Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AT3466

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-04-2005
Datum publicatie
08-04-2005
Zaaknummer
SBR 05/831 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo. Gebruikmaking door burgemeester van bevoegheid tot het stellen van beperkingen aan, in dit geval, een deel van de route van een demonstratie door de binnenstad ogv de Wet openbare manifestaties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector bestuursrecht

nr. SBR 05/831 VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats],

verzoeker,

en

de Burgemeester van Utrecht,

verweerder.

1. INLEIDING

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 6 april 2005, waarbij aan verzoeker ter zake van de op 7 april 2005 vanaf circa 18.00 uur te houden demonstratie op grond van het bepaalde in de artikelen 2 en 5 van de Wet openbare manifestaties (Wom) beperkingen zijn opgelegd in die zin dat daarbij een andere dan de opgegeven route is vastgesteld.

1.2 Het verzoek is op 7 april 2005 ter zitting behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A.G. de Werker en O. Flemming, beiden werkzaam bij de gemeente Utrecht, alsmede plv. districtschef Van der Hoeven, werkzaam bij de Politieregio Utrecht.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Op 15 maart 2005 heeft verzoeker aan verweerder kennisgegeven van een voorgenomen demonstratie op donderdag 7 april 2005 tussen 18.00 en circa 22.00 uur onder het motto Begrafenis Weggeefwinkel & Vismarkt langs de volgende route: Paardenveld, Catharijnekade, Vredenburg, Lange Viestraat, Potterstraat, Lange Jansstraat, Korte Jansstraat, Domstraat, Domplein, Vismarkt en Stadhoudersbrug. Doel van de demonstratie was het op symbolische wijze ten grave dragen van de weggeefwinkel, een particulier initiatief waarbij met gebruikmaking van het gekraakte pand aan het Vredenburg 29, tweedehands goederen gratis aan het publiek werden aangeboden. Aan dit inmiddels anderhalf jaar bestaande en volgens de initiatiefnemers succesvolle initiatief zou een einde komen na de op last van derden afgedwongen ontruiming van het pand. De demonstratie, waaraan naar verwachting 100 tot 300 personen zouden deelnemen, was aldus samengesteld dat 2 zestallen twee grafkisten achter een kopspandoek over de route zouden dragen, geflankeerd door fakkeldragers en een geluidswagen. Om een regelmatig verloop van de demonstratie te waarborgen was tevens voorzien in een niet als zodanig herkenbare ordedienst, medische noodhulp en (ter voorkoming van eventueel brandgevaar) emmers zand en water.

2.4 Op 30 maart 2005 heeft over dat voornemen een eerste overleg plaatsgevonden tussen twee vertegenwoordigers van de gemeente en de politieregio Utrecht en twee vertegenwoordigers van de organisatie, waaronder verzoeker.

Zoals tevoren bij de organisatie onder de aandacht was gebracht, is daarbij met name een alternatieve route aan de orde gekomen, dit omdat de geplande route voor een groot deel over de zogeheten HOV-baan zou voeren, hetgeen verweerder met het oog op de doorstroming van het verkeer, de verkeersveiligheid en de openbare orde onwenselijk achtte.

Met het in dat overleg door de organisatie voorgestelde alternatief, te weten ter hoogte van C & A op het Vredenburg oversteken naar de Lange Elisabethstraat, en vervolgens, via de Steenweg en tot halverwege de Choorstraat., verplaatsing naar de Vismarkt, werd door de gesprekspartners, vooruitlopend op het door het bevoegde gezag nog te nemen besluit, ingestemd. Daarbij is blijkens het verslag wel aangetekend dat, nu dit alternatief door het voetgangersgebied zou voeren, de stoet niet zou mogen uitwaaieren in de breedte, het kopspandoek daarop eveneens zou worden aangepast en de twee grafkisten niet naast maar achter elkaar zouden moeten worden gedragen. Afgesproken is ten slotte dat er op maandag 4 april 2005 nader overleg zou volgen indien de besluitvorming op wezenlijke onderdelen zou worden aangepast.

2.5 Op de avond van zaterdag 2 april 2005 en in de eerste uren van de daaropvolgende nacht hebben zich in de binnenstad van Utrecht schermutselingen voorgedaan, nadat de busbaan op het Vredenburg door de bewoners en sympathisanten van het kraakpand aan het Vredenburg 29 was geblokkeerd door middel van onder andere in brand gestoken sloophout, fietsen en ander afval. Onder de aanstichters zijn een aantal arrestaties verricht.

Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder hierin aanleiding gevonden voor een nadere risicoanalyse, erin resulterend dat een andere route voor de demonstratie is vastgesteld, te weten: vanaf het vertrekpunt Paardenveld, via de Catharijnekade, het Vredenburg tot het pand nr. 29, terug naar de Catharijnebrug en aan de overzijde van de brug linksaf de Catharijnesingel op, Mariaplaats, Zadelstraat, Vismarkt (alwaar op de nrs. 4 en 5 een ander eveneens te ontruimen project van de krakers is gevestigd) en eindigend op de Stadhuisbrug.

Ter onderbouwing van deze aanpassing is nadrukkelijk gewezen op de omstandigheid dat de door verzoeker voorgestelde route op koopavond voert door een zeer druk bezocht voetgangersgebied, en dat genoemde schermutselingen, waarbij medewerkers van politie en reinigingsdienst vanuit het kraakpand zijn bekogeld met verfbommetjes en schade is aangericht aan het wegdek, het vertrouwen in een rustig verloop van de demonstratie hebben geschaad. Voorts is overwogen dat het verder allerminst zeker is dat de gekraakte panden na gevoerde rechterlijke procedures daarover, vrijwillig en op vreedzame wijze kunnen worden ontruimd.

2.6 In artikel 2 van de Wom, voor zover hier van belang, is bepaald dat de aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht tot vergadering en betoging, slechts kunnen worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Op grond van artikel 5, eerste en derde lid, van de Wom, kan de burgemeester naar aanleiding van een kennisgeving van een voorgenomen betoging voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven, maar kunnen deze geen betrekking hebben op de inhoud van de te openbaren gedachten of gevoelens.

2.7 Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting bestrijdt verzoeker dat er enig verband bestaat tussen de gebeurtenissen op zaterdagavond 2 april 2005 en de conclusies die verweerder daaruit heeft getrokken voor de verwachtingen over de wijze van ontruiming enerzijds en de voorgenomen demonstratie anderzijds. Er is dan ook uit dien hoofde geen enkele rechtvaardiging voor een andere risicoanalyse, aldus verzoeker. Bovendien is onzorgvuldig gehandeld jegens verzoeker; niet is gebleken dat de belangen van de organisatie zijn meegewogen. In dit verband is er op gewezen dat nog op dinsdagmiddag 5 april 2005 telefonisch is meegedeeld dat er geen sprake zou zijn van grote wijzigingen ten opzichte van hetgeen reeds op 30 maart 2005 was besproken. Verzoeker en de mede-organisatoren als ook de overige medewerkers, in totaal circa 20 personen, hebben zich vanaf dat moment dan ook ingesteld op de tijdens dat overleg besproken alternatieve route. Verzoeker voorziet praktische problemen bij een andere dan deze route, en is verder bevreesd voor een negatief effect op de sfeer, bijvoorbeeld tijdens de demonstratie. Verzoeker acht in aansluiting hierop niet aannemelijk gemaakt dat zich een van de gronden voor beperkingen genoemd in artikel 2 Wom voordoen.

2.8 Zoals ook door verzoeker is erkend, kan verweerder op zichzelf niet de bevoegdheid worden ontzegd om in gebeurtenissen die nadien hebben plaatsgevonden, aanleiding te vinden tot aanpassing van een deel van de route waarmee reeds instemming was betuigd op ambtelijk niveau.

Naar voorlopig oordeel heeft verweerder op goede gronden kunnen menen dat de gebeurtenissen op zaterdagavond 2 april j.l., vanwege de ernst ervan en het daardoor geschade vertrouwen, hebben genoopt tot een nadere afweging.

Dat de gebeurtenissen op zaterdagavond geheel los staan van de demonstratie kan niet worden gevolgd. De weggeefwinkel maakte immers onderdeel uit van het pand dat gekraakt was en als gevolg van het rechterlijk ontruimingsvonnis diende ook de weggeefwinkel het pand te verlaten. Krakers hebben in de media duidelijk aangegeven niet van plan te zijn de panden vrijwillig te verlaten. Voorts zijn de incidenten op het Vredenburg veroorzaakt door bewoners van het kraakpand en sympathisanten van de krakers, waren krakers verschanst op de benedenverdieping van het pand waar de weggeefwinkel was gevestigd en is tenminste een van de organisatoren van de demonstratie als kraker woonachtig in het kraakpand van waaruit de incidenten hebben plaatsgevonden.

2.9 Niet is weersproken en ook overigens staat voor de voorzieningenrechter voldoende vast dat het vervangen deel van de route een zeer druk bezocht voetgangersgebied is in de binnenstad van Utrecht. Zeker nu de demonstratie, die een naar verwachting niet onaanzienlijke deelname zal trekken, zal plaatshebben op koopavond heeft de burgemeester dan ook een zwaarwegend, en doorslaggevend te achten, belang mogen hechten aan het zoveel als mogelijk zeker stellen van de openbare orde en de verkeersveiligheid, ten dienste waarvan de route is aangepast. Daarbij is mede betrokken dat de voor de demonstranten essentiële gedeelten van de route, te weten de locaties waar de kraakpanden zich bevinden en waar overigens eveneens de aandacht kan worden getrokken van (winkelend) publiek, zijn gehandhaafd. De stelling dat door de wijziging van de route te veel afbreuk zal worden gedaan aan het karakter van de demonstratie kan dan ook niet worden gedeeld aangezien ook op het gedeelte van de route vanaf de Mariaplaats tot aan het stadhuis gelegenheid zal zijn om onder meer folders uit te delen aan het publiek.

2.10 Voorts is niet gebleken dat verzoeker voor onoverkomelijke problemen is geplaatst door de – gelet op de gemaakte afspraken te korte – termijn waarop de organisatie van de wijziging op de hoogte is gebracht. Blijkens het verhandelde ter zitting zouden de deelnemers aan de betoging wel van het vertrekpunt maar niet van het precieze verdere verloop van de route vooraf op de hoogte worden gesteld, en is men verder in staat gebleken de (voorlichtende) flyers nog voor zover nodig aan te passen. Met potentiële demonstranten kan bovendien via een e-mail nieuwsbrief op zeer korte termijn contact worden gezocht. Overigens heeft verweerder er terecht op gewezen dat het ook anderszins mogelijk zou moeten zijn, bijvoorbeeld met behulp van de aanwezige geluidswagen, een en ander in goede banen te leiden. Ter zitting is ook door verzoeker erkend dat de praktische problemen op te lossen waren.

2.11 Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Hier doet niet aan af dat in het besluit staat vermeld dat het is toegestaan om op een aantal locaties toespraken te houden. Zoals door verweerder ter zitting is erkend komt aan verweerder niet de bevoegdheid toe om vooraf toestemming te geven tot het houden van toespraken. Voor zover door de bewoordingen in het besluit de indruk wordt gewekt dat verweerder desondanks het oogmerk heeft gehad om een dergelijke bevoegdheid uit te oefenen, is dat een gebrek dat in het besluit op bezwaar kan worden hersteld en in waardoor verzoeker thans niet concreet is benadeeld.

2.12 Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van verzoeker zijn gelet op het voorgaande geen termen aanwezig.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

Wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. T. Dompeling en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2005.

De griffier: De voorzieningenrechter:

J.D. Koteris mr. T. Dompeling

Afschrift verzonden aan partijen op: