Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AS6094

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-02-2005
Datum publicatie
15-02-2005
Zaaknummer
385279 EJ VERZ 04-5062
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbindingszaak AM tegen voormalig Chief Financial Officer.

AM verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen dadelijk, althans binnen korte tijd, te ontbinden primair op grond van dringende redenen en subsidiair op grond van verandering in omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

SECTOR KANTON, LOCATIE UTRECHT

Beschikking in de zaak van:

de naamloze vennootschap AM N.V.,

statutair gevestigd te Utrecht,

kantoorhoudende te Nieuwegein,

verder te noemen AM,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. H.J.A. Knijff, advocaat te Den Haag,

tegen:

[verweerder],

wonende te [adres],

verder te noemen [verweerder],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. E. de Wind, advocaat te Amsterdam.

Verloop van de procedure

AM heeft op 22 november 2004 een verzoekschrift ingediend.

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is ter zitting van 25 januari 2005 behandeld. Daarvan is aantekening gehouden.

Hierna is uitspraak bepaald.

Motivering

1.

Tussen partijen staat het volgende vast.

1.1

[verweerder], geboren op [geboortedatum], is op 12 maart 1990 in dienst van (één van de rechtsvoorgangsters van) AM getreden.

Laatstelijk, te weten per 1 januari 2003, is [verweerder] werkzaam geweest in de (niet statutaire) functie van Chief Financial Officer (CFO).

Het laatstgenoten brutoloon bedraagt EUR 13.683,52 per maand. Daarnaast ontvangt [verweerder] een bonus (ook tantième genoemd) van maximaal EUR 450.000,- per jaar.

1.2

Op 15 december 2003 is de toenmalige voorzitter van de Raad van Bestuur van AM, genaamd [betrokkene 1], teruggetreden. De arbeidsovereenkomst met [betrokkene 1] is per 1 januari 2004 gewijzigd in die zin dat hij in de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2005 als adviseur aan de onderneming van AM verbonden is gebleven.

1.3

De Raad van Commissarissen van AM heeft per 6 mei 2004 tot voorzitter van de Raad van Bestuur benoemd [betrokkene 2], die vanaf 6 januari 2004 op interim basis bij AM werkzaam was.

1.4

Op 25 oktober 2004 heeft een gesprek plaatsgehad tussen enerzijds [betrokkene 2] en commissaris [betrokkene 3] en anderzijds [verweerder]. Tijdens dat gesprek heeft [betrokkene 2] namens AM het vertrouwen in [verweerder] opgezegd. Met ingang van diezelfde datum is [verweerder] vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden met behoud van loon.

2.

AM verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen dadelijk, althans binnen korte tijd, te ontbinden primair op grond van dringende redenen en subsidiair op grond van verandering in omstandigheden. AM heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd. [verweerder] heeft zich tegen (het beleid van) [betrokkene 2] afgezet en zich op een zodanige wijze gedragen dat zowel de Raad van Bestuur als de Raad van Commissarissen geen vertrouwen meer in [verweerder] hebben. [verweerder] heeft zich op eigen initiatief, achter de rug van AM om, tot de externe accountant van AM, te weten KPMG, gewend en de accountant geïnformeerd dat [betrokkene 2] zich in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Raad van Bestuur van AM schuldig heeft gemaakt aan fraude. Die fraude zou daaruit bestaan dat (i) [betrokkene 2] op onjuiste wijze invulling zou geven aan een overeenkomst met Boer & Kroon (van welke onderneming hij firmant was), waarbij een omzetgarantie was afgesproken en (ii) [betrokkene 2] de accountant verkeerd zou hebben voorgelicht over de adviseurovereenkomst tussen AM en de vorige voorzitter van de Raad van Bestuur.

Nader onderzoek door KPMG heeft tot de conclusie geleid dat zowel de overeenkomst met Boer & Co als de adviseurovereenkomst met de voormalige voorzitter van de Raad van Bestuur correct wordt nageleefd en dat geen sprake is van fraude van [betrokkene 2].

AM maakt [verweerder] er een ernstig verwijt van dat hij noch vooraf noch achteraf AM van zijn démarches in de richting van de accountant op de hoogte heeft gesteld.

De handelwijze van [verweerder] valt aan te merken als een dringende reden. Subsidiair heeft [verweerder] de vertrouwenscrisis met de Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen zelf veroorzaakt. Nu [verweerder] van de ontstane situatie een ernstig verwijt dient te worden gemaakt, komt hem, aldus AM, geen vergoeding toe.

Meer subsidiair zoekt AM voor de hoogte van de vergoeding aansluiting bij de code Tabaksblat, hetgeen leidt tot een vergoeding gelijk aan een bruto jaarsalaris ad

EUR 164.202,24.

3.

[verweerder] verzet zich tegen de gevraagde ontbinding, voor zover deze gegrond is op dringende redenen.

Zijn verweer zal, voor zover nodig, in het navolgende aan de orde komen.

[verweerder] legt zich neer bij een ontbinding op grond van verandering van omstandigheden. AM heeft door haar handelwijze een eventuele terugkeer van hem onmogelijk gemaakt. Een constructieve samenwerking is niet meer mogelijk.

AM heeft [verweerder] op grond van valse redenen en op zeer onzorgvuldige wijze buitengezet. AM heeft vervolgens op eveneens onzorgvuldige en voor [verweerder] schadelijke wijze zijn vertrek extern gecommuniceerd.

Op grond daarvan maakt [verweerder] aanspraak op een ontbindingsvergoeding op basis van correctiefactor 3, te weten EUR 2.917.488,00, te vermeerderen met een bedrag van EUR 20.000,-- ter zake van rechtsbijstandskosten.

4.1

De kantonrechter is van oordeel dat te dezen geen sprake is van een dringende reden in de door AM gestelde zin. Niet aannemelijk is geworden dat [verweerder] in zijn contact met KPMG heeft gesproken over vermeende fraude aan de zijde van [betrokkene 2]. Evenmin is aannemelijk geworden dat [verweerder] in dat contact zodanige bewoordingen heeft gebruikt dat KPMG daaruit redelijkerwijs mocht afleiden dat [betrokkene 2] door [verweerder] van fraude werd beticht. In dit verband verdient opmerking dat het ter zake door KPMG opgemaakte rapport d.d. 11 oktober 2004 niet in het geding is gebracht en dat AM geen exemplaar van dat rapport aan [verweerder] heeft verstrekt.

Voor zover het ontbindingsverzoek is gebaseerd op een dringende reden, is het dan ook niet voor toewijzing vatbaar.

4.2

Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsrelatie zodanig is verstoord, dat verdere samenwerking tussen hen niet meer mogelijk is. De arbeidsovereenkomst zal dan ook worden ontbonden op grond van verandering in de omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 7:685 lid 2 BW.

4.3

De verstoring van de arbeidsrelatie is naar het oordeel van de kantonrechter aan beide partijen toe te rekenen, zoals volgt uit het hierna overwogene. Overigens zijn de vakinhoudelijke kwaliteiten van [verweerder] buiten kijf.

4.3.1

Blijkens de over en weer geponeerde stellingen en de overgelegde bescheiden verschilden [betrokkene 2] en [verweerder] reeds in het voorjaar van 2004 van mening over tal van onderwerpen. Daarbij speelden diverse kwesties een rol.

4.3.2

De belangrijkste kwestie had betrekking op (kort gezegd) de voorwaarden van uitdiensttreding van [betrokkene 1], voormalig voorzitter van de Raad van Bestuur, respectievelijk de voorwaarden van indiensttreding van zijn opvolger [betrokkene 2].

[verweerder] heeft zich ingespannen om een transparant overzicht van deze voorwaarden te verkrijgen. Dat hij daarin (evenals in zijn overige werkzaamheden als CFO, zoals hij heeft gesteld) werd bemoeilijkt door toedoen of nalaten van [betrokkene 2], is onvoldoende aannemelijk geworden. Mede dankzij de inspanningen van [verweerder] zijn aan de Raad van Commissarissen nadere inlichtingen omtrent bedoelde voorwaarden verstrekt onder overlegging van onderliggende bescheiden, waarbij de nadruk kwam te liggen op de met [betrokkene 2] gemaakte afspraken. Die voorwaarden zijn aan de orde geweest in vergaderingen van de Raad van Commissarissen, die [verweerder] heeft bijgewoond. Uiteindelijk heeft de Raad van Commissarissen deze kwestie als afgedaan beschouwd. Teneinde de nieuwe commissarissen hiervan op de hoogte te stellen, heeft de secretaris van AM op 18 augustus 2004 een memo aan de Raad van Commissarissen in nieuwe samenstelling gezonden. Die memo is in de vergadering van de Raad van Commissarissen van 30 augustus 2004 voor kennisgeving aangenomen.

Hoewel de discussie over de kwestie door de Raad van Commissarissen was afgesloten, heeft [verweerder] op 27 augustus 2004 aan KPMG gevraagd om speciale aandacht aan vorenbedoelde voorwaarden te besteden. Dat [verweerder], zoals hij heeft gesteld, dit slechts heeft gedaan in het kader van de op te stellen jaarrekening over 2004, is onvoldoende aannemelijk geworden. Door te blijven hameren op deze kwestie heeft [verweerder] de verhouding met [betrokkene 2], die van meet af aan te wensen overliet, op scherp gezet.

4.3.3

Ook AM heeft bijgedragen aan de ontstane situatie door haar verwijten jegens [verweerder] te sterk aan te zetten. Uit het feit dat [verweerder] zijn aandelen in AM heeft verkocht, heeft AM ten onrechte geconcludeerd dat hij voor onrust in de financiële markt heeft gezorgd.

Voorts is, zoals hiervoor vermeld, niet aannemelijk geworden dat [betrokkene 2] door [verweerder] van fraude is beticht. Ten slotte heeft AM niet aannemelijk gemaakt dat [verweerder] anders dan in het reguliere overleg dat hij met KPMG voerde, de kwestie betreffende vorenbedoelde voorwaarden aan de orde heeft gesteld.

4.3.4

Een andere kwestie die onder meer in het jaar 2004 speelde, was het feit dat [verweerder] als CFO, ondanks een desbetreffende toezegging van de zijde van AM, niet in de Raad van Bestuur is opgenomen. Volgens mededelingen van [betrokkene 2] aan [verweerder] stemde de Raad van Commissarissen telkens niet in met de benoeming van [verweerder] tot lid van de Raad van Bestuur. [verweerder] voelde zich daardoor aan het lijntje gehouden. Ook dit feit heeft de relatie tussen [betrokkene 2] en [verweerder] nadelig beïnvloed.

4.3.5

[verweerder] heeft nog gesteld dat van de zijde van AM, onder anderen in de persoon van [betrokkene 2], over (de reden van) zijn vertrek bij AM aan de pers uitspraken zijn gedaan, die voor hem buitengewoon schadelijk zijn en hem bij het zoeken naar een andere functie ernstig belemmeren.

4.3.6

Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de onderhavige uitspraken, die in onderdeel 7 van het verweerschrift zijn geciteerd, niet van een zodanig gewicht dat hiervan AM een rechtens relevant verwijt kan worden gemaakt.

4.4

In het vorenstaande ziet de kantonrechter aanleiding aan [verweerder] een vergoeding toe te kennen. Uitgaande van een neutrale toepassing van de zogenoemde kantonrechters-formulie dient de correctiefactor op 1 te worden gesteld. De kantonrechter ziet in de over en weer gemaakte verwijten onvoldoende aanleiding om voormelde factor neerwaarts of opwaarts bij te stellen.

4.5

Gelet op de lengte van het dienstverband (19,5 gewogen dienstjaren) en het laatstgenoten brutoloon van EUR 13.683,52 per maand wordt de aan [verweerder] toe te kennen vergoeding vastgesteld op - afgerond - EUR 267.000,-- bruto.

De bonus (ook tantième genoemd) is buiten beschouwing gelaten, nu onvoldoende bijzondere omstandigheden zijn gesteld dan wel gebleken op grond waarvan de bonus, althans een deel daarvan, tot het salaris moet worden gerekend. Het feit dat het overgrote deel van de bonus aan [verweerder] in het buitenland wordt uitbetaald in verband met (directie)functies die [verweerder] bij buitenlandse vennootschappen bekleedt, levert eveneens een reden op om de bonus niet in de berekening van de ontbindings-vergoeding te betrekken.

Voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand wordt geen aanleiding gezien.

5.

Aan AM zal een termijn worden gegund het verzoek in te trekken.

De proceskosten zullen gezien de aard van het geschil worden gecompenseerd, ook indien AM het verzoek intrekt.

Beslissing

De kantonrechter:

stelt AM in de gelegenheid uiterlijk 28 februari 2005 het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 maart 2005;

kent aan [verweerder] ten laste van AM een vergoeding toe van EUR 267.000,-- bruto en veroordeelt AM tot betaling van deze vergoeding aan [verweerder];

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.A.M. Walsteijn, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2005.

Rekestnr. 385279 EJ VERZ 04-5062