Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AT1769

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-03-2005
Datum publicatie
22-03-2005
Zaaknummer
SBR 05-422
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting coffeeshop voor de duur van zes maanden. De beleidsnotitiie Actualisatie Coffeeshopbeleid gemeente Amersfoort van 28 november 2002 met aangescherpte vestigingsvoorwaarden niet kennelijk onredelijk..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector bestuursrecht

nr. SBR 05/422

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker], wonende te Amersfoort,

verzoeker,

en

de burgemeester van de gemeente Amersfoort,

verweerder.

____________________________________________________________________________________

1. INLEIDING

1.1 Het verzoek richt zich tegen het besluit van verweerder van 16 februari 2005 waarbij met ingang van 17 februari 2005 voor de duur van zes maanden de sluiting van Coffeeshop [naam coffeshop], gevestigd op het perceel [adres] te Amersfoort, wordt gelast.

1.2 Het verzoek is op 8 maart 2005 ter zitting behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. B.M.E. Drykoningen, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Roos, werkzaam bij de gemeente Amersfoort.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt bij verweerder tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

2.4 Verzoeker exploiteert sinds 4 maart 2002 Coffeeshop [naam coffeshop] gevestigd op het adres [adres] te Amersfoort. Verzoeker heeft op 8 maart 2002 een gedoogbeschikking ontvangen waarin onder voorwaarden toestemming wordt verleend voor het verstrekken van softdrugs in Coffeeshop [naam coffeshop]. Op 17 december 2002 heeft de gemeenteraad ingestemd met de door verweerder vastgestelde notitie "Actualisatie coffeeshopbeleid gemeente Amersfoort d.d. 28 november 2002". In deze notitie, waarin het gewijzigde coffeeshopbeleid is vastgelegd, wordt onder andere vermeld dat handhaving van het beleid wordt geĆÆntensiveerd ten aanzien van overlast en aantasting van het woon- leefklimaat. Bij brief van 15 januari 2003 heeft verweerder verzoeker in kennis gesteld van het gewijzigde beleid en heeft verweerder, onder verwijzing naar een gesprek van 13 januari 2003, verzoeker verzocht om te zien naar een andere vestigingsplaats. Vervolgens heeft verweerder bij beslissing van 7 oktober 2003 de eerder verleende gedoogbeschikking ingetrokken en vervangen door een nieuwe gedoogbeschikking waarin aan verzoeker tot uiterlijk 1 februari 2005 onder voorwaarden toestemming is verleend voor het verstrekken van softdrugs in voornoemde coffeeshop. Daarbij heeft verweerder verzoeker tot 1 februari 2005 de mogelijkheid geboden de coffeeshop te verplaatsen naar een locatie die aan de vestigingscriteria voldoet.

2.5 Het bezwaar dat verzoeker tegen de beslissing van 7 oktober 2003 heeft ingesteld, is bij besluit van 5 februari 2004 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen laatstgenoemd besluit heeft verzoeker beroep ingesteld. Bij uitspraak van 22 september 2004 heeft de rechtbank verzoekers beroep ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat de gedoogbeschikking van 7 oktober 2003 een weigering inhoudt om een gedoogbeschikking voor onbepaalde duur af te geven. Deze weigering is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb zodat verweerder verzoekers bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.6 Bij brief van 25 januari 2005 heeft verweerder verzoeker herinnerd aan de expiratiedatum van 1 februari 2005. Uit de brief van J.A. van den Berg, districtschef Eemland zuid van 14 februari 2005 aan de burgemeester van Amersfoort blijkt dat op 1 februari 2005 door politieambtenaren van de afdeling Bijzondere Wetten is vastgesteld dat de verkoop van softdrugs vanuit coffeeshop [naam coffeshop] door is gegaan. Verzoeker heeft desgevraagd aan de politieambtenaren te kennen gegeven op de hoogte te zijn van het verbod nog langer softdrugs te verkopen maar niet van zins te zijn daaraan gevolg te geven. Bij een op 11 februari 2005 ingestelde controle werd wederom vastgesteld dat de verkoop van softdrugs onverminderd doorging. Verzoeker gaf ook toen te kennen dat hij nog steeds niet van plan was de verkoop van softdrugs te staken.

Voorts blijkt uit genoemde brief en uit het proces-verbaal van verhoor van 11 februari 2005 dat een politieambtenaar die dag een 15 jarige jongen heeft aangehouden bij coffeeshop [naam coffeshop]. De jongen heeft verklaard dat hij daarvoor een zakje softdrugs bij genoemde coffeeshop had gekocht en dat hem daarbij niet naar zijn legitimatie is gevraagd. Tevens heeft hij verklaard dat hij het afgelopen jaar vaker softdrugs bij de betreffende coffeeshop heeft gekocht.

2.7 Tijdens het zienswijzegesprek op 16 februari 2005 heeft verzoeker verklaard dat hij had verwacht dat de gemeente zijn zaak zou komen sluiten. Omdat er niets gebeurde, heeft hij in overleg met zijn advocaat besloten de coffeeshop open te houden om op die manier verweerder tot een beslissing te forceren zodat een procedure tegen de gemeente kon worden gestart. Eiser heeft voorts ontkend dat in zijn zaak softdrugs aan een minderjarige zou zijn verkocht en gesteld dat er in zijn zaak altijd naar legitimatie wordt gevraagd.

2.8 De voorzieningenrechter constateert dat verweerder aan het thans bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat verzoeker ondanks de intrekking van de gedoogbeschikking na 1 februari 2005 met de verkoop van softdrugs is doorgegaan. Daarnaast heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat verzoeker softdrugs heeft verkocht aan een minderjarige.

2.9 Het per 17 december 2002 gewijzigde beleid zoals neergelegd in de notitie "Actualisatie coffeeshopbeleid gemeente Amersfoort" houdt, kort gezegd, in dat het aantal van maximaal negen coffeeshops die zich moeten houden aan een reeks van voorwaarden om onder andere mogelijke overlast beperkt te kunnen houden, wordt gehandhaafd. Nieuw te vestigen coffeeshops moeten voldoen aan aangescherpte vestigingvoorwaarden en de bestaande coffeeshops die niet voldoen aan de aangescherpte vestigingscriteria wordt de mogelijkheid geboden, te verhuizen naar een passender locatie, waarbij voor de betreffende ondernemers een overgangstermijn van maximaal twee jaar in acht wordt genomen. De feitelijke sluiting moet uiterlijk per 1 februari 2005 geƫffectueerd zijn. In de notitie is tevens vermeld ten aanzien van welke van de bestaande negen coffeeshops klachten zijn binnengekomen. Ten aanzien van coffeeshop [naam coffeshop] is vermeld dat er klachten zijn over het parkeergedrag van de klanten en aan de overkant rondhangende bezoekers. Ten aanzien van de coffeeshops [coffeeshop X] en [coffeeshop Y] zijn geen klachten.

2.10 De aangescherpte vestigingsvoorwaarden luiden als volgt:

1. niet binnen een afstand van 250 meter van een school voor voortgezet onderwijs;

2. niet in het horeca-concentratiegebied;

3. niet in het kernwinkelgebied of in een winkelcentrum met voetgangerspromenade, dan wel een belangrijke aanloopstraat met winkels naar dat winkelcentrum met een voetgangerspromenade;

4. niet in een specifieke woonstraat;

5. bij verplaatsing van een bestaande coffeeshop naar een geschikte locatie is de gemeente in beginsel bereid tot aanpassing van planologische regelgeving (vrijstellingsprocedure of wijzigen bestemmingsplan).

2.11 De voorzieningenrechter heeft voorts kennis genomen van de notitie "Uitvoering gemeentelijk coffeeshopbeleid" van 4 september 2003. Uit deze notitie blijkt dat op de raadsvergadering van 25 juni 2003 de voorwaarden nog verder zijn aangescherpt. Het gaat daarbij om de voorwaarden:

a. in de prioriteitswijken geen nieuwe coffeeshops toe te staan;

b. coffeeshops meer gelijkmatig over de wijken te spreiden;

c. de mogelijkheid te onderzoeken om coffeeshops te verplaatsen naar de rand van de stad.

2.12 De voorzieningenrechter acht het hiervoor genoemde beleid van verweerder niet kennelijk onredelijk.

2.13 De voorzieningenrechter ziet onvoldoende grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar niet in stand zal blijven. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verweerder in zijn brief van 15 januari 2003 reeds aan verzoeker heeft laten weten dat zijn coffeeshop in de aanloop naar een winkelstraat ligt en er sprake is van overlast (die mogelijk veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van [naam coffeshop]) en derhalve ingevolge het nieuwe beleid van 17 december 2002 niet meer gedoogd zal worden. In diezelfde brief heeft verweerder verzoeker dringend verzocht om te zien naar een andere vestingplaats voor zijn coffeeshop. Verweerder heeft daarbij verwezen naar punt 6 van het nieuwe beleid, waarin verweerder heeft toegezegd om indien nodig ten behoeve van het verplaatsen van de coffeeshop naar een passende locatie het bestemmingsplan te wijzigen. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 7 oktober 2003 de gedoogbeschikking ingetrokken. Verzoeker heeft daarbij nog geruime tijd, namelijk tot 1 februari 2005, de gelegenheid gekregen om een ander locatie te vinden.

2.14 Verzoekers argument dat hij op 8 maart 2002 een gedoogbeschikking voor "onbepaalde tijd" heeft ontvangen en hij derhalve mocht vertrouwen op een langere exploitatie van zijn coffeeshop op de betreffende locatie, volgt de voorzieningenrechter niet. De voorzieningenrechter merkt daartoe allereerst op dat de gedoogbeschikking niet voor onbepaalde tijd is gegeven. Er is in de gedoogbeschikking weliswaar geen termijn genoemd maar de onzekerheid omtrent de duur van het gedogen is inherent aan het karakter van een gedoogbeschikking. Gedogen houdt immers niet meer in dan een bereidverklaring van het bevoegd gezag om de activiteiten in kwestie tijdelijk toe te staan, mits wordt voldaan aan de daarbij gestelde voorwaarden. Gelet op het karakter van een gedoogbesluit had verzoeker dan ook rekening moeten houden met de mogelijkheid dat verweerder andere inzichten zou kunnen krijgen omtrent het gedogen of omtrent de voorwaarden waaronder de verkoop van softdrugs zou worden toegestaan.

2.15 Met betrekking tot de verkoop van softdrugs aan een minderjarige overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Aan verzoekers gedoogbeschikking is de voorwaarde verbonden dat personen onder de 18 jaar niet in de coffeeshop aanwezig mogen zijn. Uit het proces-verbaal van verhoor van 11 februari 2005 blijkt dat een politieambtenaar die dag een 15 jarige jongen heeft aangehouden bij coffeeshop [naam coffeshop] die verklaarde bij [naam coffeshop] softdrugs te hebben gekocht. De voorzieningenrechter ziet in de enkele ontkenning van verzoeker geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van genoemd proces-verbaal. De voorzieningenrechter hecht er overigens wel aan op te merken dat, gelet op verzoekers gemotiveerde betwisting van de verklaring van de betreffende minderjarige, het op de weg van verweerder ligt om daar in de bezwaarfase nader onderzoek naar te doen, met name naar de omstandigheden die voor de verbalisant aanleiding zijn geweest de minderjarige buiten de coffeeshop van verzoeker aan te spreken. Gelet op de aard van de (beperkte) beoordeling door de voorzieningenrechter in een procedure als de onderhavige, ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoeker in deze procedure heeft aangevoerd echter onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de minderjarige de aangetroffen softdrugs niet in de coffeeshop van verzoeker heeft gekocht.

2.16 Verzoeker heeft voorts een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. In dat kader heeft hij aangevoerd dat de coffeeshops [coffeeshop X] en [coffeeshop Y], die zich eveneens in een aanlooproute naar een winkelstraat bevinden, wel worden gedoogd. Tevens heeft verzoeker aangevoerd dat de nieuwe locatie van coffeeshop [coffeeshop Z] in een winkelstraat is gelegen en derhalve niet aan de vestigingscriteria voldoet. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat ten aanzien van [coffeeshop X] en [coffeeshop Y] er geen klachten van overlast zijn. De voorzieningrechter merkt op dat in de beleidsnotitie van 17 december 2002 ten aanzien van de coffeeshops [coffeeshop X] en [coffeeshop Y] is vermeld dat er, in tegenstelling tot verzoekers coffeeshop, geen overlastmeldingen zijn. Bovendien is er ten aanzien van genoemde coffeeshops geen sprake van verkoop van softdrugs aan minderjarigen. Ten aanzien van de nieuwe locatie van coffeeshop [coffeeshop Z] merkt de voorzieningenrechter op dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat de winkels aldaar een noodvoorziening zijn en dat de vestiging van de betreffende winkels, evenals de vestiging van [coffeeshop Z], van tijdelijke aard is. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verzoekers beroep op het gelijkheidsbeginsel geen kans van slagen heeft.

2.17 De voorzieningenrechter ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van verzoeker zijn derhalve geen termen aanwezig.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2005.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. G. Delissen mr. R.P. den Otter

Afschrift verzonden aan partijen op: