Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AS5957

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-02-2005
Datum publicatie
14-02-2005
Zaaknummer
SBR 05/101 VV
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Opleggen bouwstop wegens bouwen in afwijking van voorwaarde bij vergunning over bouwverkeer. De betreffende voorwaarde vloeit volgens verweerder voort uit beslissing(en) op bezwaar tegen de bouwvergunning. Naar het (voorlopige) oordeel van de voorzieningenrechter kan in de omstandigheden van dit geval niet gezegd worden dat bij de beslissing(en) op bezwaar een concrete voorwaarde aan de bouwvergunning is verbonden. Redactie van betreffende opmerking geeft onvoldoende duidelijkheid. Verder van belang geacht de context en de wijze waarop de hier met name van belang zijnde opmerking over ontsluitingsroute voor het bouwverkeer in de betreffende besluiten is terecht gekomen. Bestreden besluit geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector bestuursrecht

nr. SBR 05/101 VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

Bouwbedrijf De Waal B.V., gevestigd te Utrecht, verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder.

1. INLEIDING

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 23 december 2004 waarbij verzoekster is medegedeeld dat zij in overtreding is, doordat wordt gebouwd in afwijking van een verleende vergunning en dat zij de bouwactiviteiten per direct dient te staken en gestaakt te houden (bouwstop).

1.2 Het verzoek is op 27 januari 2005 ter zitting behandeld, waar namens verzoekster is verschenen [belanghebbende], bijgestaan door mr. A.P.W. Esmeijer, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. van Raaij, werkzaam bij de gemeente De Bilt.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Op 2 juni 2003 is aan verzoeker een bouwvergunning verleend voor het veranderen/vergroten[adres]dres]adres] [adres]. De tegen dat besluit ingediende bezwaarschriften zijn bij besluit van verweerder van 18 maart 2004 ongegrond respectievelijk niet-ontvankelijk verklaard, waarbij wordt verwezen naar een advies van de Commissie voor bezwaar- en beroepschriften. Vervolgens is in het betreffende besluit, waarvan verzoekster destijds een afschrift heeft ontvangen, tevens het volgende gesteld:

“Daarnaast kunnen wij u mededelen dat in overeenstemming met de afspraken, gemaakt in de vergadering stuurgroep [adres] d.d. 26 januari 2004, de volgende voorwaarden bij het realiseren van de bouwvergunning BA 2404 nageleefd moeten worden:

-de ontsluitingsroute voor het bouwverkeer moet aangelegd worden vanuit noordelijke richting, zodat de [adres] niet wordt belast met bouwverkeer;

-de ingang van het sportcentrum gesitueerd moet zijn aan de noordzijde van het gebouw;

-er wordt nog extra geluidsisolatie aangebracht.”

Naar aanleiding van een controle op 23 december 2004 door een inspecteur van verweerder is aan verweerder gerapporteerd over bouwactiviteiten op het betreffende perceel. Volgens verweerder is sprake van bouwactiviteiten die in strijd zijn met een voorwaarde van de bouwvergunning met kenmerk BA 2404. Die voorwaarde houdt, aldus verweerder in het onder 1.1 genoemde bestreden besluit, in dat de ontsluitingsroute voor het bouwverkeer moet worden aangelegd vanuit noordelijke richting, zodat de [adres] niet wordt belast met bouwverkeer. Volgens verweerder mogen de bouwwerkzaamheden niet worden gestart, voordat overeenstemming is bereikt over de ontsluitingsroute (voor het bouwverkeer) vanuit de noordelijke richting, hetgeen ook aan verzoekster is medegedeeld door een inspecteur op 15 december 2004. Voorts mag volgens verweerder het aanleggen van een bouwweg op het bouwterrein niet gerealiseerd worden, omdat de betreffende gronden eigendom zijn van de gemeente en hiervoor de toestemming van verweerder is vereist. Hiervoor dient verzoekster een huurovereenkomst af te sluiten.

Tegen dit besluit heeft verzoekster op 27 december 2004 bezwaar gemaakt, waarbij (onder meer) het bestaan c.q. de status van de door verweerder genoemde voorwaarde wordt betwist.

2.4 In artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is bepaald dat het verboden is zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders te bouwen.

Op grond van artikel 100, derde lid, van de Woningwet vindt toepassing van bestuursdwang, bestaande uit het stilleggen van werkzaamheden indien wordt gebouwd in strijd met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, slechts plaats in bij de Bouwverordening aangewezen gevallen en overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften.

Op grond van artikel 11.1 van de Bouwverordening zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bouw stil te leggen indien er wordt gebouwd in afwijking van de bouwvergunning.

2.5 Voor de beantwoording van de vraag of verzoekster is gaan bouwen in afwijking van de aan haar op 2 juni 2003 verleende bouwvergunning, is in dit geval met name van belang de vraag of door de beslissing(en) op bezwaar van 18 maart 2004, (aanvullende) voorwaarden aan die bouwvergunning zijn verbonden. Naar de mening van verzoekster is dit niet het geval.

2.6 Naar het (voorlopige) oordeel van de voorzieningenrechter kan in de omstandigheden van dit geval niet gezegd worden dat bij de genoemde beslissing(en) op bezwaar een concrete voorwaarde aan de genoemde bouwvergunning van verzoekster is verbonden. In die besluiten zijn, na het vaststellen van het (voor verzoekster positieve) dictum, een drietal opmerkingen opgenomen, zoals hierboven weergegeven onder overweging 2.3. Uit hetgeen naar voren is gekomen is gebleken dat de opmerking over de ingang aan de noordzijde in feite niets toevoegt, omdat hiervan ook reeds werd uitgegaan bij de tekeningen bij de bouwvergunning. De opmerking over extra geluidsisolatie is niet geconcretiseerd door bijvoorbeeld een bepaalde norm aan te geven.

Mede gelet op die context als ook de wijze waarop de hier met name van belang zijnde opmerking over ontsluitingsroute voor het bouwverkeer in de betreffende besluiten is terecht gekomen - namelijk naar aanleiding van een overleg met omwonenden dat buiten het kader van de bezwarenprocedure heeft plaatsgevonden en waarbij verzoekster zelf niet betrokken is geweest - kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gezegd dat sprake is van een duidelijk tot verzoekster gerichte voorwaarde. Voorts is ook de redactie van de betreffende opmerking niet zodanig dat duidelijk een bepaalde verplichting aan verzoekster wordt opgelegd, terwijl evenmin is aangegeven wat de gevolgen van overtreding van zo’n verplichting zouden zijn. Zo staat niet concreet aangegeven dat het verboden is de [adres] als bouwweg te gebruiken. Verder worden geen aanwijzingen gegeven over de te volgen route van de bouwweg en zijn geen opmerkingen gemaakt over eventueel aan te passen bouwtekeningen. Er heeft ook geen herroeping van de op 2 juni 2003 verleende bouwvergunning plaatsgevonden. De opmerking die door verweerder in het bestreden besluit als voorwaarde wordt beschouwd lijkt dan ook veeleer bedoeld als aandachtspunt bij het uitvoeren van de betreffende vergunning. Het slechts aan het bouwdossier toevoegen van de betreffende besluiten op bezwaar door verweerder zonder aanpassing/aanvulling van de voorwaarden in de bouwvergunning acht de voorzieningenrechter ook een handelwijze die de duidelijkheid bepaald niet ten goede komt.

2.7 Gelet op hetgeen onder 2.6 is overwogen, acht de voorzieningenrechter voorshands de door verweerder genoemde grondslag voor het bestreden besluit onjuist en is verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten onrechte overgegaan tot handhavend optreden.

2.8 Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het bestreden besluit te schorsen. Voorts is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekster, die met toepassing van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht zijn begroot op € 644,- voor gemaakte kosten van rechtsbijstand (2 punten (voor het indienen van het verzoek en het verschijnen ter zitting) x factor 1 x € 322,-). Tevens dient het door verzoekster betaalde griffierecht aan haar te worden vergoed.

2.9 Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1 schorst het bestreden besluit van 23 december 2004;

3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ad € 644,-;

3.3 bepaalt dat het door verzoekster betaalde griffierecht van € 273,- aan haar wordt vergoed;

3.4 wijst de gemeente De Bilt aan als de rechtspersoon die de onder 3.2 en 3.3 genoemde bedragen (totaal € 917,-) aan verzoekster dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. T. Dompeling, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2005.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. E.M. Tol mr. T. Dompeling

Afschrift verzonden aan partijen op: