Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AS9918

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-03-2005
Datum publicatie
11-03-2005
Zaaknummer
SBR 05/492 + 495
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Schorsing van de besluiten waarbij de vergunningen tot de uitoefening van een horecabedrijf zijn ingetrokken. Niet gebleken van feiten en omstandigheden die duiden op een toekomstig risico voor de openbare orde. Escalatie, resulterend in een schietincident, heeft plaatsgevonden door ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector bestuursrecht

nrs. SBR 05/492 + 495 VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker], wonende te Utrecht, verzoeker,

en

de burgemeester van Utrecht en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerders.

1. INLEIDING

1.1 Het verzoek heeft betrekking op de besluiten van 21 februari 2005, waarbij

? de burgemeester de op 16 april 2004 aan verzoeker verleende exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2 van Horecaverordening Utrecht 2004 (hierna: de verordening) voor het horecabedrijf aan de [adres] te Utrecht, op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder e, van die verordening heeft ingetrokken,

? het college de op 16 april 2004 aan verzoeker verleende vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet (hierna: DHW) voor genoemd horecabedrijf, op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder d, van die wet heeft ingetrokken.

1.2 Het verzoek is op 9 maart 2005 ter zitting behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A.G. de Werker en H.R.M. Ekelschot, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt bij verweerder tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

2.4 Aan verzoeker is laatstelijk op 16 april 2004 vergunning verleend tot het uitoefenen van een horecabedrijf aan de [adres] te Utrecht op grond van de DHW en de verordening. Verzoeker drijft deze onderneming sinds 1999. Op de exploitatievergunning is naast verzoeker ook zijn broer als beheerder vermeld.

2.5 Op zondag 20 februari 2005 omstreeks 5.25 uur vond een schietincident plaats in verzoekers café. In het café bevonden zich op dat moment ongeveer 15 bezoekers. Blijkens de processen-verbaal en het verhandelde ter zitting is de dader tot anderhalf jaar geleden een vaste klant geweest van het café. Een paar maanden geleden heeft zich in verzoekers café een schermutseling voorgedaan waarbij de schutter en een andere klant betrokken waren. Verzoeker is er in geslaagd de betrokkenen uit elkaar te halen, waarbij hij licht gewond is geraakt. Verzoeker heeft in dat incident aanleiding gezien beide betrokkenen de verdere toegang tot zijn café te ontzeggen. De schutter is enige weken nadien teruggekeerd waarna hij door verzoeker de deur is gewezen hetgeen zonder problemen is verlopen.

Op de bewuste zondagmorgen is de schutter samen met een vriend het café binnengetreden. Verzoeker en zijn broer bevonden zich op dat moment in het café en waren bezig met opruimwerkzaamheden. Nadat verzoeker en zijn broer de beide bezoekers hadden medegedeeld dat zij niet gewenst waren, ontspon zich een heftige discussie. Op het moment dat het er naar uitzag dat de beide mannen het café zouden verlaten en verzoeker zich naar de keuken had begeven om verder te gaan met schoonmaakwerkzaamheden bemoeide een klant, een eenmalige buitenlandse bezoeker zich er mee waardoor een escalatie ontstond. Deze klant is vervolgens in zijn enkel geschoten door de schutter die daarna met zijn vriend het café heeft verlaten. Verzoeker heeft vervolgens onmiddellijk een ambulance en de politie gebeld.

2.6 Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder d, van de DHW, wordt een vergunning ingetrokken indien zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder e, van de verordening, trekt de burgemeester de exploitatievergunning in, indien zich in het betrokken horecabedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de exploitatievergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.

2.7 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het schietincident in een voor publiek openstaande inrichting per definitie de vrees wettigt – evenals bij de vondst van handelshoeveelheden harddrugs in een inrichting – dat het voortzetten van de exploitatie gevaar zal opleveren voor de openbare orde of veiligheid. De voorzieningenrechter is van oordeel dat die vergelijking niet zonder meer opgaat, aangezien immers bij de vondst van harddrugs in een inrichting gelet op het bepaalde in artikel 13 b Opiumwet geen gevaar voor de openbare orde hoeft te worden aangetoond, hetgeen blijkens de wetsgeschiedenis een van de redenen is geweest om dit artikel aan het bestuurlijke instrumentarium toe te voegen. Voorts is blijkens de jurisprudentie uit de periode voordat dit artikel van kracht was, af te leiden dat bij de vondst van harddrugs in het algemeen sprake was van handel vanuit de inrichting, met de daarmee gepaard gaande overlast en zware criminaliteit. Ook de vergelijking die verweerder heeft gemaakt met het geval zoals aan de orde in de uitspraak van de voorzieningenrechter in SBR 04/2659) gaat niet op aangezien in die situatie sprake was van de vondst van een geladen vuurwapen in een ruimte die tot de horeca-inrichting behoorde en die gebruikt werd door personen die direct bij de bedrijfsvoering betrokken waren. Zoals verweerder ook ter zitting heeft erkend duidt een dergelijke situatie op een structureel probleem bij het beheer van de inrichting, nog afgezien van de overige tekortkomingen die in dat geval aan de orde waren.

Evenals in zojuist genoemde uitspraak, wordt ook hier van belang geacht dat blijkens de toelichting bij artikel 11 van de verordening, leidinggevenden dienen te beschikken over het nodige gezag en de verantwoordelijkheid om de ordelijkheid in het bedrijf te handhaven. De voorzieningenrechter kan verweerder in zoverre volgen dat bij een schietincident in een horeca-inrichting in het algemeen zeer snel sprake zal zijn van een feit dat de vrees wettigt voor toekomstig gevaar voor de openbare orde, ondanks dat van persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant geen sprake is. Dit betekent echter niet dat in het geheel geen concrete beoordeling van de feitelijke situatie dient plaats te vinden.

2.8 In dit concrete geval is de voorzieningrechter er vooralsnog niet van overtuigd geraakt dat de feiten en omstandigheden duiden op een toekomstig risico voor de openbare orde.

Verzoeker heeft immers op een eerder incident tussen twee klanten adequaat gereageerd door de betrokkenen uit de inrichting te weren, hetgeen voor 20 februari j.l. niet tot verdere problemen heeft geleid. Het is bepaald niet onaannemelijk dat dit ook op 20 februari zou zijn gelukt, ware het niet dat door een ongelukkige samenloop van omstandigheden toch een escalatie heeft plaatsgevonden. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet dit als een eenmalig incident worden aangemerkt, dat is veroorzaakt door een specifieke persoon. In dit verband wordt overigens opgemerkt dat verweerder heeft aangegeven dat verzoeker na 3 maanden weer een nieuwe vergunning zou kunnen aanvragen. Nu de directe veroorzaker van het incident – zoals door verzoeker onweersproken is gesteld – inmiddels is aangehouden en zich thans in voorlopige hechtenis bevindt, is onvoldoende aannemelijk geworden dat in de nabije toekomst voor herhaling valt te vrezen. Dat verzoeker door zijn wijze van exploitatie het risico op dergelijke incidenten zou vergroten is niet gebleken. In dit verband is door verweerder uitsluitend het late sluitingstijdstip van de inrichting genoemd, hetgeen een selectief publiek zou aantrekken. Door verzoeker is evenwel verklaard, en door verweerder ter zitting bevestigd, dat bij de gemeente sedert de aanvang van de exploitatie van verzoekers café in 1999, geen enkele melding van overlast, incidenten of wat dies meer zij, is binnengekomen, ondanks het feit dat de inrichting in een woonwijk is gelegen.

Het voorgaande betekent dat het verzoek om voorlopige voorziening dient te worden toegewezen.

2.9 Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding om verweerders te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- aan verleende rechtsbijstand. Van andere kosten is niet gebleken.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1 Schorst de besluiten van 21 februari 2005;

3.2 Bepaalt dat de gemeente Utrecht het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 276,- (2x € 138,-) aan hem vergoedt;

3.3 Veroordeelt verweerders in de kosten van verzoeker in dit geding ten bedrage van

€ 644-, te betalen door de gemeente Utrecht.

Aldus vastgesteld door mr. T. Dompeling, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2005.

De griffier: De voorzieningenrechter:

J.D. Koteris mr. T. Dompeling

Afschrift verzonden aan partijen op: