Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AT4481

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-04-2005
Datum publicatie
26-04-2005
Zaaknummer
168183/HAZA 03-2011-EV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op tussenvonnis, waardering bewijs + overweging samenloop onrechtmatige daad, wanprestatie, zorgplicht spaarbeleg.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2005/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

van de rechtbank Utrecht, meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke

zaken, in de zaak van:

1. [eiser sub 1],

2. [eiser sub 2],

3. [eiser sub 3],

4. [eiser sub 4],

ten deze vertegenwoordigd door haar ouders (eisers sub 1 en 2),

5. [eiser sub 5],

ten deze vertegenwoordigd door haar ouders (eisers sub 1 en 2),

allen wonende te Amsterdam,

e i s e r s,

hierna te noemen: [eisers],

procureur: mr. E.L.A. van Emden,

- t e g e n -

de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

handelende onder de naam Spaarbeleg,

statutair gevestigd en

kantoorhoudende te Nieuwegein,

g e d a a g d e,

hierna te noemen: Spaarbeleg,

procureur: mr. B.F. Keulen.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 7 juli 2004 (hierna: “het tussenvonnis”). Partijen zullen hierna evenals in het tussenvonnis respectievelijk [eisers] en Spaarbeleg worden genoemd.

1.

Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- proces-verbaal van het op 30 september 2004 gehouden getuigenverhoor;

- proces-verbaal van het op 16 november 2004 gehouden tegenverhoor;

- conclusie na enquête zijdens Spaarbeleg;

- conclusie na enquête zijdens [eisers]

Partijen hebben vervolgens vonnis gevraagd.

2.

De verdere beoordeling

2.1

In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat Spaarbeleg niet heeft voldaan aan haar zorgplicht, voor zover die betrekking heeft op haar verplichting om [eisers] volledig, juist en op een voor hen begrijpelijke wijze te informeren over de omvang van de aan het SprintPlan verbonden financiële risico’s. De rechtbank heeft daarbij onder andere overwogen dat een volledige en juiste voorlichting naar haar oordeel bij een ingewikkelde constructie als bij het onderhavige SprintPlan, met zich meebrengt dat Spaarbeleg deelnemers in haar informatie had moeten wijzen op het feit dat alleen bij een waardestijging van de participaties die hoger is dan de betaalde rente, door de deelnemer winst zou worden gemaakt. De rechtbank heeft in dit verband vastgesteld dat een dergelijke mededeling ontbreekt in de door Spaarbeleg aan [eisers] verstrekte informatie.

2.2

Aan een en ander heeft de rechtbank vervolgens de conclusie verbonden dat Spaarbeleg tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht, weshalve [eisers], nu nakoming van de zorgplicht blijvend onmogelijk is, zonder nadere ingebrekestelling gerechtigd zijn de Sprintplan-overeenkomsten te ontbinden, tenzij de tekortkoming – gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis – deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Dit laatste zou het geval kunnen zijn, zo heeft de rechtbank tenslotte overwogen, indien aannemelijk is dat [eisers] de vijf SprintPlan-overeenkomsten ook zou hebben gesloten, indien Spaarbeleg wel aan haar zorgplicht had voldaan, hetgeen Spaarbeleg had gesteld. Spaarbeleg is daarop in de gelegenheid gesteld zulks te bewijzen.

2.3

De rechtbank blijft bij hetgeen zij aldus in het tussenvonnis zonder voorbehoud en uitdrukkelijk heeft overwogen. Voor zover Spaarbeleg bij haar conclusie na enquête onder 3.1 tot en met 3.8 heeft willen betogen dat geen schending van haar zorgplicht kan worden aangenomen, kan dit derhalve onbesproken blijven. Op een dergelijke, uitdrukkelijke en zonder voorbehoud gegeven, beslissing in een tussenvonnis, behoort immers slechts te worden teruggekomen indien na het tussenvonnis nieuwe feiten of omstandigheden zijn gebleken van zo bijzondere aard, dat in het licht daarvan ongewijzigde instandhouding van die beslissing onaanvaardbaar zou zijn. Zodanige nieuwe feiten of omstandigheden zijn evenwel niet aangevoerd.

2.4

Bij conclusie na enquête heeft Spaarbeleg met zoveel woorden de kwalificatie van de schending van de zorgplicht als een tekortkoming bestreden. Volgens Spaarbeleg zou schending van de zorgplicht een onrechtmatige daad opleveren. Daarbij heeft zij gewezen op de onaanvaardbare gevolgen die een onjuiste kwalificatie op dit punt met zich brengt. In hun conclusie na enquête hebben [eisers], onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Huydecoper bij de uitspraak van de Hoge raad d.d. 23 januari 2004 (LJNnr. AL7051), betoogd dat in rechtspraak of literatuur niet wordt onderschreven dat schending van een zorgplicht als de onderhavige uitsluitend als onrechtmatige daad kan kwalificeren. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.5

Aan hun subsidiaire beroep op toerekenbare tekortkoming hebben [eisers] ten grondslag gelegd de schending door Spaarbeleg van haar zorgplicht, welke schending de rechtbank heeft aangenomen. [eisers] hebben daarmee, zo begrijpt de rechtbank, beoogd te stellen dat deze zorgplicht onderdeel uitmaakt van de door partijen gesloten SprintPlan-overeenkomsten, in die zin dat Spaarbeleg door een aanbod te doen tot het sluiten van een SprintPlanovereenkomst en dit aanbod gestand te doen, de verplichting op zich heeft genomen om [eisers] volledig, juist en op een voor hen begrijpelijke wijze te informeren over de omvang van de aan het SprintPlan verbonden financiële risico’s. De rechtbank heeft [eisers] in het tussenvonnis in die redenering gevolgd. Daarmee heeft de rechtbank tot uitdrukking gebracht dat de specifieke zorgplicht die een bank/beleggingsinstelling jegens haar cliënten heeft onderdeel uitmaakt van overeenkomsten als de onderhavige. In dit specifieke geval is dan ook naar het oordeel van de rechtbank sprake van samenloop tussen onrechtmatige daad en wanprestatie.

De rechtbank blijft derhalve ook op dit punt bij haar zonder voorbehoud en uitdrukkelijk gegeven oordeel in het tussenvonnis.

Dit brengt de rechtbank bij de waardering van het bewijs.

De bewijswaardering

2.6

Spaarbeleg heeft als getuige doen horen [naam getuige] (hierna: “[getuige]”), franchisenemer van Spaarbeleg, die indertijd heeft bemiddeld bij het tot stand komen van de SprintPlan-overeenkomsten.

In het tegenverhoor zijn eisers sub 1 en 2 (hierna respectievelijk “[eiser sub 1]” en “[eiser sub 2]” te noemen) als getuigen gehoord.

2.7

Uit de verklaringen van [eisers sub 1 en sub 2] komt naar voren dat zij een product wensten dat met zekerheid enig rendement opleverde en dat zij niet met risico’s geconfronteerd wensten te worden die inherent zijn aan het Sprintplan en door de rechtbank zijn weergegeven in r.o. 4.10 van het tussenvonnis. Met de verklaring van [getuige] is dit niet weerlegd. [getuige] betwist weliswaar dat [eiser sub 1] heeft verklaard geen lease te willen, maar uit zijn verklaring blijkt niet dat hij heeft geverifieerd wat voor product [eisers] graag wilden verwerven en of zij de risico’s wensten te nemen die waren verbonden aan het Sprintplan. In zijn verklaring komt slechts tot uitdrukking dat hij alleen het SprintPlan (en geen andere producten) heeft gepresenteerd, met name de voordelen daarvan op een enthousiaste wijze heeft benadrukt en aan de risico’s nauwelijks aandacht heeft geschonken (hetgeen overeenkomt met hetgeen [eisers sub 1 en 2] hebben verklaard). Meer in het bijzonder heeft [getuige] verklaard:

(…)

Ik heb het Sprintplan op enthousiaste wijze gepresenteerd. (…) in dit verband heb ik onder andere aangegeven dat belegd zou worden in drie continenten (…) en in 775 bedrijven over de hele wereld. Het SprintPlan gaf, zo heb ik verteld, bovendien de beschikking over vreemd vermogen wat niet verloren kon worden. Ik heb daarbij aangegeven dat er dus geen risico werd gelopen over het door de verzekeraar voor te schieten kapitaal maar wel over de inleg. Ik heb ook gezegd dat de inleg rente was die je per maand moest betalen voor het verwerven van kapitaal op de beurs. Aangezien de hypotheek toen ongeveer 6,5 % was heb ik daarbij uitgelegd dat je voor 1,5 % meer dan de hypotheekrente een gegarandeerd kapitaal op de beurs had. Ik heb ook gezegd dat je geld haalt en naar de beurs brengt maar het niet in handen krijgt. Ik heb voorts het voordeel besproken dat met het SprintPlan geen BKR-registratie plaats zou vinden.

(…)

De risico’s zijn overigens niet uitvoerig besproken. In 2000 sprak men niet zo zeer over verliezen op de beurs als wel over verlieskansen. Het was mijn ervaring in die periode dat de verlieskans door een klant laag werd ingeschat. Meer in het bijzonder is de vraag aan de orde geweest wat er zou gebeuren als het misging of als [eiser sub 1] wilde stoppen. We hebben het in dit verband gehad over de mogelijkheid om voortijdig te stoppen als de beurs heel erg zou stijgen. Ik heb daarbij aangegeven dat hij vanzelfsprekend niet voortijdig moest stoppen als de koers zou dalen. Aan de orde is geweest dat als er verlies zou worden geleden op de beurs de betaalde rente verloren zou zijn. Ik ga er vanuit dat ik heb gezegd dat [eiser sub 1] voorts alle inleg kwijt zou zijn als er geen koerswinst zou worden gemaakt. Ik weet dat echter niet meer zeker of ik dat letterlijk zo gezegd heb, ik heb in ieder geval woorden van gelijke strekking gebruikt. Ik hoor u zeggen dat u mij zojuist heeft horen verklaren dat ik niet meer wist of ik dit gezegd heb. U vroeg mij in dit verband of ik niet zou hebben moeten zeggen dat als de koers niet stijgt iemand zijn rente kwijt is. Ik heb u toen gezegd: “Ik zeg u heel eerlijk dat ik zoiets nooit zeg. Als ik dat zou doen zou iedereen namelijk negatief worden”.

2.8

[Getuige] heeft daarnaast verklaard dat [eisers] uit hetgeen hij vertelde zelf hadden moeten en kunnen begrijpen welke risico’s aan het SprintPlan verbonden waren. Meer in het bijzonder zouden die risico’s af te leiden zijn uit een door hem geschetst schema en de door hem gebruikte term “rente”. De rechtbank is evenwel van oordeel dat – gezien het feit dat het SprintPlan zich kenmerkt door een ingewikkelde financiële constructie (zie r.o. 4.10 van het tussenvonnis) – niet kan worden aangenomen dat de risico’s van het product voor [eisers] kenbaar hadden moeten zijn uit dit schema en het feit dat [getuige] sprak over rente. Ook omdat [getuige] al eerder een aantal producten aan [eisers] had verkocht die niet met het SprintPlan vergelijkbaar waren en wel een zeker rendement bieden (lijfrentepolissen en levensverzekeringen), was een duidelijke en specifieke toelichting op de risico’s van dit product op zijn plaats geweest. Uit de verklaring van [getuige] volgt echter niet dat hij de risico’s van het product in niet mis te verstane bewoordingen aan [eisers] kenbaar heeft gemaakt en daarbij aandacht heeft geschonken aan het zogenaamde break-even punt en de concrete risico’s bij voortijdige beëindiging.

2.9

Hetgeen in r.o. 2.7 en 2.8 is overwogen leidt tot de conclusie dat uit de getuigenverklaringen niet blijkt dat [eisers] de SprintPlan-overeenkomsten ook zouden hebben gesloten indien Spaarbeleg wel aan haar zorgplicht zou hebben voldaan.

2.10

Spaarbeleg heeft nog aangevoerd dat [eisers] zich bij het sluiten van de SprintPlan-overeenkomsten door drie andere adviseurs hebben laten adviseren. Blijkens de verklaring van [eiser sub 2] zou dat zijn geschied aan de hand van een door [getuige] overhandigde folder en/of het door Spaarbeleg verstrekte certificaat. [Eisers] hebben dienaangaande aangegeven dat baliemedewerker [D.], administratief medewerker [H.] en de (op beleggingsgebied ongeschoolde) administratief medewerker van een extern boekhoudkantoor niet de personen zijn die geacht kunnen worden op grond van een brochure een gemotiveerd advies ter zake te geven. Anders dan Spaarbeleg stelt kan uit een en ander niet de conclusie worden getrokken dat [eisers], als Spaarbeleg wel aan haar zorgplicht zou hebben voldaan, ook de SprintPlan-overeenkomsten zouden hebben gesloten. Noch uit de verklaring van [eiser sub 2], noch anderszins is immers gebleken dat de desbetreffende adviseurs [eisers] desgevraagd zodanig hebben geadviseerd dat de risico’s van het SprintPlan voor [eisers] voldoende duidelijk waren.

2.11

Spaarbeleg heeft daarnaast nog gesteld dat vast is komen te staan dat [eisers] het schriftelijke informatiemateriaal niet heeft gelezen. Daaruit zou blijken dat het verstrekken van duidelijke en heldere informatie over de risico’s die aan het SprintPlan kleefden [eisers] niet zouden hebben weerhouden van het sluiten van de SprintPlan-overeenkomsten. Mede om die reden zou volgens Spaarbeleg vast staan dat, ook indien Spaarbeleg nadrukkelijk op de omvang van de financiële risico’s had gewezen, [eisers] tot het sluiten van de overeenkomsten zouden zijn overgegaan. Deze stelling van Spaarbeleg gaat niet op. De zorgplicht van Spaarbeleg brengt immers met zich dat Spaarbeleg niet enkel kon volstaan met het deugdelijk informeren van [eisers], maar dat zij daarnaast gehouden was te onderzoeken of dit product geschikt was voor [eisers] en [eisers] dienaangaande deugdelijk te adviseren, hetgeen niet is gebeurd. De rechtbank verwijst in dit verband naar haar vonnis d.d. 22 december 2004, waarin zij heeft overwogen:

Naar het oordeel van de rechtbank brengt deze zorgplicht in het onderhavige geval met zich, dat Spaarbeleg gehouden is om enerzijds informatie te verstrekken over het aangeboden product, en anderzijds informatie in te winnen bij haar potentiële cliënt omtrent hun financiële positie, ervaring en beleggingsdoelstellingen. Deze in de opeenvolgende versies van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer nader uitgewerkte zorgplicht, is voor zijn bestaansrecht echter niet daarvan afhankelijk. De Nadere Regeling toezicht effectenverkeer moet bovendien gezien worden in het licht van de Wte 1995, geplaatst in het kader van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (93/22/EEG), welke ziet op de beschermingsgedachte ten aanzien van de deskundige financiële dienstverlener ten opzichte van de, in vergelijking met de beleggingsinstelling, niet of minder deskundige consument. De stelling van Spaarbeleg dat artikel 28 lid 1 Nadere Regeling op 1 juni 1999 is ingevoerd en dat dus de in dit artikel genoemde verplichtingen eerst vanaf dat moment golden, wijst de rechtbank om de hiervoor vermelde redenen af.

De genoemde twee verplichtingen, te weten, het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële cliënt, moeten in samenhang worden bezien. In die zin dat naarmate er meer uitgebreide informatie is verstrekt, de noodzaak tot het inwinnen van uitgebreide informatie over de cliënt kan verminderen.

Bij de beoordeling in hoeverre een juiste balans is aangelegd tussen deze twee verplichtingen, speelt de aard van het product en de daaraan verbonden risico's een rol. Voorts is de wijze waarop het product is gepresenteerd van belang, alsmede de beoogde doelgroep.

2.12

De slotsom is dat Spaarbeleg niet in haar bewijsopdracht is geslaagd.

Ontbinding van de SprintPlan-overeenkomsten

2.13

De rechtbank begrijpt de subsidiair gevorderde verklaring voor recht aldus dat gevorderd wordt dat de rechtbank de tussen [eisers] en Spaarbeleg gesloten SprintPlan-overeenkomsten ontbindt, nu van buitengerechtelijke ontbinding geen sprake is, en in dat kader voor recht verklaart dat de tussen [eisers] en Spaarbeleg gesloten SprintPlan-overeenkomsten zijn ontbonden. Dit onderdeel van de vordering ligt als zodanig thans voor toewijzing gereed.

Schadevergoeding

2.14

[Eisers] hebben daarnaast, uit hoofde van schadevergoeding, gevorderd Spaarbeleg te veroordelen tot betaling aan hen van alle door hen in het kader van de SprintPlan-overeenkomsten aan Spaarbeleg betaalde bedragen. De rechtbank begrijpt dit onderdeel van de vordering aldus dat [eisers] uit hoofde van de ongedaanmakingsverbintenis die op Spaarbeleg rust als gevolge van de ontbinding van de SprintPlan-overeenkomsten betaling vordert van de uit hoofde van de SprintPlan-overeenkomsten aan Spaarbeleg betaalde bedragen. De stellingen van Spaarbeleg betreffende het ontbreken van causaal verband tussen de gevorderde schadevergoeding en de schending van de zorgplicht treffen daarom geen doel. Ook deze vordering ligt derhalve voor toewijzing gereed. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van de dag waarop de ontbinding van de SprintPlan-overeenkomsten een feit is, te weten heden (zie r.o. 2.13).

Buitengerechtelijke kosten en proceskosten

2.15

[Eisers] hebben vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd tot een bedrag van € 3.448,--. Ter onderbouwing van deze kosten verwijzen [eisers] slechts naar pogingen een oplossing in der minne met Spaarbeleg te treffen voorafgaande aan deze procedure. Bij dagvaarding hebben [eisers] daarnaast een tweetal brieven van hun advocaat alsmede de reactie daarop van Spaarbeleg overgelegd. Uit een en ander blijkt niet dat [eisers] kosten hebben gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten, waarvan [eisers] betaling vorderen, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

2.16

Spaarbeleg zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

3.

De beslissing

De rechtbank:

3.1

ontbindt de vijf SprintPlan-overeenkomsten die tussen [eisers] en Spaarbeleg zijn gesloten en verklaart voor recht dat deze vijf SprintPlan-overeenkomsten zijn ontbonden;

3.2

veroordeelt Spaarbeleg om te betalen aan [eisers] een bedrag gelijk aan alle door [eisers] aan Spaarbeleg in het kader van de SprintPlan-overeenkomsten betaalde bedragen, verhoogd met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag van voldoening;

3.3

veroordeelt Spaarbeleg in de proceskosten aan de zijde van [eisers] gevallen, tot op deze uitspraak begroot op € 286,16 aan verschotten en op € 1.808,00 aan salaris;

3.4

verklaart dit vonnis voor wat betreft 3.2 en 3.3 uitvoerbaar bij voorraad;

4.4

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D.C.P.M. Straver, L.M.G. de Weerd en Ch.E. Bethlem en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 20 april 2005.

w.g. griffier w.g. rechter