de toewijzingscriteria.

Dit schrijven vormt dan ook een toelichting op deze brief.

Tweetal specifieke punten:

A. In punt 2 van de brief staat: “Huidige medewerkers die in dienst waren voor 16 februari 2004, kunnen reeds contractueel vastgelegde leasecontracten uitrijden voor de duur van het afgesloten contract. Na het uitrijden van het huidige leasecontract zal de eventuele nieuwe aanvraag op basis van het nieuwe toewijzingscriterium worden toegepast.”

In punt 5 van de brief staat: "Medewerkers die op basis van de nieuwe toewijzingscriteria niet meer in aanmerking komen voor een bedrijfsauto, mogen nog gedurende 2 maanden na 16 februari 2004, van het huidige door de werkgever beschikbaar gestelde vervoer gebruikmaken”

Een aantal medewerkers heeft aangegeven dat punt 5 het punt 2 tegenspreekt. Voor alle duidelijkheid willen wij nogmaals aangeven wat de inhoud van punt 5 is.

Punt 5 heeft betrekking op de volgende medewerkers:

o Medewerkers waarvan het huidige leasecontract reeds voor 16 februari 2004 was afgelopen, maar geen goedkeuring hebben voor het bestellen van een nieuwe bedrijfsauto.

o Medewerkers die op dit moment in een huurauto rijden als tussenoplossing maar geen goedkeuring hebben voor het bestellen van een nieuwe bedrijfsauto.

B. Daarnaast blijkt de bijlage die bij de brief is verstuurd onduidelijk. In de bijlage is bij een drietal functies een sterretje opgenomen. In principe had achter alle functies een sterretje moeten staan, met uitzondering van de functies waarbij Manager x (intern) of Manager x (extern) staat vermeld. Dit sterretje refereert aan het criterium dat een bedrijfsauto gereden kan worden indien minimaal 15.000 zakelijke kilometers op jaarbasis worden gereden of minimaal 1.000 billable uren op jaarbasis worden gemaakt.

Drietal algemene punten:

A. Het huidige bedrijfsautoreglement blijft onverminderd van toepassing. Bovenstaande toelichting heeft slechts betrekking op de toewijzingscriteria.

B. De Business-Line Directeur tekent voor akkoord aanvraag (incl. toets te verwachten kilometrage dan wel aantal billable uren) en de CEO en Manager HRM tekenen voor akkoord bestelling.

C. Het criterium voor Manager (extern) is meer dan 15.000 kilometer zakelijk of 1000 billable uren. Indien dit criterium niet wordt gehaald, dan is de leasecategorie voor Manager (intern) van toepassing.

(…)”

2.11

Op 20 februari 2004 heeft de OR van Raet het volgende memo gestuurd aan de bestuurder:

“Vanaf woensdag 17 februari j.1. werd de OR met stijgende verbazing geconfronteerd met reacties op een ons onbekende brief met als onderwerp “aanpassing toewijzingscriteria bedrijfsauto's per 16 februari 2004.”

De OR is ontstemd, omdat hiermee uw eigen toezegging van 3 november 2003 teniet is gedaan. In deze brief heeft u aangegeven, de bedrijfsautoregeling dermate van belang te achten, dat u deze in overleg met de OR wilt wijzigen.

Daarnaast heeft de OR zich verbaasd over de duidelijkheid van de brief van 16 februari. Deze blijkt namelijk voor meer uitleg vatbaar. Wat echter niet mis te verstaan is, is dat een flink aantal medewerkers er in (secundaire) arbeidsvoorwaarden op achteruit zal gaan. Tevens wordt de brief afgesloten met de zin: “Indien u vragen heeft naar aanleiding van bovenstaande regeling kunt u terecht bij uw direct leidinggevende.” Uit de reacties van medewerkers én managers begrijpen wij, dat de managers hiervan echter niet op de hoogte zijn. Door de onduidelijkheid is er grote onrust over het bedrijfsautobeleid binnen de organisatie ontstaan.

Niemand (noch de medewerker, noch de manager) weet meer waar hij aan toe is.

De gevolgen hiervan voor de organisatie zijn verstrekkend.

? Medewerkers reageren emotioneel

? Medewerkers worden gedemotiveerd.

? De autoregeling is hét onderwerp van gesprek. waardoor veel tijd verloren gaat

? Medewerkers geven aan te willen gaan solliciteren.

? De directie werkt met deze brief indirect aan de achteruitgang van inkomen en mobiliteit van medewerkers.

De brief van 16 februari geeft als motivatie voor de maatregel aan dat het gaat om een kostenbesparing. We zijn als OR dan ook in hoge mate verbaasd dat de regeling blijkt te worden uitgebreid met de categorieën 4A en 4B. Uit de functiematrix blijkt dat een aanzienlijk aantal mensen juist in een hogere categorie zijn ingedeeld wat naar onze mening tot een kostenverhoging zal leiden.

Tot slot, Raet is een kennisbedrijf. Raet moet het hebben van gemotiveerde medewerkers, die bereid zijn gedurende langere tijd een contract met Raet aan te gaan. Door deze brief van de directie wordt stevig gewerkt aan het tegenovergestelde. Het grote risico hierbij is, dat juist mensen met kennis de organisatie gaan verlaten.

Aanstaande dinsdag hebben wij vanaf 13.50 uur een vergadering aan de Modemweg. Wij verzoeken u dringend bij deze vergadering aanwezig te zijn om nadere uitleg over de genomen maatregel te geven en te reageren op bovenstaande punten.”

2.12

Op 17 en 22 maart 2004 stuurden de bestuurder en de OR elkaar de volgende memo’s:

Aan : Bestuurder Raet [naam bestuurder]

(…)

In vervolg op ons memo van 20 februari inzake de gewijzigde toewijzingscriteria voor bedrijfsauto’s en de door [naam werknemer] gegeven toelichting op onze vergadering van 24 februari willen wij u vriendelijk en dringend verzoeken compenserende maatregelen te treffen voor de medewerkers die nu worden getroffen door het gewijzigde beleid.

Voor de betreffende medewerkers heeft dit grote gevolgen. In veel gevallen zullen zij, zodra zij niet meer de beschikking zullen hebben over een bedrijfsauto, geconfronteerd worden met een grote toename van de reistijd voor woon-werkverkeer. Dit heeft zo goed als zeker een zeer grote impact op het gezinsleven. In veel gevallen is het dienstverband met Raet aangegaan op voorwaarde van het ter beschikking krijgen van een bedrijfsauto. Betreffende medewerkers ervaren de getroffen maatregel als bijzionder onrechtvaardig en zien een belangrijke voorwaarde om bij Raet te werken vervallen.

Daarnaast is het niet meer ter beschikking hebben van een bedrijfsauto, die ook voor privé doeleinden mag worden gebruikt voor maximaal 12.000 kilometer per jaar, een grote financiële aderlating voor de betreffende medewerkers. Daarmee komen we dan toch op het terrein van de arbeidsvoorwaarden. In een aantal gevallen is de bedrijfsauto zelfs uitsluitend als arbeidsvoorwaarde ter beschikking gesteld om op die wijze marktconform te belonen. Ook in de jurisprudentie zijn gevallen bekend waarbij de kantonrechter een bedrijfsautoregeling als die van Raet als secundaire, zelfs primaire arbeidsvoorwaarde interpreteerde. Dit vanwege het ter beschikking hebben van een door de werkgever betaalde bedrijfsauto voor privé gebruik.

Ook voor Raet zien wij belangrijke nadelige effecten van de wijzigingen. Er is weinig begrip voor de maatregel en de gevolgen daarvan voor de medewerkers die het betreft. Dit veroorzaakt grote onrust binnen de organisatie en is het gesprek van de dag. Daarmee gaat veel productiviteit verteren. Ook het aanzien van het management als betrouwbare werkgever heeft daaronder te lijden. Verder vrezen wij het vertrek van een groot aantal medewerkers, en met hen het verlies van kennis en ervaring, die Raet eigenlijk niet kan missen.

In dit verband wijzen wij u er op dat onder veel medewerkers nog niet duidelijk is dat, vanwege de ongelukkige formulering van de brief aan de medewerkers met een bedrijfsauto, ook zij zuilen worden getroffen door het gewijzigde beleid. Daarom verwachten wij nog een toename in omvang en hevigheid van de hierboven genoemde effecten.

Wij kunnen begrip hebben voor de wens voor een stringenter toewijzingsbeleid en voor de noodzaak van kostenbeheersing. Dit mag echter niet ten koste gaan van de medewerkers. Aangezien dat nu wel het geval is, zoals wij hierboven hebben aangetoond, verzoeken wij u vriendelijk en dringend de medewerkers die het betreft een compensatie aan te bieden. Wij denken daarbij met name aan

? de nieuwe toewijzingscriteria niet toepassen op medewerkers die een bedrijfsauto hebben. (…)”

Resp.

Aan : Ondernemingsraad

(…)

Terug naar de periode van 3 jaar geleden constateren we daar een beperkte inzet van bedrijfsauto’s en wel alleen bij management vanaf een bepaalde positie en bij een ieder die deze auto voor zijn werk nodig had.

Specifiek bij PD waren er alleen toegekende bedrijfsauto’s voor management en enkele oudgedienden met een merkwaardige toezegging uit het verleden.

Na de komst van [naam werknemer] is er, mede ingegeven door het Nolan Nortan onderzoek van 1999, een beleid in gang gezet om meer trekkers van PD zich extern te laten oriënteren bij klanten, concurrenten en op beurzen. Op zijn verzoek is hiervoor de mogelijkheid geschapen aan deze medewerkers een lease-auto toe te kennen met het uitdrukkelijke doel zich extern te oriënteren.

We zijn gestart met tussen de 15 en 20 lease-auto's. Eind vorig jaar was dit aantal door gebrek aan controle toegenomen tot 110. Het is ons allemaal bekend dat de externe oriëntatie van PD niet echt veranderd is en nog steeds een groot probleem is.

In dezelfde periode zijn de secundaire arbeidscondities in de hele branche drastisch beperkt. Veel ICT medewerkers zijn ontslagen, onkostenvergoedingen en autoregels zijn drastisch aangepakt. Ondanks diverse aanbevelingen hiervoor is dit bij Raet tot nu toe niet gebeurd.

De uiterst onrechtvaardige situatie is nu ontstaan dat medewerkers bij PD met een dure lease-auto alleen woon-werk kilometers rijden en alle anderen met openbaar vervoer of met een km vergoeding zichzelf moeten redden.

Deze onrechtvaardige situatie, die slechts in een paar jaar ontstaan is, moet terug naar een acceptabele situatie. In het nieuwe voorstel van de directie gaat bij PD de lease-auto situatie niet terug van 110 naar 20 maar ongeveer naar het midden.

Een deel van de groei wordt dus voorlopig geaccepteerd.

Overigens is het zo dat altijd de lease-auto als aparte vergoeding is toegekend met de uitdrukkelijke bepaling erbij dat lease-auto’s, onkostenvergoeding en telefoon door de directie kunnen worden aangepast als de functies of marktomstandigheden dit vereisen.

Daarom zijn deze drie zaken altijd via aparte brieven geregeld (dit zijn Bedrijfsrelingen) en geen onderdeel van het arbeidscontract.

Uit uw memo zou je op kunnen maken dat dit het merendeel van de Raet medewerkers betreft, dat is geenszins het geval. We zullen het precies uitrekenen voor de komende jaren maar het gaat om ongeveer 50 medewerkers verspreid over de komende 4 jaar.

Iedere medewerker in een lease-auto mag als compensatie zijn contract uitrijden en kan dus bijtijds maatregelen nemen. Dit is gezien de maatregelen bij vergelijkbare bedrijven zeer coulant. Door de bijtelling voor de belasting valt het voordeel overigens erg mee. Uiteraard gaan die medewerkers die veel meer privé rijden dan de toegestane 12.000 km. er wel op achteruit.

Openbaar vervoer wordt voor alle medewerkers volledig vergoed en tot een bepaalde maximum afstand wordt ook 0,18 cent per kilometer vergoed voor woon-werk verkeer. Zakelijk verkeer daarbuiten wordt altijd vergoed volgens een vastgestelde regeling.

Zoals in het bovenstaande duidelijk is uitgelegd kan er dus geen sprake zijn van extra compensatie, juist ook vanwege de rechtsongelijkheid met andere medewerkers.

De directie is van mening dat er een faire regeling is om het onbedoelde gebruik van lease-auto's terug te brengen tot normale proporties.

Verder wil de directie graag nogmaals benadrukken dat er een noodzaak is tot goede kostenbeheersing. De prijzen en prijsverhogingen die wij aan onze klanten kunnen doorberekenen staan onder zeer grote druk. Dit laatste heeft uiteraard alles te maken met de marktomstandigheden en de verhevigde concurrentie, juist op prijsniveau.

Daarnaast zijn er grote interne projecten zoals PAS en P3 die voor een zeer grote kostenoverschrijding zorgdragen.”

3. De vordering en het verweer

3.1

De bonden vorderen bij wege van collectieve actie als bedoeld in artikel 3:305 BW bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

A

te verklaren voor recht dat Raet door de eenzijdige wijziging van de bedrijfsautoregeling toerekenbaar de arbeidsovereenkomst met die van haar medewerkers die voor 16 februari 2004 het gebruik hadden van een lease-auto niet is nagekomen, althans jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld;

B

Raet te veroordelen om binnen een week na berekening van het te wijzen vonnis over te gaan tot:

1 ongedaanmaken van de eenzijdige wijziging van de bedrijfsautoregeling en al haar reeds ingetreden gevolgen,

2 nakoming jegens die van haar medewerkers die op 16 februari 2004 de beschikking hadden over een lease-auto van de bij haar vóór 16 februari 2004 in de praktijk toegepaste autoregeling inclusief de toekenningscriteria;

3 het alsnog toekennen van een bedrijfsauto als arbeidsvoorwaarde aan de werknemers die op grond van de eenzijdige wijziging na het einde van hun leasecontract geen bedrijfsauto meer toegekend hebben gekregen.

C

de onderdelen B 1 tot en met 3 onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag of deel van een dag dat Raet het vonnis na betekening van het vonnis niet of niet geheel nakomt;

D

veroordeling van Raet tot betaling van de kosten van dit geding.

3.2

Onder verwijzing naar artikel 2.6.1 van de BAR en de bedrijfsautoregeling leggen de bonden aan hun vordering ten grondslag dat in de praktijk Raet en haar rechtsvoorgangers geen van deze criteria, dus noch die uit de bedrijfsautoregeling (ambulante functie) noch uit de BAR (buitendienstmedewerker of meer dan 15.000 zakelijke kilometers per jaar) of uit enige eerdere regeling, in acht hebben genomen bij het toekennen van bedrijfsauto's. In de praktijk is het toekennen van een lease-auto gebruikt als een instrument om personeel te werven. De lease-auto is als zodanig als een arbeidsvoorwaarde ingezet en toegekend, ongeacht de vraag of een werknemer een ambulante functie had en ongeacht de vraag hoeveel zakelijke kilometers hij of zij jaarlijks reed of rijdt. Op deze wijze hebben veel werknemers thans de beschikking over een lease-auto zonder dat zij aan de op enig moment vastgestelde criteria voor toewijzing hiervan voldoen. In veel gevallen hebben zij zelfs al vanaf de eerste toekenning van een bedrijfsauto nooit aan enig toen geldend criterium voldaan en is hen toch telkenmale een auto toegekend. Raet en haar rechtsvoorgangers houden geen registratie van privé- en zakelijke kilometers bij en ook de registratie van billable uren is niet eenduidig en transparant.

De toekenning van een lease-auto aan werknemers van Raet kan niet worden gezien als het ter beschikking stellen van een bedrijfsmiddel, maar als een arbeidsvoorwaarde. Voor veel medewerkers geldt dat deze arbeidsvoorwaarde op zijn minst mede doorslaggevend is geweest voor hun indiensttreding bij Raet en haar rechtsvoorgangsters. Raet heeft de lease-auto, niettegenstaande de toewijzingscriteria die zij op papier hanteerde, altijd gepresenteerd als een arbeidsvoorwaarde. Zulks bevestigt Raet ook met enige regelmaat. Bijvoorbeeld in de brieven van 2 februari 2004 (r.o. 2.6) en 16 juli 2001 (r.o. 2.7).

De brief van 16 februari 2004 (r.o. 2.9) leidt, aldus de bonden, tot eenzijdige wijziging door Raet van de arbeidsvoorwaarden van de medewerkers van Raet. Anders dan de eerder op papier gezette toewijzingscriteria past Raet de door de wijziging ingetreden toekenningscriteria niet alleen op papier maar ook in de praktijk toe.

Het in artikel 28.1 van de Bedrijfsautoregeling (r.o. 2.5) opgenomen eenzijdig wijzigingsbeding gaat i.c. niet op: de door Raet aangevoerde rechtvaardiging kan niet worden gezien als een zwaarwichtig bedrijfsbelang in de zin van artikel 7:613 BW. Raet heeft het standpunt dat continuering van de huidige situatie niet verantwoord zou zijn niet onderbouwd en het gaat Raet bedrijfseconomisch niet slecht. Bovendien heeft de directie een hogere lease-autocategorie toegevoegd die juist leidt tot een hogere autokostenregeling. Geenszins is gebleken dat Raet een zwaarwichtig belang heeft dat eenzijdige wijziging zou kunnen rechtvaardigen. Dat betekent dat niet gezegd kan worden dat de belangen van de werknemers naar maatstaven ven redelijkheid en billijkheid voor het door Raet gestelde belang zou moeten wijken, een belangenafweging waarvan Raet overigens geen blijk heeft gegeven.

3.3

Raet voert gemotiveerd verweer. Op haar verweer wordt, voor zover voor de beoordeling nodig, hierna ingegaan.

4. De beoordeling

4.1

Onder verwijzing naar de BAR en de bedrijfsautoregeling (r.o. 2.4 en 2.5) wijst Raet er in de eerste plaats op dat een medewerker niet “zomaar” een auto kreeg, maar een auto is een bedrijfsauto die aan de medewerker ter beschikking wordt gesteld, gerelateerd aan en voor de uitoefening van de functie. Daarop wordt ook gewezen als aan de werknemer een auto ter beschikking wordt gesteld, zoals ook blijkt uit de laatste geciteerde alinea van de brief van 16 juli 2001 (r.o. 2.7). De bonden doen het ten onrechte voorkomen alsof de bedrijfsauto als primaire arbeidsvoorwaarde is toegekend, zonder enige relatie met de functie en zonder nader voorbehoud of regeling.

Raet heeft in de brieven van 16 februari en 16 maart 2004 (r.o. 2.9 en 2.10) een schrijven doen uitgaan aan de medewerkers waarin een toelichting is gegeven op de wijze waarop de toewijzingscriteria in de toekomst zouden worden gehanteerd. Daarbij is van belang, aldus Raet, dat in 2000 een onderzoek is ingesteld naar de kwaliteit en externe gerichtheid van de afdeling Productontwikkeling (PD). Uitkomst daarvan was dat een aantal medewerkers meer extern gericht diende te werken, waartoe het aantal bedrijfsauto’s diende te worden uitgebreid; de werknemers dienden te worden gefaciliteerd in het nieuwe beleid en de nieuwe taken. Raet ging er vanuit dat de medewerkers die toen een bedrijfsauto ter beschikking gesteld kregen voldeden aan de toewijzingscriteria en daaraan bleven voldoen. Uit een onderzoek –het aantal bedrijfsauto’s was explosief gegroeid tot 125- is Raet gebleken dat een groot aantal medewerkers niet voldeed aan de toewijzingscriteria, m.n. waren medewerkers van PD nog altijd intern gericht. In 2001 – 2003 is het aantal auto’s bij PD toegenomen van 14 naar 108. Dat is de kern waar het probleem is ontstaan.

Er is geen sprake van een eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden. Er is sprake van een correcte toepassing van de toekenningscriteria.

4.1.1

Dit betoog van Raet faalt. Vooropgesteld dient te worden dat de processuele houding van Raet zich niet verdraagt met de wijze waarop zij zich in het verleden met betrekking tot de bedrijfsauto’s als arbeidsvoorwaarde heeft geuit, vgl. de stukken genoemd in r.o. 2.6, 2.7 en 2.8. Raet rekende de bedrijfsauto’s zelf ook tot de arbeidsvoorwaarden en kennelijk van zodanig groot belang dat zij daarover in overleg met de OR wenste te treden (r.o 2.8). Het kunnen beschikken over een bedrijfsauto is derhalve als arbeidsvoorwaarde aan te merken. Waar partijen bovendien over de toepasselijkheid van (artikel 18 van) de bedrijfsautoregeling (r.o. 2.5) niet van mening verschillen betekent het niet (meer/langer) ter beschikking stellen van een bedrijfsauto die -naast de fiscale bijtelling- met zeer geringe eigen kosten privé gebruikt mag worden, naar de OR terecht opmerkt en naar van algemene bekendheid is “een grote financiële aderlating voor de betreffende medewerkers” (r.o. 2.12). Daarbij acht de kantonrechter minder van betekenis of de arbeidsvoorwaarde als primaire of als secundaire arbeidsvoorwaarde wordt aangemerkt.

4.2

Raet heeft doen betogen dat er primair geen sprake is van (eenzijdige) wijziging van een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 7:613 BW. Raet meent dat zij gerechtvaardigde gronden had om onbedoeld gebruik van de bedrijfsauto’s terug te brengen tot normale proporties. Bovendien heeft zij een faire regeling getroffen voor medewerkers die in de toekomst geen bedrijfsauto meer ter beschikking krijgen.

Subsidiair –zo de handelwijze van Raet wordt aangemerkt als een eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarde als bedoeld in artikel 7:613 BW- voert Raet aan dat zij een zwaarwegend belang heeft om de bedrijfsautoregeling conform haar bedoeling uit te voeren. In dit verband heft Raet gesteld dat

- er een situatie was ontstaan in strijd met de bedrijfsautoregeling;

- er een ongelijkheid van behandeling van medewerkers was;

- het aspect van kostenbeheersing speelde in welk kader Raet heeft gewezen op goed ondernemerschap, het feit dat onder de huidige marktomstandigheden en concurrentie prijzen en prijsverhogingen die Raet kan doorberekenen aan haar klanten onder zeer grote druk staan;

- zij ervoor waakt haar werkgelegenheid zo goed mogelijk in stand te houden.

4.2.1

De kantonrechter stelt voorop dat wat door Raet thans als onbedoeld gebruik van bedrijfsauto’s wordt neergezet, voortvloeit uit door haar zelf gemaakte keuzes met betrekking tot de richting waarin de onderneming, met name de afdeling PD, zich diende te ontwikkelen en waaraan zij inhoud heeft gegeven door aan de desbetreffende medewerkers bedrijfsauto’s ter beschikking te stellen. Daar was niets onbedoelds aan en in zoverre is er geen sprake van strijd met de bedrijfsautoregeling maar, indien en voor zover de bedrijfsautoregeling in het concrete geval niet in het ter beschikking stellen van een bedrijfsauto voorziet, van een niet schriftelijk vastgelegde uitbreiding daarvan. Raet wil van de aldus gegroeide praktijk af, hetgeen in aansluiting op hetgeen hiervoor in r.o. 4.1.1 is overwogen als een eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden in de zin van artikel 7:613 BW dient te worden aangemerkt, naar de bonden terecht hebben betoogd. Indien, gelet op hetgeen in de eerste alinea is overwogen, al aanvaard zou kunnen worden dat het in artikel 28.1 van de bedrijfsautoregeling (r.o. 2.5) opgenomen beding als een beding in de zin van artikel 7:613 BW dat betrekking heeft op onderhavige wijziging dient te worden aangemerkt, geldt dat wijziging van de in geding zijnde arbeidsvoorwaarde slechts aan de orde kan zijn indien Raet bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat de belangen van de werknemers die door de wijziging worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moeten wijken. Anders gezegd, het onvoorwaardelijke “(w)erkgever kan derhalve de bedrijfsautoregeling eenzijdig wijzigen of laten vervallen” volgens artikel 28.1 van de bedrijfsautoregeling, gaat niet op.

4.2.2

Naar het oordeel van de kantonrechter leiden de door Raet aangevoerde argumenten niet tot de conclusie dat Raet bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat de belangen van de werknemers die door de wijziging worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moeten wijken; hetgeen Raet daarvoor heeft aangevoerd is onvoldoende. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Raet niet weersproken heeft dat zij zo’n € 30 milj. winst maakt op een omzet van € 100 milj., waar marktconform een winst van 9% wordt gerealiseerd. In dat licht bezien zijn de, door Raet niet van enige cijfermatige onderbouwing voorziene stellingen met betrekking tot de noodzaak van kostenbeheersing en prijzen die onder druk staan zeer relatief, terwijl Raet bovendien heeft ontkend (CvD 2.2.9) dat bezuinigingsaspecten doorslaggevend zijn geweest om maatregelen te treffen. Voorts is enige concrete aanleiding om te veronderstellen dat de werkgelegenheid daadwerkelijk in het geding zou zijn, gesteld noch gebleken. Waar voorts Raet heeft gesteld dat zij er vanuit ging dat de medewerkers (naar de ktr. begrijpt: van PD) zich extern zouden oriënteren en dat uit de controle naar voren is gekomen dat zij nog altijd met hun werkzaamheden intern gericht zijn, komt het de kantonrechter voor dat kennelijk niet zozeer de bedrijfsauto het probleem is, als wel de wijze waarop aan de functie inhoud wordt gegeven. In die zin is het niet-langer toekennen een oneigenlijk instrument.

Waar aldus van een zwaarwichtig belang aan de zijde van Raet niet is gebleken, komt de kantonrechter aan een afweging ten opzichte van de belangen van de werknemers van Raet die “hun” lease-auto uit beeld zien verdwijnen -welke gelet op de aard van de arbeidsvoorwaarde met name van financiële aard zijn- in beginsel niet toe. Belangen die overigens, het zij herhaald, “een grote financiële aderlating voor de betreffende medewerkers” (r.o. 2.12) kunnen inhouden

4.2.3

Onder omstandigheden zou bij een belangenafweging voorts van betekenis kunnen zijn dat de OR van een ondernemer ingestemd heeft met de (voorgenomen) wijziging van de arbeidsvoorwaarde. I.c. is gebleken dat dat niet het geval is. Daargelaten dat de OR van Raet zich onaangenaam verrast heeft getoond (r.o. 2.11), heeft zij blijkens de in r.o. 2.11 en 2.12 weergegeven memo’s overwegende bezwaren geuit, aan welke bezwaren Raet niet tegemoetgekomen is.

4.3

Raet meent dat de vorderingen die de bonden hebben geformuleerd onmogelijk kunnen worden toegewezen. Zij zijn, aldus Raet, zo ruim en algemeen geformuleerd dat deze vorderingen omgetwijfeld bij toewijzing aanleiding zullen geven tot executieproblemen, bijvoorbeeld bij het innen van een dwangsom. Voorts voert Raet aan dat volledig voorbij wordt gegaan aan de individuele omstandigheden of afspraken die een medewerker met RAET heeft gemaakt en waarnaar zij verwijst in de regeling en de bevoegdheid van RAET conform de reeds lang bestaande bedrijfsautoregeling aan het einde van een lease-contract te bezien of de medewerker nog in aanmerking komt voor een bedrijfsauto. Als er al een toewijzing zou volgen van enige vordering dan merkt RAET op dat de verzochte dwangsom onredelijk en extreem hoog is en ook niet aan een maximum is verbonden.

4.3.1

De kantonrechter denkt (ook) hierover anders dan Raet. De vorderingen zijn voldoende specifiek. Indien en voorzover Raet in een concreet geval terecht tot intrekking van de bedrijfsauto zou (zijn) over(ge)gaan, zal hiermee bij de executie van dit vonnis door de bonden rekening gehouden dienen te worden. Dat staat evenwel aan toewijzing van de vorderingen niet in de weg. Gelet op productie 6 bij conclusie van dupliek heeft Raet precies in beeld wie van haar medewerkers over een bedrijfsauto beschikken. Dat betekent dat met het vertalen van dit vonnis naar individuele gevallen weinig tijd gemoeid behoeft te zijn. De kantonrechter ziet aldus aanleiding de gevorderde boete aan te doen sluiten bij de vordering van de bonden in onderdeel B “binnen een week” over te gaan tot het gevorderde en de boete in te doen gaan na ommekomst van die termijn. Voorts zal de boete worden beperkt tot een maximum, te bepalen op € 500.000,--.

4.4

Als in het ongelijk te stellen partij wordt Raet veroordeeld in de kosten aan de zijde van de bonden.

5. De beslissing

De kantonrechter:

I

A

verklaart voor recht dat Raet door de eenzijdige wijziging van de bedrijfsautoregeling toerekenbaar de arbeidsovereenkomst met die van haar medewerkers die voor 16 februari 2004 het gebruik hadden van een lease-auto niet is nagekomen,

B

veroordeelt Raet om binnen een week na berekening van het te wijzen vonnis over te gaan tot:

1. ongedaanmaken van de eenzijdige wijziging van de bedrijfsautoregeling en al haar reeds ingetreden gevolgen,

2. nakoming jegens die van haar medewerkers die op 16 februari 2004 de beschikking hadden over een lease-auto van de bij haar vóór 16 februari 2004 in de praktijk toegepaste autoregeling inclusief de toekenningscriteria;

3. het alsnog toekennen van een bedrijfsauto als arbeidsvoorwaarde aan de werknemers die op grond van de eenzijdige wijziging na het einde van hun leasecontract geen bedrijfsauto meer toegekend hebben gekregen;

C

de onderdelen B 1 tot en met 3 onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag of deel van een dag dat Raet het vonnis na betekening van het vonnis en ommekomst van één week niet of niet geheel nakomt;

II

veroordeelt Raet tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de bonden, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 793,40 waarin begrepen € 450,00 aan salaris gemachtigde;

III

verklaart de vorderingen onder I B en C van dit dictum uitvoerbaar bij voorraad;

IV

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. van Rijkom, kantonrechter, en uitgesproken in aanwezigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 27 april 2005.