Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AT5622

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-04-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
SBR 04/1481
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

EG-richtlijn 80/897), betreffende de onderlinge aanpassingen van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, in samenhang met hoofdstuk IV van de WW.

Vergoeding voor niet opgenomen tijd-voor-tijduren. Overuren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Reg. nr.: SBR 04/1481

UITSPRAAK van de rechtbank Utrecht,

enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken,

in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

e i s e r ,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

gevestigd te Arnhem,

v e r w e e r d e r.

1. INLEIDING

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 mei 2004 waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 16 februari 2004 voor wat betreft het aantal overuren dat voor vergoeding in aanmerking komt gegrond heeft verklaard en het bezwaar voor het overige ongegrond heeft geacht.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 februari 2005, waar eiser in persoon is verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. J. Kouveld, werkzaam als medewerker bezwaar en beroep bij het Uwv.

2. OVERWEGINGEN

Feiten

Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 20 augustus 2003 is de werkgever van eiser, [werkgever], in staat van faillissement verklaard, waarbij

mr. J.A. Mulder tot curator is benoemd.

Bij brief van 22 augustus 2003 heeft de curator eiser schriftelijk ontslag aangezegd.

Eiser heeft op 27 augustus 2003 een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.

Eiser heeft in de periode van 23 mei 2003 tot en met 22 augustus 2003 in ieder geval 88 uren vrijgenomen.

Bij primair besluit van 16 februari 2004 heeft verweerder aangegeven te hebben voldaan aan zijn verplichtingen ingevolge hoofdstuk IV van de WW, onder medezending van een specificatie van verrichte betalingen. Verweerder heeft blijkens deze specificatie - voor zover hier van belang - 7,7 vakantiedagen en 50 overuren uitbetaald.

Bij het bestreden besluit van 7 mei 2004 heeft verweerder eisers bezwaar gegrond verklaard omdat over de maand mei 2003 2,41 overuren te weinig waren uitbetaald.

Standpunten van partijen

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder heeft verzuimd om zijn 50 tijd-voor-tijduren over de maand juli 2003 uit te betalen.

Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat verweerder de door hem opgenomen vrije dagen in de periode van 23 mei tot en met 22 augustus 2003 in mindering had moeten brengen op zijn in 2003 opgebouwde tijd-voor-tijd. Verweerder heeft deze in plaats daarvan in mindering gebracht op eisers vakantiedagentegoed over 2003. Volgens eiser moet verweerder daarom nog 13,5 vakantiedagen uitbetalen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij van de curator geen informatie heeft ontvangen met betrekking tot overuren in de maand juli 2003, zodat over die maand geen overuren zijn uitbetaald.

Verweerder heeft voorts aangevoerd dat vergoeding voor niet genoten tijd-voor-tijd niet wordt gelijkgesteld met vakantiegeld of vakantiebijslag als genoemd in artikel 64, onder c, van de WW, met de daarbij behorende periode waarover dit uitgekeerd wordt. Voor vergoeding komt in aanmerking het bedrag aan loon dat correspondeert met het aantal uren waarmee in de 13 weken voor de opzegging het normale aantal uren is overschreden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers overuren over deze periode zijn uitbetaald. De door eiser in deze periode opgenomen vrije dagen zijn verrekend met de 20,92 vakantiedagen die eiser tegoed had, aldus verweerder.

Toepasselijk recht

Artikel 1, eerste lid, van EG-richtlijn 80/897 (de richtlijn), betreffende de onderlinge aanpassingen van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, bepaalt dat de richtlijn van toepassing is op uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voortvloeiende aanspraken van werknemers tegenover werkgevers die in staat van insolventie in de zin van artikel 2, lid 1, verkeren.

Artikel 3 van de richtlijn luidt:

1. de lid-staten treffen de nodige maatregelen opdat waarborgfondsen onder voorbehoud van artikel 4 de onvervulde aanspraken van de werknemers honoreren die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen en die betrekking hebben op het loon over de vóór een bepaalde datum vallende periode.

2. de in lid 1 bedoelde datum is naar keuze van de lid-staten

- (...),

- hetzij die van de aanzegging van het ontslag van de betrokken werknemer wegens insolventie van de werkgever,

- (...).

Artikel 4, tweede lid van de richtlijn bepaalt dat de lid-staten ervoor moeten zorgen dat

- (...);

- in het in artikel 3, lid 2, tweede streepje, bedoelde geval de onvervulde aanspraken worden gehonoreerd die betrekking hebben op het loon over de laatste drie maanden van de arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding vóór de datum van de aanzegging van het ontslag van de werknemer wegens insolventie van de werkgever;

Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de WW, heeft een werknemer recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, loon, vakantiegeld of vakantiebijslag te vorderen heeft.

Ingevolge artikel 64, van de WW, omvat het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW:

a. het loon over ten hoogste 13 weken, onmiddellijk voorafgaande aan de dag van opzegging van de dienstbetrekking (...);

b. (...);

c. het vakantiegeld, (...), over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de in onderdeel b bedoelde termijn eindigt.

Beoordeling van het geschil

Niet in geschil is dat 23 mei 2003 als de eerste dag van de 13 weken als bedoeld in artikel 64, onderdeel a, van de WW moet worden aangemerkt en 22 augustus 2003 als de in dit artikel bedoelde dag van de opzegging. De periode van 23 mei 2003 tot 22 augustus 2003 wordt hierna aangeduid als de referentieperiode.

Voorts is niet in geschil dat eiser begin 2003 met zijn werkgever is overeengekomen dat boven het normale aantal gewerkte uren in de vorm van tijd-voor-tijd zouden worden vergoed (tijd-voor-tijduren). Als eiser dergelijke uren opbouwde, werden deze op de loonstrook van de volgende maand toegevoegd aan het vakantie-urentegoed.

Met betrekking tot de tijd-voor-tijduren die eiser van 23 tot en met 31 mei 2003 en in de maand juni 2003 heeft opgebouwd zijn partijen het erover eens dat verweerder heeft voldaan aan zijn verplichting uit hoofde van artikel 64, onder a, van de WW.

Ten aanzien van de tijd-voor-tijduren in de maand juli 2003 overweegt de rechtbank als volgt. Weliswaar blijkt uit de door eiser in het geding gebrachte 'verbijzondering vakantiedagen' niet dat eiser in juli 2003 overuren heeft opgebouwd, maar blijkens gedingstuk 18 was verweerder er wel mee bekend dat dit het geval was. Omdat zich in het dossier geen loonstrook over de maand augustus 2003 bevindt, was het verweerder echter niet bekend hoeveel overuren er waren opgebouwd. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder niet volstaan met de stelling dat met betrekking tot deze overuren geen informatie van de curator was ontvangen, maar had verweerder de curator om nadere informatie moeten vragen. Dit klemt te meer nu dergelijke informatie blijkens het door eiser in beroep overgelegde gedingstuk A6, dat afkomstig is uit de administratie van eisers werkgever, wel beschikbaar was.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het besluit in strijd met de ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen.

Eiser heeft in de referentieperiode in ieder geval 88 uur vrijgenomen, verweerder heeft 108 uren in mindering gebracht op het aan eiser over 2003 toekomende vakantiegeld in de zin van artikel 64, onder c, van de WW. Uit het feit dat tijd-voor-tijduren naar hun aard zijn bedoeld om structureel overwerken tegen te gaan, vloeit naar het oordeel van de rechtbank echter voort dat - behoudens andersluidende afspraken - door een werknemer opgenomen vrije uren eerst dienen te worden toegerekend aan een tijd-voor-tijdurentegoed en pas daarna aan een vakantie-urentegoed. Van een andersluidende afspraak is niet gebleken, zodat het de vraag is of verweerder de in de referentieperiode opgenomen vrije uren terecht in mindering heeft gebracht op het vakantie-urentegoed van eiser.

Voormelde bepalingen van de richtlijn zijn omgezet in Nederlands recht in Hoofdstuk IV van de WW. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) moet artikel 4, tweede lid, van de richtlijn aldus worden uitgelegd dat lidstaten de bevoegdheid hebben om zelf vast te stellen wat onder de definitie van het in de richtlijn gebezigde begrip bezoldiging valt. Als een aanspraak echter onder deze definitie valt, wordt de door de richtlijn gewaarborgde minimumbescherming rechtstreeks aangetast wanneer betalingen door de werkgever in de referentieperiode zouden worden toegerekend aan in de referentieperiode ontstane aanspraken, ondanks het bestaan van oudere, onbetaald gebleven aanspraken.

Indien een werknemer jegens zijn werkgever vorderingen heeft die betrekking hebben op perioden van arbeid, gelegen vóór de in die bepaling bedoelde referentieperiode, en tegelijkertijd vorderingen over de referentieperiode zelf, moeten door de werkgever in laatstgenoemde periode verrichte loonbetalingen bij voorrang worden toegerekend aan daarvóór ontstane aanspraken (HvJEG 14 juli 1998, C-125/97, LJN ZB7796, RSV 1998, 272).

Het is vaste rechtspraak dat een vergoeding voor niet opgenomen tijd-voor-tijduren valt onder het loonbegrip van artikel 64, onder a en b, van de WW (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 januari 2002, RSV 2002/80). Naar het oordeel van de rechtbank vloeit daaruit voort dat vergoeding van overuren in de vorm van tijd-voor-tijd eveneens moet worden aangemerkt als een loonaanspraak van de werknemer jegens de werkgever.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder weliswaar niet gehouden is tot overname van de verplichtingen van de werkgever uit hoofde van een voorafgaand aan de referentieperiode opgebouwd tijd-voor-tijdurentegoed, maar dat als eiser een dergelijk tegoed jegens zijn werkgever had en tegelijkertijd tijd-voor-tijduren heeft opgenomen in de referentieperiode zelf, verweerder de opgenomen tijd-voor-tijduren in de referentieperiode bij voorrang had moeten toerekenen aan de reeds daarvoor ontstane aanspraken.

Blijkens de loonstroken van eiser van de maanden april en mei 2003 heeft eiser tot en met april 2003 112 tijd-voor-tijduren opgebouwd.

De door eiser in de referentieperiode opgenomen tijd-voor-tijduren konden dan ook geheel worden toegerekend aan het tijd-voor-tijdurentegoed van voor de referentieperiode, zodat aan verrekening met de in de referentieperiode opgebouwde tijd-voor-tijduren niet wordt toegekomen. Voor verrekening met het vakantie-urentegoed bestond derhalve geen enkele grond. Verweerder had eisers gehele vakantie-urentegoed over 2003 en de resterende vakantie-uren over 2002 aan eiser moeten uitbetalen.

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 64, sub a en c, van de WW. Verweerder dient derhalve met inachtneming van het voorgaande een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Niet gebleken is dat eiser in verband met de behandeling van het beroep kosten heeft moeten maken als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet voor een proceskostenveroordeling.

De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder binnen zes weken na datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen,

bepaalt dat het Uwv het door eiser betaalde griffierecht ad ? 37,- aan hem vergoedt,

Aldus vastgesteld door mr. M.P. Gerrits-Janssens, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2005.

De griffier: Het lid van de enkelvoudige kamer:

mr. M.H.L. Debets mr. M.P. Gerrits-Janssens

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.