Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AS3741

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-01-2005
Datum publicatie
25-01-2005
Zaaknummer
Kort geding nr. 186991/KG ZA 04-1114/YT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het Hof van Eden heeft het Fort Lunet II in Utrecht in bruikleen. De gemeente Utrecht wil dat het Hof van Eden het terrein binnen twee weken gaat ontruimen omdat er te veel dieren worden gehouden. Om die reden is ook de bruikleenovereenkomst opgezegd. De voorzieningenrechter oordeelt dat er een redelijke grond voor de opzegging bestond, maar geeft het hof nog drie maanden de tijd om tot ontruiming over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Kort geding nr. 186991/KG ZA 04-1114/YT

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

VONNIS van de voorzieningenrechter in kort geding in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE UTRECHT,

zetelende te Utrecht,

e i s e r e s,

procureur: mr. B.E.J.M. Tomlow,

- t e g e n -

de stichting

STICHTING HET HOF VAN EDEN,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

g e d a a g d e,

procureur: mr. A. van der Gronde.

Partijen worden hierna aangeduid als de Gemeente en het Hof.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- dagvaarding van 3 december 2004, die in fotokopie aan dit vonnis is gehecht;

- mondelinge behandeling op 11 januari 2005;

- pleitnota en producties van de Gemeente;

- pleitnota, aanvullende pleitnota en producties van het Hof.

1.2. Partijen hebben vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1. De Gemeente heeft een terrein in eigendom dat plaatselijk bekend is als Fort Lunet II en dat gelegen is aan de Koningsweg te Utrecht.

2.2. Het Hof houdt zich bezig met informatie en voorlichting over gebruiksgewassen en met de productie en verspreiding van zaden en gewassen. Het Hof richt zich bij deze activiteiten op het behoud van de biodiversiteit van gebruiksgewassen.

2.3. Op 8 november 1995 hebben partijen een overeenkomst van bruiklening gesloten, hierna ook te noemen: de bruikleenovereenkomst, waarbij het Hof het onder 2.1 genoemde Fort Lunet II om niet van de Gemeente in bruikleen heeft gekregen. De bruikleenovereenkomst, waarin de Gemeente wordt aangeduid als "de uitlener" en het Hof als "de bruiklener", houdt onder meer het volgende in:

"(…)

verklaren:

dat de uitlener om niet en voor eigen risico van bruiklener in bruikleen geeft aan de bruiklener, die om niet en voor eigen risico in bruikleen aanvaardt van de uitlener:

Het fort Lunet II, (…)

en dat de bruiklener genoemd object uitsluitend zal gebruiken:

- voor wat betreft de monumentale houten loods als opslagplaats voor zaden, tentoonstellingsruimte en stal voor de veestapel.

- voor wat betreft de buitenruimte binnen de fortgracht alsook de buitenruimte gelegen rechts bij de toegang, als weide en als ecologische ruimte, een en ander conform de bij deze overeenkomst gevoegde tekening en beschrijving.

zulks gerekend vanaf 8 november 1995 en eindigende na opzegging door de uitlener, zoals bepaald in het gestelde sub 4 en 5 van deze overeenkomst.

(…)

Op deze overeenkomst van bruiklening zijn van toepassing de artikelen 7A:1777 tot en met 1790 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van het bepaalde in de artikelen 7A:1788, 1789 en 1790 B.W., en voorts de volgende voorwaarden:

1.(…)

(…)

4.het in bruikleen gegevene zal op eerste aanzegging, met een opzegtermijn van twee weken, geheel ontruimd en in de toestand waarin het zich bij de aanvang van de bruiklening bevindt, zulks ten genoegen van de uitlener, worden opgeleverd;

(…)

11.te allen tijde zal of zullen de door de uitlener daarvoor aangewezen persoon of personen toegang tot het in bruikleen gegevene moeten hebben;

(…)"

2.4. Het Hof heeft van de Gemeente ook andere terreinen in de omgeving van Fort Lunet II in bruikleen gekregen. Op deze terreinen heeft het Hof onder meer een tuinderij aangelegd, waar de gewassen worden gekweekt en verzorgd waar het Hof zich op richt. In het kader van het gebruik van de genoemde terreinen door het Hof zijn problemen ontstaan op diverse gebieden, zoals de voeding en huisvesting van de dieren die het Hof op het terrein van het Fort was gaan houden, de milieuvoorschriften, de voorschriften inzake de arbeidsomstandigheden en de sanitaire voorzieningen.

2.5. Begin 2002 hebben partijen overleg gevoerd om te komen tot een vaststelling van het aantal dieren dat op het terrein van het Fort gehouden zou kunnen worden op een wijze die in overeenstemming was met de bestemming van het Fort en de functie ervan als monument. Dit overleg heeft niet tot overeenstemming geleid.

2.6. De Gemeente heeft vervolgens op basis van adviezen van deskundigen zelf regels vastgesteld voor het aantal dieren dat maximaal op het terrein van Fort Lunet II mag worden gehouden. De Gemeente heeft deze regels bij schrijven van 12 juni 2002 aan het Hof medegedeeld en toegelicht. De inhoud van die regels en de aanpassing daarvan die de Gemeente nadien ten gunste van het Hof heeft toegestaan, komen hierna onder 3.16 aan de orde.

2.7. De Gemeente heeft ter controle van de onder 2.6 bedoelde regels een aantal vee-tellingen op het terrein van Fort Lunet II uitgevoerd.

2.8. Bij schrijven van 10 november 2004 heeft de Gemeente de bruikleenovereenkomst opgezegd, met aanzegging dat het Hof binnen twee weken het Fort Lunet II geheel ontruimd moest opleveren.

3. Het geschil en de beoordeling ervan

3.1. Voor de volledige inhoud en de grondslagen van de vor-dering wordt verwezen naar de aangehechte dagvaarding. Kort weergegeven houdt de vordering in dat het Hof veroordeeld moet worden het perceel Fort Lunet II binnen een bepaalde termijn te ontruimen en te verlaten, met machtiging op de Gemeente om deze ontruiming met behulp van de sterke arm te doen uitvoeren indien het Hof niet aan de veroordeling tot ontruiming voldoet.

3.2. De stellingen van de Gemeente en het verweer van het Hof komen in het volgende voor zoveel nodig aan de orde.

3.3. Het Hof heeft als meest vérstrekkend verweer aangevoerd dat de Gemeente niet ontvankelijk is in haar vordering. Het Hof stelt daartoe dat de procureur van de Gemeente geen last meer kan hebben in deze zaak voor de Gemeente op te treden, nu de Gemeente reeds vóór de datum van dagvaarding bij monde van een wethouder mededelingen heeft gedaan die volgens het Hof inhouden dat de onderhavige bruikleenovereenkomst wordt voortgezet, zodat de grond aan de vordering was ontvallen, aldus het Hof.

3.4. Dit verweer faalt. Allereerst geldt dat de procureur van de Gemeente, die zegt voor de Gemeente op te treden, in beginsel op zijn woord wordt geloofd. Voorts was voor de Gemeente onder meer [betrokkene 1] verschenen, die als ambtenaar bij de Gemeente reeds geruime tijd voor de Gemeente de zaken behandelt die de onderhavige bruikleenovereenkomst met het Hof betreffen. Verder was in de zaal nog mr. [betrokkene 2] aanwezig, die als coördinerend wethouder in aangelegenheden betreffende het Hof optreedt en in die hoedanigheid enige inlichtingen heeft gegeven.

3.5. Het Hof voert voorts aan dat de zaak zich niet leent voor behandeling in een kort geding, omdat de zaak daarvoor te omvangrijk en te gecompliceerd zou zijn.

3.6. Ook dit verweer treft geen doel. Anders dan het Hof stelt, gaat het hier enkel om de vraag of de gevorderde ontruiming op grond van de opzegging van de bruikleenovereenkomst door de Gemeente toewijsbaar is, hetgeen zich voor een behandeling in kort geding leent.

3.7. Het Hof voert verder nog als formeel verweer aan dat de Gemeente geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

3.8. Dit verweer moet worden verworpen. In het algemeen behoeft een eigenaar van een zaak niet te dulden dat een ander zonder recht of titel van die zaak gebruik maakt. In dit geval stelt de Gemeente als eigenaresse van Fort Lunet II dat het Hof dit fort zonder recht of titel gebruikt omdat volgens de Gemeente het gebruiksrecht van het Hof inmiddels is geëindigd. Nu deze stelling van de Gemeente niet op voorhand reeds als geheel onaannemelijk valt aan te merken, moet het belang van de Gemeente bij de gevorderde ontruiming voldoende spoedeisend worden geacht.

3.9. Inhoudelijk betreft het geschil van partijen de vraag of de Gemeente gerechtigd is de bruikleenovereenkomst op te zeggen. Voor het antwoord op deze vraag is het volgende van belang.

3.10. Vooropgesteld moet worden dat het uitsluitend gaat om de bruikleen-overeenkomst betreffende Fort Lunet II. De bepalingen van deze overeenkomst zijn hiervoor onder 2.3 weergegeven, voor zover zij voor het onderhavige geschil van belang zijn. Deze bepalingen houden in dat aan de Gemeente in beginsel het recht toekomt de bruikleen op te zeggen op een termijn van twee weken. Hoewel dit opzeggingsrecht van de Gemeente in de overeenkomst niet aan enige voorwaarde is gebonden, kunnen toch de redelijkheid en de billijkheid er onder omstandigheden aan in de weg staan dat de Gemeente van het haar toekomende recht tot opzegging gebruik maakt dan wel dat de Gemeente op de overeengekomen termijn de bruikleen opzegt. In dit geval moet mede in aanmerking worden genomen dat er sprake is van een bijzondere situatie, nu de bruikleen reeds sinds 1995 loopt en het gebruik voorts mede strekt ten behoeve van de tuinderij, die wordt geëxploiteerd tot het behoud van de biodiversiteit van gewassen. Aldus moet onderzocht worden of, mede gelet op de bijzondere situatie van dit geval, sprake is van zodanige omstandigheden dat de Gemeente redelijkerwijze niet, althans niet op de aangezegde termijn, tot opzegging mocht overgaan. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.11. De Gemeente stelt als grond voor de opzegging dat het Hof bij herhaling niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen. Het gaat daarbij met name om de verplichting zich te houden aan de regels inzake het aantal dieren dat op Fort Lunet II gehouden mag worden en om de verplichting de Gemeente toegang te verlenen tot dit Fort.

3.12. Voor zover het Hof op dit punt als verweer heeft aangevoerd dat de Gemeente niet eenzijdig regels inzake het toegestane aantal dieren en diersoorten mocht vaststellen, is van belang dat partijen - zo is uit het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken gebleken - overleg hebben gevoerd om te komen tot een commissie van deskundigen die bindend zou vaststellen welke aantallen dieren op een verantwoorde wijze op het Fort gehouden kunnen worden. Partijen hebben over deze commissie echter geen overeenstemming bereikt. Het kan dan geenszins onredelijk worden geacht dat de Gemeente, die er verantwoordelijk voor is dat het terrein in overeenstemming met de bestemming ervan en met de draagkracht van de grond wordt gebruikt, zelf eenzijdig regels voor de toegestane aantallen dieren heeft vastgesteld, na daarover advies van deskundigen te hebben ingewonnen.

3.13. Voor zover het verweer van het Hof inhoudt dat de aantallen, die de Gemeente voor de diverse diersoorten heeft vastgesteld, niet redelijk zouden zijn omdat - naar het Hof stelt - volgens een rapport van de deskundige professor [betrokkene 3] een groter aantal dieren op het terrein toelaatbaar zou zijn, wordt overwogen dat dit rapport naar voorlopig oordeel niet bepalend kan zijn voor de situatie zoals die zich op Fort Lunet II voordoet. Daarvoor is van belang dat het terrein - naar tussen partijen vast staat - een natuurbestemming heeft en volgens de bruikleenovereenkomst enkel als “weide en ecologische ruimte” door het Hof mag worden gebruikt. Dit brengt volgens de onweersproken stelling van de Gemeente mee dat het terrein op een zogeheten extensieve wijze moet worden gebruikt. Uit het rapport blijkt dat professor [betrokkene 3] - zoals de Gemeente ook onweersproken heeft gesteld - niet bekend was met deze bestemming als natuurgebied en met het daaraan verbonden extensieve gebruik, zodat in de berekeningen en (voorlopige) conclusies ten onrechte is uitgegaan van “de huidige landbouwpraktijk”, waarin een intensief gebruik wordt toegepast. Voorts betreffen de berekeningen een grondoppervlakte van 3,8 ha., terwijl daarin volgens de onweersproken stelling van de Gemeente 1 ha. aan wateroppervlakte is begrepen.

3.14. Het Hof heeft voorts nog aangevoerd dat het zich aan de gestelde regels heeft gehouden en dat er, voor zover aan die regels niet geheel en al voldaan zou zijn, slechts sprake is van een minimale overschrijding, die de opzegging van de bruikleenovereenkomst niet kan rechtvaardigen.

3.15. Op dit punt geldt dat de door het Hof gestelde minimale overschrijding ziet op de laatste veetelling van 29 juli 2004. Echter, anders dan de stelling van het Hof op dit punt impliceert, gaat het niet enkel om deze ene overschrijding van de toegestane aantallen dieren, aangezien de Gemeente ook andere overschrijdingen aan de opzegging ten grondslag heeft gelegd. Aldus moet worden nagegaan of die door de Gemeente gestelde overschrijdingen zich hebben voorgedaan.

3.16. Als uitgangspunt moet gelden dat de Gemeente in haar schrijven van 12 juni 2002 een equivalent van drie Groot Vee Eenheden (GVE) als maximum heeft gesteld. De Gemeente heeft daarbij tevens vastgesteld op welke wijze deze drie GVE ingevuld mogen worden, waarbij aan het Hof is toegestaan die invulling na voorafgaande toestemming van de Gemeente te wijzigen. Bij de veetelling van 9 april 2003 is een niet geringe overschrijding van de vastgestelde aantallen dieren en diersoorten geconstateerd zonder dat het Hof hiervoor tevoren toestemming had gevraagd. De Gemeente heeft toen echter bij schrijven van 9 april 2003 voor enige kleinere dieren een uitbreiding toegestaan. Bij de veetelling van 21 mei 2003 is ook volgens de nieuwe regels weer een overschrijding geconstateerd zonder dat het Hof daarvoor toestemming had gevraagd. De Gemeente heeft deze situatie met het Hof besproken en heeft toen nogmaals een kleine uitbreiding voor de kleinere dieren toegestaan. Het aldus ontstane geheel van de regels, aangeduid als “een stringent aantal voorwaarden”, heeft de Gemeente in haar schrijven van 2 juni 2003 nogmaals vastgelegd. Voor zover het Hof ter zitting heeft gesteld dat er bij de genoemde telling van 21 mei 2003 geen sprake was van een overschrijding van aantallen dieren of diersoorten, is het ten onrechte uitgegaan van een telling in 2000, terwijl het hier ging om de regels van de Gemeente zoals vastgesteld op 12 juni 2002 en aangevuld op 9 april 2003. Vervolgens zijn ook bij de veetellingen van 27 augustus 2003 en van 27 februari 2004 weer overschrijdingen van de toegestane aantallen geconstateerd zonder dat daarvoor toestemming was verleend. Begin februari 2004 had het Hof weliswaar om uitbreiding van het aantal yaks verzocht, doch dit verzoek was met vermelding van gronden door de Gemeente afgewezen. Op 15 april 2004 was opnieuw sprake van een overtreding van de regels, aangezien het Hof toen zelf aan de Gemeente heeft meegedeeld dat er meer dieren aanwezig waren dan was toegestaan en dat de boventallige dieren niet afgevoerd zouden worden. Voor zover het Hof zich daarbij heeft beroepen op het reeds genoemde rapport van professor [betrokkene 3] kan dat niet als rechtvaardiging worden aanvaard, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.13 ten aanzien van dat rapport is overwogen. Ten slotte is bij de veetelling van 29 juli 2004 - ook afgezien van de bijenkasten, die niet geacht kunnen worden enige belasting van de grond te veroorzaken - weer een overschrijding van de toegestane aantallen dieren geconstateerd. Dat de Gemeente de verklaring van het Hof voor deze overschrijding niet heeft aanvaard, kan - anders dan het Hof stelt - niet onredelijk worden geacht, aangezien het redelijkerwijze op de weg van het Hof ligt (i) om aan te tonen dat schapen of geiten jonger zijn dan één jaar - waardoor zij buiten de telling blijven - en (ii) om te zorgen dat het aantal ganzen aan het toegestane maximum voldoet.

3.17. Gelet op de veetellingen die zijn gehouden sinds de vaststelling van de regels in kwestie op 12 juni 2002, volgt uit de voorgaande overweging dat het Hof vanaf april 2003 bij vrijwel elke veetelling de regels zonder toestemming bleek te hebben overtreden, terwijl het Hof daarvoor geen enkele rechtvaardiging heeft aangevoerd anders dan het rapport van professer [betrokkene 3], dat hiervoor onder 3.13 reeds als niet bepalend voor de onderhavige situatie is aangemerkt. Bovendien heeft de Gemeente het Hof meermalen gewaarschuwd dat opzegging van de overeenkomst zou kunnen volgen indien in het vervolg niet aan de vastgestelde aantallen dieren werd voldaan. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat het Hof zodanig ernstig zijn verplichtingen op dit punt niet is nagekomen dat reeds om die reden de Gemeente tot opzegging van de bruikleenovereenkomst mocht overgaan.

3.18. Daarbij komt nog dat naar voorlopig oordeel het Hof ook zijn verplichting betreffende het toelaten van de Gemeente tot het terrein, niet is nagekomen. Volgens de bruikleenovereenkomst moet het Hof “te allen tijde” aan de Gemeente toegang tot het terrein verlenen. Daarbij moet de Gemeente echter de eisen van redelijkheid en billijkheid in acht nemen. Er zijn echter geen aanwijzingen dat de Gemeente haar recht op toegang op een onredelijke wijze heeft gebruikt. Het enkele feit dat de Gemeente in mei 2004 onaangekondigd een inspectiebezoek heeft willen uitvoeren, kan op zich zelf niet als onredelijk worden aangemerkt, nu dit door de handelwijze van het Hof was ingegeven en de Gemeente bovendien in haar schrijven van 2 juni 2003 en van 4 maart 2004 reeds had gewaarschuwd dat onaangekondigde controlebezoeken mogelijk zouden zijn. Het Hof was derhalve gehouden ook aan onaangekondigde veetellingen mee te werken, doch heeft meermalen geweigerd de Gemeente bij een onaangekondigd bezoek op het terrein toe te laten. Dit rechtvaardigt de conclusie dat het Hof ook op dit punt in de nakoming van zijn verplichtingen te kort is geschoten.

3.19. Een en ander brengt mee dat er voor de Gemeente redelijke grond bestond de bruikleenovereenkomst op te zeggen. Daaraan kan de bijzondere situatie van dit geval, zoals hiervoor onder 3.10 aangeduid, niet afdoen, nu de omstandigheid dat de bruikleen reeds lange tijd loopt en een bijzonder doel dient, op grond van redelijkheid en billijkheid niet kan meebrengen dat de Gemeente ondanks alle genoemde tekortkomingen van het Hof toch niet van haar recht tot opzegging gebruik zou mogen maken.

3.20. Op dit punt heeft het Hof nog aangevoerd dat aan de activiteiten van het Hof een zodanig zwaarwegend maatschappelijk belang toekomt, dat daarvoor het opzeggingsrecht van de Gemeente moet wijken.

3.21. Overwogen wordt dat het hier gaat om een afweging van de belangen van partijen, welke afweging in het kader van een kort geding mede aan de orde moet komen. In dit verband heeft het Hof niet alleen gesteld dat zijn activiteiten in het kader van het behoud van de biodiversiteit van gewassen, met name het beheren van een tuinderij, maatschappelijk van groot belang zijn, maar ook dat het gebruik van het Fort noodzakelijk is voor de werkzaamheden in die tuinderij, met name voor het personeel dat die werkzaamheden uitvoert. Op dit punt is aannemelijk te achten dat er - zoals het Hof heeft uiteengezet - organisatorische problemen voor het Hof zullen ontstaan als het gebruik van het Fort wegvalt, doch dit moet in de gegeven omstandigheden voor rekening van het Hof blijven, nu het immers de handelwijze van het Hof is die tot de opzegging van de bruikleenovereenkomst heeft geleid. Anderzijds moet voor de Gemeente als een zwaarwegend belang worden aangemerkt dat zij - zoals zij onweersproken heeft gesteld - verantwoordelijk is voor de instandhouding van het Fort als monument en voor een verantwoord beheer van de daartoe behorende gronden. Het belang van de Gemeente moet daarom zwaarder wegen dan dat van het Hof.

3.22. Nu uit dit alles volgt dat de Gemeente tot opzegging van de bruikleenover-eenkomst mocht overgaan, moet worden beoordeeld of de termijn die zij daarbij heeft gesteld, als redelijk kan worden aangemerkt.

3.23. Op dit punt moet worden geoordeeld dat de Gemeente redelijkerwijze geen beroep kan doen op de termijn van twee weken die in de bruikleenovereenkomst is opgenomen. De Gemeente heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij het terrein op korte termijn voor een ander doel gaat gebruiken, terwijl anderzijds wel aannemelijk is dat het Hof een langere termijn nodig heeft om te trachten voor de dieren in kwestie een ander onderkomen te vinden en voor de bovengenoemde organisatorische problemen een oplossing te zoeken. Een termijn van drie maanden moet daartoe redelijk worden geacht.

3.24. Al het voorgaande brengt mee dat de vordering op de hierna te vermelden wijze zal worden toegewezen.

3.25. Het Hof zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

4.1. veroordeelt het Hof binnen drie maanden na de dag van betekening van dit vonnis het perceel Fort Lunet II aan de Koningsweg 133-C te Utrecht te ontruimen en te verlaten met alle personen, dieren en zaken die zich daar vanwege het Hof bevinden en vervolgens dit perceel met afgifte van alle daarbij behorende sleutels geheel ter vrije beschikking van de Gemeente te stellen;

4.2. machtigt de Gemeente om met behulp van de sterke arm van justi-tie en politie de tenuit-voerlegging van dit vonnis op kosten van het Hof te bewerkstel-ligen, indien het Hof na de in 4.1 genoemde termijn in gebreke blijft te voldoen aan hetgeen overigens onder 4.1 is bepaald;

4.3. veroordeelt het Hof in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 816,-- (achthonderdzestien euro) voor sala-ris van haar procureur en op € 311,40 (driehonderdelf euro en veertig eurocent) voor ver-schot-ten, daarin niet begrepen een opslag voor B.T.W. over de dagvaardings-kosten;

4.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen en is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2005.