Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AT3895

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
19-04-2005
Zaaknummer
190630/ FA RK 05-685
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft kinderontvoering. Haags kinderontvoeringsverdrag art. 3,7 lid 2 onder c.

Door slechts als doorgeefluik tussen de ouders te fungeren geeft de Centrale Autoriteit onvoldoende invulling aan de in het verdrag neergelegde opdracht te onderzoeken of een regeling in der minne tussen partijen mogelijk is. Het is de rechtbank niet gebleken dat zij, na kennis te hebben genomen van de wederzijdse standpunten, heeft onderzocht of deze standpunten naar tot elkaar konden worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2005, 113
JPF 2005/64 met annotatie van mr. L.Th.L.G. Pellis
JIN 2005/230
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Utrecht

TUSSENBESCHIKKING

van de meervoudige kamer voor de

behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

het Bureau Centrale Autoriteit,

Directie Preventie, Jeugd en Sanctie-

beleid van het Ministerie van Justitie,

gevestigd te ’s-Gravenhage, nader te noemen: de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens [naam vader], wonende te [woonplaats in Spanje], nader te noemen de vader,

gemachtigde: mr. A.S. Thuis,

- tegen -

[naam moeder],

wonende te [woonplaats],

nader te noemen: de moeder,

procureur mr. M.T.N. Whiterod.

1. Het verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het ter griffie ingediende verzoekschrift.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 9 maart 2005.

2. De vaststaande feiten

- De ouders zijn op 12 april 2001 te Blaricum met elkaar gehuwd.

- De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit.

- De vader heeft de Spaanse nationaliteit.

- Uit hun huwelijk zijn geboren:

[naam kind 1], op 29 december 2001 te Hilversum,

en

[naam kind 2], op 23 mei 2004 te Madrid, Spanje.

- De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de voornoemde kinderen.

- De ouders hebben van eind 1994 tot begin 2003 in Nederland gewoond, waarna het gezin naar Spanje is verhuisd. De staat van het gewone verblijf van voornoemde kinderen is derhalve Spanje.

- De moeder is op 14 augustus 2004, met een retourticket, gedateerd 27 september 2004, met de voornoemde kinderen naar Nederland vertrokken.

- De vader heeft, door tussenkomst van zijn procureur, mr. C.L.M. Smeets, de Nederlandse Centrale Autoriteit op 2 december 2004 verzocht op grond van het Haags Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, hierna te noemen het Verdrag, haar medewerking te verlenen aan de teruggeleiding van de voornoemde minderjarigen naar Spanje.

3. Het verzoek

De Centrale Autoriteit heeft verzocht:

- te bevelen dat de terugkeer van de vermelde minderjarigen vóór een door de rechtbank te bepalen datum zal plaatsvinden,

althans, dat de kinderen aan hun vader worden afgegeven indien de moeder om haar moverende redenen niet wenst terug te keren naar Spanje.

Ter terechtzitting van 9 maart 2005 heeft de Centrale Autoriteit haar verzoek

nader gepreciseerd en aanvullend verzocht:

- te gelasten dat de betrokken minderjarigen vóór een door de rechtbank te bepalen datum worden teruggeleid naar de plaats van hun gewone verblijf, althans worden afgegeven aan hun vader wanneer de moeder niet wenst terug te keren naar Spanje,

- de moeder te veroordelen in de kosten welke rechtstreeks volgen uit de terugkeer van de betrokken minderjarigen naar Spanje.

De procureur van de moeder heeft ter terechtzitting van 9 maart 2005 namens haar cliënte gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek van de Centrale Autoriteit.

4. De beoordeling

De Centrale Autoriteit heeft haar verzoek tot teruggeleiding gedaan op grond van het voornoemde Verdrag.

Nederland en Spanje zijn beiden verdragsstaten en derhalve is het Verdrag van toepassing.

Namens de moeder is betoogd, dat er geen sprake is van kinderontvoering in de zin van het Verdrag aangezien – kort gezegd – de kinderen met medeweten en met toestemming en instemming van de vader met de moeder naar Nederland zijn gegaan. Zij heeft daartoe onder meer gesteld, dat de vader volledig op de hoogte was van het definitieve karakter van het vertrek naar Nederland, dat er geen enkele onduidelijkheid bestond omtrent het doel van de reis van de moeder en de kinderen en dat het ook voor andere familieleden en bekenden volledig duidelijk was dat zij had besloten zich met de kinderen definitief in Nederland te vestigen. Voorts dat de vader aan dit vertrek zijn volledige medewerking heeft verleend en hen zelfs op het vliegveld uitgeleide heeft gedaan. Tenslotte heeft zij gesteld dat de vader heeft ingestemd met, althans op de hoogte was van het definitieve karakter van haar vertrek naar Nederland en daartegen niet heeft geprotesteerd, dan wel dat hij daarin naderhand heeft toegestemd of heeft berust.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Verdrag wordt het overbrengen of het niet doen terugkeren van een minderjarige als ongeoorloofd beschouwd, wanneer:

a. dit geschiedt in strijd met het gezagsrecht, dat is toegekend aan een persoon, een instelling of enig ander lichaam, alleen of gezamenlijk, ingevolge het recht van de Staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had; en

b. dit recht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

Noch op grond van de overgelegde stukken noch op grond van het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de vader op enig tijdstip voor dan wel na het vertrek van de moeder met de kinderen naar Nederland hiermee uitdrukkelijk heeft ingestemd. Derhalve kan in het midden blijven het antwoord op de vraag in hoeverre de vader er zich ten tijde van het vertrek van bewust was, dat de moeder beoogde zich blijvend met de kinderen in Nederland te vestigen. Aan het uitblijven van een protest van de vader tegen haar vertrek met de kinderen vermag de rechtbank dan ook niet de betekenis toe te kennen, die de moeder daaraan verbindt, ook niet indien de vader geacht zou kunnen worden de aard daarvan te hebben gekend of begrepen.

Dit brengt mee, dat sprake is van ongeoorloofde overbrenging in de zin van het Verdrag.

Mevrouw C.H.T.M. Bogers heeft ter terechtzitting, namens de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Utrecht, verklaard dat de ouders gezamenlijk een oplossing moeten zoeken die in casu het meest in het belang van de kinderen is. Zij heeft voorts verklaard dat zij het thans het meest in het belang van de kinderen acht dat de huidige situatie, waarbij de kinderen bij de moeder verblijven en zij regelmatig contact hebben met hun vader, voorlopig, in afwachting van een definitieve oplossing, gehandhaafd dient te blijven.

Ontvankelijkheid

Namens de moeder is onder meer betoogd, dat de Centrale Autoriteit niet in haar verzoek dient te worden ontvangen, nu zij, alvorens het onderhavige verzoek aan de rechtbank te doen, eerst tussen partijen een minnelijke regeling had dienen te beproeven.

Door de Centrale Autoriteit is daartegen aangevoerd, dat het voorstel van de moeder tot het treffen van een regeling in der minne aan de vader is doorgeleid en dat, nu de vader geen aanleiding zag daarop positief te reageren, dit traject als afgesloten moest worden beschouwd. Dienaangaande is ter terechtzitting namens de Centrale Autoriteit nog verklaard dat nader overleg met de vader had geleerd, dat hij geen enkel vertrouwen meer had in overleg met de moeder, nu zij in het kader van eerder gevoerd overleg steeds een ander standpunt innam. De moeder heeft dit ontkend. Verzoekers hebben deze stelling niet nader onderbouwd.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7, tweede lid, onder c van het Verdrag nemen Centrale Autoriteiten, hetzij rechtstreeks, hetzij via tussenkomst van een andere instantie, alle passende maatregelen, teneinde te verzekeren dat het kind vrijwillig wordt teruggegeven of een schikking in der minne wordt bereikt.

Aangaande de wijze waarop de Centrale Autoriteit pogingen in het werk heeft gesteld om tussen partijen een regeling in der minne te bewerkstelligen is het volgende gebleken.

In een brief van 10 december 2004 heeft de Centrale Autoriteit de moeder in overweging gegeven de kinderen alsnog vrijwillig te doen terugkeren naar Spanje, dan wel te trachten met de vader alsnog tot overeenstemming te komen over de plaats van hun verblijf. Dit laatste door rechtstreeks met de vader overleg te plegen, dan wel via een tussenpersoon.

Ook de Centrale Autoriteit zou desgewenst de voorstellen van de moeder aan de vader kunnen doorgeleiden, aldus de brief. Daarbij werd door de Centrale Autoriteit wel opgemerkt dat zij handelt ter uitvoering van het Verdrag en dat zij mede namens de vader optreedt en derhalve niet onpartijdig is.

Nadat de (gemachtigde van de) moeder daarop bij brief van 23 december 2004, met een uitvoerige toelichting, in positieve zin had gereageerd, heeft de Centrale Autoriteit bij brief van 28 december 2004 aan de gemachtigde van de moeder verzocht een voorstel te doen voor een minnelijke regeling, een en ander onder plaatsing van de volgende kanttekening:”Wanneer deze voorstellen onvoldoende perspectief bieden om tot een minnelijke regeling te komen, dan zal de Centrale Autoriteit de rechtbank te Utrecht verzoeken om een bevel tot teruggeleiding”.

Op 11 januari 2005 heeft de gemachtigde van de moeder vervolgens een voorstel geformuleerd.

Dit voorstel borduurde voort op schikkingsonderhandelingen die partijen in de maand oktober 2004 hebben gevoerd. Uitgangspunt bij deze onderhandelingen vormde het gewone verblijf in de toekomst van de kinderen bij de moeder in Nederland. Partijen werden in die fase verdeeld gehouden door een verschil van mening over de precieze omvang en frequentie van omgang van de vader met de kinderen in Spanje.

Onder bijvoeging van een reactie van de gemachtigde van de vader heeft de Centrale Autoriteit bij brief van 21 januari 2005 aan de gemachtigde van de moeder laten weten, dat deze reactie haar geen aanleiding gaf af te zien van het indienen van een verzoek tot teruggeleiding.

De rechtbank is van oordeel, dat de Centrale Autoriteit aldus onvoldoende invulling heeft gegeven aan de in het Verdrag neergelegde opdracht te onderzoeken of een regeling in der minne tussen partijen mogelijk is. Het is de rechtbank immers niet gebleken dat zij, na kennis te hebben genomen van de wederzijdse standpunten, heeft onderzocht of deze standpunten nader tot elkaar konden worden gebracht.

Dit klemt temeer, nu uit het voorstel van 11 januari 2005, gedaan namens de moeder, blijkt dat zij zonodig bereid was haar voorkeuren en voorwaarden rond een omgangsregeling in Spanje te laten varen ten gunste van alle voorwaarden die de vader dienaangaande eerder naar voren had gebracht.

Nu partijen aldus een minnelijke regeling zo dicht waren genaderd had het in het licht van een correcte uitvoering van de opdracht, neergelegd in artikel 7, tweede lid, onder c van het Verdrag, op de weg van de Centrale Autoriteit gelegen na te (doen) gaan of een regeling in der minne alsnog mogelijk was, alvorens over te gaan tot indiening van het onderhavige verzoek.

De toelichting ter terechtzitting zijdens de Centrale Autoriteit, inhoudende dat verdere pogingen om in der minne tot een oplossing te komen zinloos waren, aangezien de vader ten gevolge van de steeds wisselende opstelling van de moeder al zijn vertrouwen in haar verloren was, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

In dit verband merkt de rechtbank nog op, dat de Centrale Autoriteit weliswaar een zekere vrijheid van handelen heeft bij de invulling van meergenoemde opdracht, maar dat die vrijheid niet mede omvat het afzien van verdere activiteiten om te trachten partijen alsnog tot overeenstemming te brengen. Daarbij mag niet onbelicht blijven dat het draagvlak van een regeling in der minne in het algemeen groter is dan een oplossing die gevonden dient te worden na een door een van beide partijen afgedwongen terugkeer van de kinderen naar het land van het oorspronkelijk verblijf.

De rechtbank merkt in dit verband tenslotte nog op dat uit de feitelijke gang van zaken valt af te leiden dat de Centrale Autoriteit klaarblijkelijk prioriteit geeft aan het behartigen van de belangen van de verzoekende ouder, indien en in zoverre het streven er slechts op is gericht het doel van het Verdrag – teruggeleiding van kinderen die door een ouder zonder toestemming van de andere gezaghebbende ouder naar een ander (verdrags-)land zijn gebracht – te verwezenlijken. Doorslaggevend dienen evenwel ingevolge het eveneens ten deze van toepassing zijnde Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind te allen tijde de belangen van de kinderen te zijn. Nu het bereiken van een minnelijke regeling tussen ouders ook en, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, mogelijk meer in het belang kan zijn van de minderjarigen dan een gedwongen terugkeer - hetgeen ook aansluit bij de opvatting van de Raad voor de Kinderbescherming - dient de Centrale Autoriteit de kansen op een regeling in der minne uitdrukkelijk mee te wegen en daartoe verdere pogingen te ondernemen. Dit laatste ook indien zulks mogelijk in strijd zou zijn met de belangen van degene die zich tot haar heeft gewend teneinde teruggeleiding te bewerkstelligen. Het is de rechtbank onvoldoende gebleken, dat zulks is gebeurd.

De rechtbank acht het dan ook aangewezen dat de ouders alsnog trachten door middel van overleg dan wel bemiddeling tot een regeling in der minne te komen. Zij zal derhalve, alvorens nader op het verzoek van de Centrale Autoriteit, de ontvankelijkheid ervan en het beroep op artikel 13 van het Verdrag te beslissen, haar alsnog in de gelegenheid stellen te trachten tussen de ouders een minnelijke regeling tot stand te brengen, al dan niet met behulp van mediation. Daartoe zal zij de behandeling van de procedure aanhouden tot de terechtzitting met gesloten deuren van deze rechtbank van 18 mei 2005 te 11.00 uur.

4. De beslissing

De rechtbank:

stelt de Centrale Autoriteit in de gelegenheid tussen partijen een regeling in der minne te (doen) beproeven;

houdt de behandeling van de onderhavige procedure aan tot de terechtzitting met gesloten deuren van 18 mei 2005 te 11.00 uur, met het verzoek aan de Centrale Autoriteit om voor die datum de rechtbank schriftelijk hierover te informeren;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C.Quik-Schuijt, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. P.J.G. van Osta en M. Stolwerk, leden van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken tevens kinderrechters,

in tegenwoordigheid van M.E. van den Akker, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 april 2005.

w.g. griffier w.g. rechter