Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AS9913

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-03-2005
Datum publicatie
11-03-2005
Zaaknummer
16/604054-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van de officier van justitie tegen het bevel van de rechter-commissaris tot onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat (R)CIE-informatie voldoende kan zijn voor een redelijk vermoeden van schuld. De rechtbank vernietigt het bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer:

BESCHIKKING IN HOGER BEROEP

De arrondissementsrechtbank te Utrecht, in raadkamer vergaderd;

gelet op het hoger beroep van de officier van justitie in dit arrondissement d.d. 11 februari 2005, ingesteld tegen het bevel van de rechter-commissaris tot onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte

[verdachte],

gehoord de officier van justitie en de raadsman, mr. J.W.H. Peters, ter zitting van de raadkamer d.d. 17 februari 2005 en 3 maart 2005.

Overweegt als volgt:

Allereerst stelt de rechtbank ambtshalve de vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde. Het hoger beroep in deze zaak is ingesteld ex artikel 59c Wetboek van Strafvordering (Sv), hetgeen slechts mogelijk is tegen een beschikking van de rechter-commissaris tot onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte op de voet van artikel 59a lid 5 Sv.

Ingevolge artikel 59a lid 5 en 6 Sv dient een bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling door de rechter-commissaris op grond van het oordeel dat de inverzekeringstelling onrechtmatig is, vastgelegd te worden in een beschikking die is gedagtekend, ondertekend en met redenen omkleed. In het onderhavige geval heeft de rechter-commissaris in het proces-verbaal

d.d. 4 februari 2005 gemotiveerd weergegeven dat zij de inverzekeringstelling van verdachte onrechtmatig acht, doch heeft zij nagelaten een beschikking met het bevel tot invrijheidstelling op te maken. Nadat de rechtbank bij beschikking van 24 februari 2005 het onderzoek had heropend vanwege de constatering dat zich geen schriftelijk bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling bij de stukken bevond, heeft de rechter-commissaris ambtshalve een proces-verbaal d.d. 25 februari 2005 opgemaakt, waarin staat vermeld dat abusievelijk in het proces-verbaal d.d. 4 februari 2005 geen bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte is opgenomen, maar dat zij dit bevel wel heeft gegeven en dit aan verdachte heeft medegedeeld bij de beëindiging van het verhoor.

Het ontbreken van een beschikking met het bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling is naar het oordeel van de rechtbank te beschouwen als een vormverzuim dat op de voet van het bepaalde in artikel 256 lid 1 Sv hersteld kan worden. Hoewel het mondeling gegeven bevel niet is vastgelegd in een beschikking als bedoeld in artikel 59a lid 6 Sv, is het ambtshalve proces-verbaal d.d. 25 februari 2005 in combinatie met het proces-verbaal d.d. 4 februari 2005 als voldoende herstel van dit vormverzuim aan te merken. Hierbij overweegt de rechtbank dat door dit oordeel noch het belang van de verdediging noch enig ander belang van strafvordering is geschaad. De officier van justitie en de raadsman hebben op de nadere zitting van de raadkamer van 3 maart 2005 tegen deze wijze van herstel ook geen bezwaar gemaakt.

De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in het hoger beroep, dat ook tijdig is ingesteld.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechter-commissaris ten onrechte tot haar oordeel is gekomen dat de inverzekeringstelling van verdachte onrechtmatig is. De informatie die bij de RCIE in februari 2005 is binnengekomen was voldoende om te kunnen leiden tot een redelijk vermoeden van schuld. De Hoge Raad heeft geaccepteerd dat (R)CIE-informatie voldoende basis voor een vermoeden als bedoeld in artikel 27 Sv kan zijn. Dat in het proces-verbaal van de RCIE staat dat geen oordeel over de betrouwbaarheid van de informatie kan worden gegeven, wil niet zeggen dat er sprake is of kan zijn van onbetrouwbare informatie. Bovendien heeft de rechter-commissaris ten onrechte overwogen dat verdachte geen documentatie had op het gebied van de Wet Wapens en Munitie (WWM).

De raadsman van verdachte heeft gesteld dat de rechter-commissaris terecht tot haar oordeel over de inverzekeringstelling is gekomen. Nu de beslissing tot aanhouding van verdachte enkel was gebaseerd op één, bij de RCIE binnengekomen, verklaring ten aanzien waarvan geen oordeel over de betrouwbaarheid gegeven kon worden, waren er onvoldoende feiten en omstandigheden die tot een redelijk vermoeden van schuld van verdachte konden leiden. De criteria die de Hoge Raad heeft gesteld ten aanzien van het gebruik van anonieme getuigenverklaringen zijn van toepassing.

De rechtbank overweegt dat in de Richtlijnen Openbaar Ministerie, Aanwijzing opsporingsbevoegdheden d.d. 11 januari 2000 (Stcrt. 25), ten aanzien van de CIE bij onderdeel 3.5.2 over informanten onder meer de volgende tekst is opgenomen: "Essentieel voor de informant is dat zijn identiteit bij de CIE bekend is en als zodanig ook geregistreerd is. Dit is een wezenlijk verschil met de anonieme tipgever, wiens identiteit bij de politie niet bekend is." Uit het proces-verbaal van de RCIE d.d. 3 februari 2005 in deze zaak blijkt dat de informatie via een informant is binnengekomen, zodat er geen sprake is van een anonieme tipgever. De rechtbank is van oordeel dat (R)CIE-informatie voldoende kan zijn voor een redelijk vermoeden van schuld. Met name is in het onderhavige geval de betreffende informatie voldoende voor het, voor de aanhouding noodzakelijke, redelijk vermoeden van schuld, omdat deze voldoende concreet (persoon en plaats) en specifiek (strafbare gedraging) is.

Aangezien dit vermoeden een ernstig feit betreft, overtreding van artikel 26 WWM, rechtvaardigt dit spoedig ingrijpen, zoals ook heeft plaatsgevonden.

Alles overwegende acht de rechtbank de inverzekeringstelling van verdachte dan ook niet onrechtmatig.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de overweging van de rechter-commissaris dat verdachte geen documentatie heeft op het gebied van de WWM niet juist is, zij het dat de eerdere veroordeling geen betrekking had op een vuurwapen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van de officier van justitie gegrond is en dat het bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling zal worden vernietigd. De rechtbank zal voorts beslissen dat de inverzekeringstelling onverwijld verder ten uitvoer dient te worden gelegd.

BESCHIKKENDE:

De rechtbank vernietigt het bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling.

De rechtbank beveelt dat de inverzekeringstelling onverwijld verder ten uitvoer wordt gelegd.

Aldus gedaan te Utrecht op 10 maart 2005 door mrs. M.J. Veldhuijzen, voorzitter, A.J. Smit en E.J. Eelkema, rechters, in tegen-woor-digheid van mr. K.F. van Dam als grif-fier.

Deze beschikking is door de voorzitter en de griffier ondertekend.