Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AT4679

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
SBR 05-0799 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker is niet aan te merken als overtreder in de zin van artikel 5:32, eerste lid, van de Awb, van het te handhaven voorschrift, nu op grond van de bestemmingsplanvoorschriften uitsluitend het gebruiken in strijd met de bestemming verboden is, en niet het laten gebruiken. Last niet nauwkeurig omschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector bestuursrecht

Reg.nr. SBR 05/0799 VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker], wonende te Montfoort,

verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montfoort,

verweerder.

1. INLEIDING

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 11 maart 2005 waarbij verzoeker is aangeschreven vóór 1 april 2005 de 'verbouwing van het veranderen van de praktijkruimte aan [adres] te Montfoort in twee appartementen ongedaan te maken en het pand conform de bouwvergunning te herstellen', op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per week tot een maximum van € 100.000,-.

1.2 Het verzoek is op 20 april 2005 ter zitting behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. M.E.F. Staal, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S.R. Visser en drs. K. de Jong, beiden werkzaam bij de gemeente Montfoort.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt bij verweerder tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

2.4 Op 19 november 2003 heeft verzoeker verzocht om een bouwvergunning voor het gedeeltelijk veranderen van de praktijkruimte aan [adres] te Montfoort.

In de aanvraag is door verzoeker aangegeven dat het gebruik van het bouwwerk wijzigt van 'praktijkruimte & tuinen' in 'privékantoor/gastenverblijf & tuinen'.

Bij besluit van 28 januari 2004 is aan verzoeker de gevraagde bouwvergunning verleend. In een begeleidend schrijven van diezelfde datum is nog het volgende aan verzoeker meegedeeld:

'(...)

Wij willen u er met nadruk op wijzen dat wij u deze vergunning verlenen conform uw aanvraag, namelijk voor het veranderen van de praktijkruimte in een privé-kantoor en gastenverblijf. De reden dat wij u hierop wijzen is dat iemand telefonisch contact met ons heeft opgenomen met de vraag wat het huisnummer zal zijn van het gedeelte dat hij gaat bewonen.

Voor alle duidelijkheid voorziet deze vergunning niet in het splitsen van de woning, waardoor het dus niet mogelijk is een gedeelte van de woning te verhuren als een zelfstandige woonruimte.

Indien na afgifte van de bouwvergunning zal blijken dat van de verleende vergunning wordt afgeweken zullen wij handhavend optreden.

(...)'

2.5 Op 25 november 2004 hebben rapporteurs van de gemeente Montfoort geconstateerd dat het gebruik van het bouwwerk in strijd is met de verleende bouwvergunning, en dat alles er op wees dat het gebouw een zelfstandige woonruimte betreft. Er waren 2 deurbellen met naamaanduidingen, hetgeen volgens de rapporteurs ongebruikelijk is voor een gastenverblijf. In de bij de rapportage van 25 november 2004 gevoegde tekening van het bouwwerk zijn door de rapporteurs 2 appartementen ingetekend. Uit het woningregister van de gemeente Montfoort blijkt voorts dat op het adres [adres] zes personen staan ingeschreven, te weten 1 gezin van 4 personen, alsmede 2 huurders.

2.6 Bij brief van 3 februari 2005 is verzoeker in kennis gesteld van het voornemen van verweerder om handhavend op te treden. Bij brief van 14 februari 2005 heeft verzoeker zienswijzen ingediend. Vervolgens heeft verweerder het hier bestreden besluit genomen.

2.7 Op het in geding zijnde perceel rust ingevolge het bestemmingsplan 'Tabakshof' de bestemming 'Eengezinshuizen in open bebouwing, met bijbehorende erven (EO)'.

Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de bestemmingsplan-voorschriften, zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor woningen, met de daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken en erven, met dien verstande, dat als hoofdgebouwen uitsluitend vrijstaande of blokken van ten hoogste twee aaneengesloten eengezinshuizen mogen worden gebouwd.

Op grond van artikel 23, lid II, onder 1, van de bestemmingsplanvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen bouwwerken te gebruiken voor doeleinden, welke in strijd zijn met de in het plan gegeven bestemming.

2.8 Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat in het onderhavige geval niet is gebouwd in afwijking van de op 28 januari 2004 verleende bouwvergunning. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het gebruik dat van de gerealiseerde ruimtes wordt gemaakt, in overeenstemming moet worden gebracht met de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan.

2.9 Als overtreder in de zin van artikel 5:32, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt degene die het te handhaven voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Een last onder dwangsom kan uitsluitend worden opgelegd aan de overtreder die het in zijn macht heeft de last uit te voeren. Verzoeker heeft de ruimte waarop het besluit betrekking heeft verhuurd en aldus in gebruik gegeven aan een ander. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer AbRS 8 februari 2000, AB 2000/363) is het in gebruik geven van een pand, ten behoeve van een doel dat strijdig is met de aan de grond gegeven bestemming, zonder een daartoe strekkend verbod niet verboden. Gelet op het bepaalde in artikel 23, lid II, onder 1 van de bestemmingsplanvoorschriften is uitsluitend het gebruiken in strijd met de bestemming verboden, en niet het laten gebruiken. Om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het in het onderhavige geval niet verzoeker is die als overtreder van het te handhaven voorschrift dient te worden aangemerkt. Reeds om die reden komt het onderhavige schorsingsverzoek voor toewijzing in aanmerking.

2.10 Voorts voldoet naar het oordeel van de voorzieningenrechter, gelet op hetgeen onder 2.8 is overwogen, de onderhavige last niet aan de eis dat in een last nauwkeurig omschreven dient te zijn welke maatregelen of werkzaamheden door belanghebbenden moeten worden verricht om aan de opgelegde last onder dwangsom te voldoen. Het besluit van 11 maart 2005 is dan ook in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

2.11 Gelet op het vorenstaande zal het bezwaar van verzoeker tegen het bestreden besluit naar voorlopig oordeel moeten leiden tot een herroeping van dat besluit.

2.12 Gezien het vorenoverwogene zijn er termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verschijnen ter zitting).

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1 schorst het besluit van 11 maart 2005 tot zes weken na verzending van de beslissing op het bezwaar van verzoeker;

3.2 bepaalt dat het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 138,- aan hem wordt vergoed;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 322,-;

3.4 wijst de gemeente Montfoort aan als de rechtspersoon die de onder 3.2 en 3.3 genoemde bedragen dient te betalen.

Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2005.

De griffier: De voorzieningenrechter:

A. Heijboer mr. R.P. den Otter

Afschrift verzonden aan partijen op: