Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AT2426

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-03-2005
Datum publicatie
24-03-2005
Zaaknummer
383775 CU EXPL 04-12509
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Functiewaardering

Vordering van ambulanceverpleegkundige tot indeling in FWG 60 met terugwerkende kracht toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

SECTOR KANTON, LOCATIE UTRECHT

Vonnis in de zaak van:

[eiser],

wonende te Woerden,

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr.P.J. Smink (CNV Bedrijvenbond),

tegen:

de stichting Stichting Hofpoort Ziekenhuis,

gevestigd te Woerden,

verder ook te noemen Hofpoort,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. A. Wielink (Boertien Consulting).

Verloop van de procedure

[eiser] heeft een vordering ingesteld.

Hofpoort heeft geantwoord op de vordering.

[eiser] heeft voor repliek en Hofpoort heeft voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

1. De vordering en het verweer

1.1 [eiser] vordert dat het de kantonrechter behage bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Hofpoort te veroordelen tot indeling van [eiser] in de functieschaal FWG 60 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2000, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag waarop Hofpoort binnen 7 dagen na betekenis (bedoeld zal zijn: betekening) van dit vonnis geen uitvoering geeft aan het vonnis, alsmede tot betaling van de wettelijke verhoging over het ten onrechte niet betaalde gedeelte van het salaris alsmede tot betaling van de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.

1.2 Hofpoort heeft gemotiveerd verweer gevoerd op de inhoud waarvan, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken alsmede op grond van de overgelegde stukken staan tussen partijen de volgende feiten vast.

2.1 [eiser], [geboortedatum], is bij Hofpoort in dienst in de functie van ambulanceverpleegkundige.

2.2 Hofpoort hanteert een functiewaarderingssysteem, geheten FWG 3.0, dat geaccordeerd is door de bij de CAO Ziekenhuiswezen betrokken partijen en die wordt uitgevoerd door NZf als systeemhouder. Daarbij worden functies ingedeeld in functiewaarderingsgroepen (FWG). De methodiek bestaat uit 9 gezichtspunten die elk zijn onderverdeeld in meerdere aspecten waaraan punten worden toegekend. Elk aspect belicht een onderdeel van een gezichtspunt.

2.3 De uiteindelijke indeling van een functie gebeurt doordat de systeemtoepasser een functiebeschrijving beoordeelt en per gezichtspunt diverse normniveaus beoordeelt. Het computerprogramma FWG 3.0 geeft op basis daarvan een systeemadvies, waarvan de systeemtoepasser mag afwijken indien hij na beoordeling van ijkfuncties tot de conclusie komt dat een andere functiegroep van toepassing is.

2.4 [eiser] was en is ingedeeld conform FWG functiegroep 55. Bij brief van 15 augustus 2002 van Hofpoort is aan de ambulanceverpleegkundigen [naam A] en [naam B], post [standplaats A] en [standplaats B], een voorstel gedaan tot functie-indeling van de functie ambulanceverpleegkundigen in FWG 55 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2000. Blijkens het daarbij gevoegde indelingsvoorstel van adviesbureau DIN, (DIN) gespecialiseerd in functiewaardering en op dit gebied vaste adviseur van Hofpoort, was het systeemadvies FWG 60 en de indelerskeuze FWG 55.

2.1 Bij brief van 29 augustus 2002 heeft [eiser] namens alle ambulanceverpleegkundigen van de betreffende posten bezwaar gemaakt tegen het indelingsvoorstel bij de Interne Bezwaren Commissie (IBC), een en ander conform artikel 76 CAO Ziekenhuiswezen.

2.2 Bij brief van 25 oktober 2002 adviseert de IBC - samengevat - tot indeling in FWG 60.

2.3 Bij brief van 18 november 2002 handhaaft Hofpoort tegen het advies van de IBC haar initiële indelingsvoorstel, mede op basis van een aanvullend advies van DIN.

2.4 Bij brief van 30 december 2002 maakt [eiser] namens de ambulanceverpleegkundigen bezwaar tegen dit besluit bij de Landelijke Commissie Functiewaardering Ziekenhuizen (LCF).

2.5 Op 17 april 2003 heeft de LCF het bezwaar van [eiser] gegrond verklaard en geadviseerd de functie van [eiser] in te delen in FWG 60. Hofpoort had op dat moment nog niet schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift van [eiser], waartoe zij door de LCF alsnog is toegelaten. Nadat Hofpoort bij brief van 8 mei 2003 schriftelijk had gereageerd op het bezwaar van [eiser] heeft de LCF bij brief van 21 mei 2003 laten weten dat zij hierin geen reden zag om terug te komen op haar eerdere advies.

2.6 Bij brief van 13 juni 2003 heeft Hofpoort schriftelijk aan [eiser] laten weten dat zij ondanks het andersluidende advies van de LCF haar initiële indeling van de functie van ambulanceverpleegkundige in FWG 55 zou handhaven.

2.7 In artikel 4.1 lid 5 van het - niet in deze procedure overgelegde - reglement Landelijke Commissie FWG Ziekenhuizen is bepaald dat alleen gemotiveerd van het zwaarwegende advies van de LCF kan worden afgeweken.

2.8 Hofpoort heeft bij brief van 21 december 2003 bericht aan de gemachtigde van [eiser] er geen bezwaar tegen te hebben dat de uitspraak in het onderhavige geding van toepassing te verklaren op alle ambulanceverpleegkundigen.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Uitgangspunt bij de beoordeling van het onderhavige geschil vormt de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 2 mei 2003 (JAR 2003/129). De werkgever komt bij functie-indeling, mits hij blijft binnen het toepasselijke functiewaarderingssysteem, een zekere mate van vrijheid toe om de tot de functie behorende werkzaamheden te wegen tegen de achtergrond van de gehele ziekenhuisorganisatie.

3.2 Bij deze weging is het advies van de indelingsadviescommissie - in het onderhavige geval de IBC- mede van belang. In het onderhavige geval is voorts sprake van een bij CAO geregelde (landelijke) bezwaarprocedure bij de LCF, terzake waarvan is bepaald dat het advies van de LCF “zwaarwegend” is en dat de werkgever hiervan slechts gemotiveerd kan afwijken.

3.3 In het licht van het voorgaande ziet de kantonrechter zich geplaatst voor de vraag (a) of Hofpoort bij de indeling van de functie van [eiser] in FWG 55 binnen de grenzen van het toepasselijke functiewaarderingssysteem FWG 3.0 is gebleven en (b) of zij in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen, mede gelet op de adviezen van de IBC en de LCF.

3.4 Voor zover het betoog van [eiser] ertoe strekt dat Hofpoort slechts van het advies van de IBC of de LCF zou mogen afwijken als komt vast te staan dat deze commissies in redelijkheid niet tot hun adviezen hadden kunnen komen, faalt dit. Hoewel zwaarwegend, houden deze beslissingen het karakter van een advies aan de werkgever, hetgeen ook reeds volgt uit het feit dat in het Reglement van de LCF is bepaald dat gemotiveerd van het advies van de LCF mag worden afgeweken.

3.5 De hiervoor genoemde vraag (a) beantwoordt de kantonrechter bevestigend. Gesteld noch gebleken is dat Hofpoort bij haar indeling de grenzen van het functiewaarderingssysteem te buiten is gegaan of dit onjuist heeft toegepast. Vast staat immers, gelet op de door Hofpoort overgelegde en door [eiser] onweersproken toelichting op de hantering van FWG 3.0, dat het systeemadvies niet bindend is en dat de uiteindelijke indelerskeuze gebaseerd is op een veelheid van factoren waarbij het systeemadvies een belangrijke rol speelt, maar daarnaast ook gekeken dient te worden naar onder meer de ijkfuncties (zie onder andere productie 4 bij conclusie van antwoord).

3.6 Ten aanzien van vraag (b) acht de kantonrechter twee aspecten van belang:

- partijen verschillen van mening over de waardering van twee gezichtspunten bij de toepassing van het computerprogramma FWG 3.0, te weten het gezichtspunt “Uitdrukkingsvaardigheid” en het gezichtspunt “Overige Functie-eisen”;

- partijen verschillen van mening over de vraag of Hofpoort terecht van het systeemadvies FWG 60 is afgeweken, rekening houdend met de ijkfuncties bij enerzijds FGW 55 en anderzijds FWG 60 en voorts rekening houdend met het landelijk beeld waarin de beschreven functies voor verplegende acute hulp worden gewaardeerd met maximaal niveau 55.

De kantonrechter hecht eraan op te merken dat reeds in het door Hofpoort gehanteerde functie-eisenpatroon, waarbij het gezichtspunt Overige Functie-eisen met een D werd gewaardeerd, het (computer)systeemadvies 60 was. In de door [eiser] voorgestane en zowel door de IBC als de LCF gevolgde waardering van het gezichtspunt Overige Functie-eisen met een hoger niveau, namelijk respectievelijk F en E, blijft het systeemadvies hetzelfde, namelijk FWG 60.

Voor zover Hofpoort in haar brief van 8 mei 2003 onder 2.g, onder “Conclusie”, waar zij stelt “Systeemadvies op basis van het functie-eisen patroon blijft ons inziens dan ook als volgt luiden: G G H F B E F D F. Dit komt overeen met indeling in functiegroep 55” heeft willen suggereren dat een andere waardering van het gezichtspunt Overige Functie-eisen zou leiden tot een ander systeemadvies, is dit standpunt niet juist.

3.7 Uit het feit evenwel dat het debat zich heeft toegespitst op de waardering van met name het gezichtspunt Overige Functie-eisen alsmede gelet op de motivering van het advies van de LCF op dit punt, leidt de kantonrechter af dat de waardering van het betreffende gezichtspunt, hoewel leidend tot eenzelfde systeemadvies, wel degelijk van belang is voor de uiteindelijke indelerskeuze in hetzij FWG 55, hetzij FWG 60. Anders gezegd: Hofpoort heeft niet betoogd dat ook indien het gezichtspunt Overige Functie-eisen met een E moet worden gewaardeerd, een indelerskeuze voor FWG 55 gerechtvaardigd is.

3.8 Zowel de IBC als de LFC hebben de keuze van Hofpoort om de waardering van het gezichtspunt Uitdrukkingsvaardigheid op niveau B te stellen, gevolgd. Aangezien Hofpoort in haar uiteindelijke besluit niveau B voor dit gezichtspunt heeft gehandhaafd, is zij op dit onderdeel niet van het advies van de LCF afgeweken. De vraag of de bezwaren van [eiser] tegen deze keuze valide zijn kan onbeantwoord blijven, gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen.

3.9 Zowel de IBC als de LCF hebben de Overige Functie-eisen gewaardeerd met een hoger niveau dan het door Hofpoort gekozen niveau D. Deze hogere waardering van het gezichtspunt Overige Functie-eisen geeft zowel in het advies van de IBC als in dat van de LCF de doorslag om de functie van ambulanceverpleegkundige in te delen in FWG 60 in plaats van 55. De IBC heeft de waardering voor Overige Functie-eisen gesteld op niveau F en de LCF op niveau E.

3.10 De waardering van het gezichtspunt Overige Functie-eisen valt uiteen in 5 aspecten, te weten doorzettingsvermogen (dz), systematiek (sys), integriteit (int), voorkomen (vk) en gevoel voor menselijk lichaam (gv).

3.11 De waardering van de LCF van Overige Functie-eisen met een E is tot stand gekomen door het volgende scorepatroon op de bovengenoemde aspecten: b(dz)-c(sys)-a(int)-b(vk)-b(gv), waarbij zij op de onderdelen “systematiek” en “voorkomen” een hogere score toekent dan Hofpoort, nl respectievelijk c en b in tegenstelling tot b en a . Zij heeft haar oordeel op deze onderdelen als volgt gemotiveerd:

“Wat betreft het onderdeel gevoel voor systematiek, ordelijkheid of hygiëne is de LCF van oordeel dat waardering c van toepassing is, ook in chaotische situaties is systematiek, ordelijkheid en hygiëne van groot belang, er worden weliswaar geen medisch specialistische diagnoses gesteld, de eisen die aan functionaris worden gesteld zijn naar het oordeel van de LCF zwaarder dan de eisen omschreven bij normtekst b, gelet op de situatie waarin werkzaamheden worden verricht, de analyses die verricht worden en de feitelijk te verrichten werkzaamheden. (…)

Wat betreft het onderdeel eisen gesteld aan voorkomen en/of gedrag is de LCF van oordeel dat waardering b van toepassing is, er is sprake van veelvuldige externe contacten, die specifieke eisen stellen aan het optreden van functionaris .(…)

3.12 Hofpoort verwijst in haar beslissing van 10 oktober 2003 tot handhaving van haar initiële besluit om de functie van ambulanceverpleegkundige in te delen in FWG 55, naar de eerder door haar bij de IBC en de LCF ingediende stukken. Ten aanzien van haar normkeuze D voor het gezichtspunt Overige Functie-eisen betoogt Hofpoort het volgende. Bij dit gezichtspunt worden in de tekst bij normniveau D ijkfuncties genoemd als ambulant begeleider, creatief therapeut, sociaal-psychiatrisch verpleegkundige en wijkverpleegkundige die in haar visie vergelijkbaar zijn qua niveau met de functie van ambulanceverpleegkundige. Ook is de normtekst bij niveau D aangevuld met de naam van de ijkfunctie ambulanceverpleegkundige.

3.13 In de normtekst bij niveau E voor het gezichtspunt Overige Functie-eisen staat als voorbeeld de verpleegkundige brandwonden, een functie die volgens Hofpoort niet vergelijkbaar is met die van ambulanceverpleegkundige gelet op de zware en bijzondere (geprotocolleerde) eisen die aan de brandwonden verpleegkundige worden gesteld op het gebied van (met name) hygiëne.

3.14 De kantonrechter overweegt als volgt. Blijkens de toelichting van Hofpoort in de bezwaarprocedure bij de LCF geeft de normtekst bij score c op het aspect systematiek, ordelijkheid en hygiëne onder meer de tekst “het verrichten van onderzoek bij patiënten en het stellen van diagnoses ten behoeve van medische of klinisch-psychologische behandelingen”. Hofpoort heeft gesteld dat de functie van ambulanceverpleegkundige geen diepgaande methode van diagnose vergt, maar vooral gericht is op werken volgens protocollen. Anderzijds erkent Hofpoort dat ook de verpleegkundige brandwonden, die op dit aspect wel als ijkfunctie met score c wordt genoemd, werkt volgens - zij het uitvoerige - protocollen. Hoewel bij de normtekst c wellicht gedacht is aan andersoortige diagnoses, en de kantonrechter niet zal ontkennen dat de diagnostische vaardigheden van een klinisch psycholoog anders zijn dan die van een ambulanceverpleegkundige, heeft de LCF terecht overwogen dat een ambulanceverpleegkundige wel degelijk ter plekke, vaak onder hoge tijdsdruk en zelfstandig - gelet op het door [eiser] gestelde en onweersproken feit dat hij vaak alleen werkt - analyses dient te maken die beter aansluiten bij de normtekst van niveau c dan bij die van niveau b.

3.15 De kantonrechter is met [eiser] en de LCF van mening dat het werken op locatie in vaak chaotische situaties en de daaraan verbonden onvoorspelbare externe invloeden alsmede de tijdsdruk waarmee een ambulanceverpleegkundige te maken heeft, hoge eisen stellen aan dit aspect systematiek, ordelijkheid en hygiëne. Het feit dat door ambulanceverpleegkundigen volgens protocollen wordt gewerkt, doet aan het voorgaande niet af. Gelet op het werken “op locatie” drukt ook de hygiëne-eis zwaar, zij het op andere wijze dan bij een brandwondenverpleegkundige. Wat het werk van de ambulanceverpleegkundige juist ten aanzien van dit aspect wezenlijk doet verschillen van de eveneens zeer verantwoordelijke functies van de door Hofpoort genoemde ijkfuncties op b-niveau van IC-verpleegkundige en Verkoeververpleegkundige, is het feit dat de ambulanceverpleegkundige op locatie en onder onvoorspelbare omstandigheden moet werken. De argumenten die Hofpoort noemt in haar brief van 10 oktober 2003 om op dit (sub)onderdeel af te wijken van het LCF advies, acht de kantonrechter dan ook ontoereikend.

3.16 Ten aanzien van het deelaspect “voorkomen en gedrag” heeft de LCF een b toegekend, en Hofpoort een a. In haar reactie op het bezwaar bij de LCF heeft Hofpoort aangegeven dat het begrip “contacten onderhouden”, behorende bij niveau b op dit aspect, vooral ziet op situaties waarbij de zorg voor continuïteit van het contact van belang is. Weliswaar wordt in de functiebeschrijving van ambulanceverpleegkundige de term “contacten onderhouden” gebruikt, echter de feitelijke werkzaamheden zien vooral op ad-hoc contacten gericht op overdracht van informatie en communicatie tijdens de primaire werkzaamheden.

Ook indien dit juist is, en de normteksten behorende bij de score b op dit aspect “voorkomen en gedrag” niet geheel aansluiten bij de feitelijke eisen die op dit onderdeel aan de ambulanceverpleegkundige worden gesteld, moet worden aangenomen dat aan diens voorkomen en gedrag zodanig bijzondere en hoge eisen worden gesteld, gelet op de diversiteit aan contacten met politie, andere hulpverleners en slachtoffers dat een waardering met score b gerechtvaardigd is. Anders dan Hofpoort is de kantonrechter van oordeel dat het optreden van de ambulanceverpleegkundige niet beperkt is of hoeft te zijn tot het “ter plekke verkrijgen van informatie en regelen van praktische zaken”, maar dat wel degelijk regelmatig ook sprake zal zijn van contacten met enige diepgang met de slachtoffers en/of nabestaanden. Daaraan doet niet af dat die contacten mogelijk van korte duur zijn. Ook op dit punt acht de kantonrechter de redenen die Hofpoort noemt om af te wijken van het LCF-advies onvoldoende zwaarwegend.

3.17 Resumerend is de kantonrechter van oordeel dat Hofpoort het LCF-advies voor zover het betreft de waardering van de Overige Functie-eisen met een E in plaats van een D, dient te volgen. De uitkomst van het systeemadvies blijft dan FWG 60.

3.18 Resteert de vraag of Hofpoort terecht van het systeemadvies afwijkt, gelet op de ijkfuncties. Met name heeft Hofpoort betoogd dat de LCF ten onrechte de functie van ambulanceverpleegkundige niet heeft vergeleken met de ijkfunctie senior verpleegkundige acute hulp, “waarbij terugval op behandelaars niet mogelijk is, en die activiteiten coördineert en aanwijzingen geeft aan verpleegkundigen en anderen”. De LCF heeft in haar reactie bij brief van 21 mei 2003 op de brief van Hofpoort d.d. 8 mei 2003 aangegeven dat op basis van het door het systeem gegenereerde vergelijkbare functies “voorzichtig de conclusie kan worden getrokken dat de functie qua zwaarte balanceert op de grens van de functiegroepen 55 en 60”. Wanneer sprake zou zijn van een “lichte overschrijding” van de normtekstniveaus bij een aantal gezichtspunten, kan in afwijking van het systeemadvies indeling in een lagere FWG gerechtvaardigd zijn, zo begrijpt de kantonrechter het vervolg van de brief. Nu in het onderhavige geval het gezichtspunt Overige Functie-eisen met een E in plaats van een D gewaardeerd moet worden (een gezichtspunt dat bovendien qua aantal aspecten relatief veel gewicht in de schaal legt), is naar het oordeel van de LCF geen sprake van een dergelijke lichte overschrijding en behoort het systeemadvies gevolgd te worden.

3.19 Hetgeen Hofpoort tegen deze argumentatie inbrengt bij brief van 10 oktober 2003 betreft hoofdzakelijk de waardering van het gezichtspunt Overige Functie-eisen. Hierover is in het voorgaande reeds een oordeel gegeven. Voor zover Hofpoort heeft betoogd dat ook bij waardering van dit gezichtspunt op niveau E, zij terecht is afgeweken van het systeemadvies door FWG 55 te kiezen, overweegt de kantonrechter dat zij hiertoe onvoldoende zwaarwegende argumenten heeft genoemd.

Het reeds genoemde feit dat de kadertekst Verplegende acute hulp slechts functieniveaus aangeeft tot FWG 55 legt weliswaar gewicht in de schaal, maar weegt niet op tegen enerzijds het systeemadvies FWG 60 en anderzijds de argumenten van de LCF om, ook wanneer rekening wordt gehouden met de door Hofpoort genoemde en beschreven ijkfuncties, de functie van ambulanceverpleegkundige in te schalen in FGW 60. Hofpoort heeft, onder verwijzing naar het door haar bij brief van 19 oktober 2003 aangehaalde citaat uit de kadertekst Verplegende Acute Hulp, gesteld dat indeling van de functie van ambulanceverpleegkundige in FWG 55 in overeenstemming is met het landelijk beeld. Nog afgezien van de vraag of en in welke mate dit bij de inschaling van de onderhavige functie een rol mag spelen - ambulanceverpleegkundigen kunnen immers onder verschillende CAO’s vallen en onderling verschillende arbeidsvoorwaarden hebben - beschikt de kantonrechter over onvoldoende informatie om de conclusie te rechtvaardigen dat inschaling van de onderhavige functie in FWG significant afwijkt van het landelijk beeld of dat op landelijk niveau (bindende) afspraken zijn gemaakt over harmonisatie van arbeidsvoorwaarden.

3.20 Gelet op het voorgaande zal de vordering van [eiser] worden toegewezen, met dien verstande dat de veroordeling van Hofpoort om [eiser] met terugwerkende kracht tot 1 januari 2000 in te delen in FWG 60 zal worden toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding tot oplegging van een dwangsom, nu er geen aanwijzingen zijn dat Hofpoort zich zal onttrekken aan deze uitspraak en bovendien heeft aangegeven de onderhavige uitspraak van toepassing te zullen achten op alle ambulanceverpleegkundigen met dezelfde functie(beschrijving).

3.21 [eiser] heeft niet gevorderd betaling van het als uitvloeisel van deze hogere indeling verschuldigde achterstallig loon, zodat ook de vordering strekkende tot betaling van de wettelijke verhoging hierover als onvoldoende bepaald of bepaalbaar zal worden afgewezen. Nu er geen bedrag wordt toegewezen is er ook geen aanleiding voor een veroordeling tot betaling van rente. De weersproken buitengerechtelijke incassokosten worden eveneens, als onvoldoende gespecificeerd, afgewezen.

3.22 Wel zal Hofpoort als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4. De beslissing

De kantonrechter:

- Veroordeelt Hofpoort om [eiser] met terugwerkende kracht tot 1 januari 2000 in te delen in FWG 60;

- Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- Veroordeelt Hofpoort in de proceskosten tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 835,78, waaronder € 650,-- aan salaris gemachtigde.

- Wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.S. Pieters, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2005.