Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AW5428

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-11-2004
Datum publicatie
28-04-2006
Zaaknummer
SBR 04/2441 VV + 04/2440
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoek van een raadslid om openbaarmaking op grond van de WOB en de Gemeentewet van een rapport uitgebracht in het kader van een mediationproces afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT sector bestuursrecht

nr. SBR 04/2441 VV en 04/2440

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te Amersfoort, verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort. verweerder.

1. INLEIDING

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 2 augustus 2004 waarbij het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 17 juni 2004 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder het verzoek om inzage te krijgen in een op dinsdag 18 mei 2004 in h[betrokkene]]en rapport van [betrokkene] in de kwestie Vahstal, afgewezen.

1.2 Desgevraagd heeft verweerder de rechtbank bij fax van 29 september 2004 voornoemd rapport van [betrokkene], doen toekomen ten aanzien waarvan de rechtbank met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft beslist dat, gelet op de aard van de zaak, waarbij de openbaarheid van de evenbedoelde stukken de kern van het geschil vormt, beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

1.3 Eiser heeft bij brief van 14 oktober 2004 toestemming verleend om mede op grond van deze stukken uitspraak te doen.

1.4 Het verzoek is op 17 november 2004 ter zitting behandeld, waar verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Visser, werkzaam bij de gemeente Amersfoort.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de

hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep:

2.3 Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De gemeente Amersfoort heeft op 24 april 1998 een vaststellingsovereenkomst gesloten met Vahstal Holding B.V. en Hoveva Amersfoort B.V. (hierna Vahstal). Hieromtrent is onenigheid ontstaan en is een arbitrageprocedure gestart. Deze procedure ligt tijdelijk stil met de bedoeling om via mediation, do[betrokkene]] partijen nader tot elkaar te brengen. Het door [betrokkene] daaromtrent opgemaakte rapport (hierna: het rapport) heeft de basis gevormd voor hetgeen tijdens de collegevergadering van 18 mei 2004 door de verantwoordelijk wethouder aan de collegeleden is gemeld met betrekking tot de stand van zaken in dit mediationproces.

2.4 Op 26 mei 2004 heeft verzoeker, in zijn functie als raadslid namens de Burger Partij Amersfoort (BPA) een verzoek gedaan om inzage in en openbaarmaking van het rapport met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB). Dit verzoek heeft verweerder in zijn besluit van 17 juni 2004 afgewezen. Vervolgens heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft in bezwaar zijn verzoek om openbaarmaking tevens gebaseerd op artikel 60, derde lid en artikel 169 van de Gemeentewet. Verweerder heeft in het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder de weigering tot openbaarmaking gemotiveerd door erop te wijzen dat - samengevat - openbaarmaking de economische en financiële belangen van de gemeente schaadt aangezien opheffing van de beslotenheid van het onderhandelingsproces de gemeentelijke onderhandelingspositie verzwakt en het bovendien niet ondenkbaar is dat de onderhandelingen mislukken. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat openbaarmaking onevenredige benadeling van de bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen en rechtspersonen kan meebrengen. Tenslotte heeft verweerder gesteld dat het rapport persoonlijke beleidsopvattingen van [betrokkene] bevat zodat geen inzage kan worden gegeven in grote delen van het

document. Verweerder heeft in het bestreden besluit ook inzage op basis van de Gemeentewet geweigerd.

2.5 Verzoeker heeft aangegeven dat hij inzage en openbaarmaking van het rapport wil, gelet op zijn controlerende taak als gemeenteraadslid. Verzoeker is van mening dat, nu Vahstal zelf inzage in het rapport heeft gehad, de belangen van verweerder daardoor bovendien niet geschaad worden. Gelet op het grote financiële belang voor de gemeente en de op te stellen gemeentebegroting 2004-2007 dient verzoeker de gelegenheid te hebben om zich van alle relevante informatie op de hoogte te brengen. Spoedige openbaarmaking is om die reden, aldus verzoeker, geboden.

2.6 Ingevolge artikel l, aanhef en onder b, van de WOB wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder een bestuurlijke aangelegenheid verstaan: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.

In artikel 3, eerste lid, van de WOB is bepaald dat een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid kan richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de WOB wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de WOB.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de WOB blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de economische en financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel la, onder c en d, bedoelde bestuursorganen.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de WOB blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

In het eerste lid van artikel 11 van de WOB is bepaald dat in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie wordt verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

2.7 Ingevolge artikel 60, derde lid, van de Gemeentewet maakt het college de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de gemeente gebruikelijke wijze openbaar. Het college laat openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan op grond van artikel 55 geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.

Ingevolge artikel 169, tweede lid, van de Gemeentewet geeft het college de raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.

2.8 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarmaking van het rapport op grond van de WOB, hetgeen inhoudt dat een ieder kennis kan nemen van de inhoud van het rapport, en het recht op inzage in het rapport als bedoeld in artikel 60, derde lid, en artikel 169, tweede lid, van de van de Gemeentewet. Ter terechtzitting heeft verzoeker gesteld allereerst inzage in het rapport te wensen teneinde zijn controlerende taak uit te oefenen. Daarnaast heeft verzoeker gesteld dat toch ook openbaarmaking van het rapport gewenst is aangezien hij als gemeenteraadslid kiezers vertegenwoordigt die ook van het rapport op de hoogte zouden moeten zijn.

2.9 Ten aanzien van het verzoek om inlichtingen ingevolge 60, derde lid, en artikel 169, tweede lid, van de Gemeentewet overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Artikel 60, derde lid, van de Gemeentewet ziet op de situatie dat het verzoek om inlichtingen betrekking heeft op een besluit, doch daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, zodat dit artikel buiten beschouwing kan blijven.

In het licht van de uitspraak van de ABRS van 17 mei 1999, AB 1999, 295, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker in zijn bezwaar tegen het besluit van 17 juni 2004, voor zover dit gebaseerd was op artikel 169, tweede lid, van de Gemeentewet, door verweerder niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Verzoeker kan immers in zijn positie als raadslid bij een beroep op artikel 169, tweede lid, niet worden beschouwd als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

2.10 In voornoemde uitspraak is de ABRS immers van oordeel dat de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan artikel 167 van de Provinciewet (vergelijkbaar met artikel 169 van de Gemeentewet) samenhangt met de politieke en bestuurlijke relatie tussen gedeputeerde staten en provinciale staten (in het onderhavige geval vergelijkbaar met de raad en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort) in welke relatie door de ABRS geen plaats aanwezig werd geacht voor rechterlijke handhaving van het recht op inlichtingen ten gevolge waarvan de appellant in dat geding niet werd

beschouwd als een belanghebbende in de zin van de Awb.

De voorzieningenrechter acht een oordeel met betrekking tot de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan artikel 169 van de Gemeentewet, een politiek oordeel inzake de politiek-bestuurlijke relatie tussen leden van het college van burgemeester en wethouders en de raad. De Awb biedt geen rechtsbescherming via de bestuursrechter bij dergelijke, intern gerichte beslissingen. In dit verband wijst de voorzieningenrechter bovendien op het aanbod ter zitting van verweerder om verzoeker inzage te geven in het rapport.

2.11 Verweerder had gezien het vorenstaande naar het oordeel van de voorzieningenrechter de bezwaren van verzoeker in het kader van de Gemeentewet niet ongegrond doch niet-ontvankelijk dienen te verklaren. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepalen dat haar uitspraak ten aanzien van dit gedeelte in plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.12 De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van het verzoek tot openbaarmaking op grond van de WOB, het volgende. Ingevolge vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), zie onder andere ABRS 25 april 2000, JB 2000, 142, dient het recht op openbaarmaking ingevolge de WOB uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de WOB vooronderstelt. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Daarom kan ten aanzien van de openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon of de

oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging worden dan ook betrokken het algemene of publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de (relatieve) weigeringsgronden te beschermen belangen. Hierbij bestaat geen ruimte voor het wegen van het belang bestaande uit de door verzoeker aangevoerde controlerende taak die hij als gemeenteraadslid wil uitoefenen.

2.13 De voorzieningenrechter acht het geenszins uitgesloten dat de onderhandelingspositie van verweerder door openbaarmaking van het rapport zodanig nadelig wordt beïnvloed dat daardoor de financiële en economische belangen van de gemeente Amersfoort in ernstige mate kunnen worden geschaad. Ook onevenredige benadeling van de gemeente

Amersfoort dientengevolge kan niet worden uitgesloten. Het betreft hier immers een poging om middels mediation overeenstemming te bereiken in een langlopend conflict. In het algemeen heeft mediation vooral kans van slagen doordat in beslotenheid over en weer positie kan worden bepaald. Een dergelijke vorm van conflictoplossing voorkomt

polarisatie en verharding van standpunten met de nodige economische en financiële consequenties. De mediation geeft partijen de hier benodigde speelruimte die juist door openbaarmaking van de visie van de mediator op de posities van beide partijen en de daaruit eventueel te volgen beïnvloeding van buitenaf kan worden beperkt, hetgeen een mislukking van de mediationprocedure tot gevolg zou kunnen hebben. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan op grond van het vorenstaande niet gesteld worden dat verweerder zich bij afweging van de betrokken belangen ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het belang van openbaarmaking van het rapport niet opweegt tegen het bedoelde financiële en economische belang van de gemeente Amersfoort terwijl door niet openbaarmaking bovendien een onevenredige benadeling van de gemeente Amersfoort kan worden voorkomen.

2.14 Ter terechtzitting heeft verzoeker er nogmaals op gewezen dat in de bestreden beslissing een fout staat aangezien op pagina 3 wordt verwezen naar artikel 10, eerste lid, sub g van de WOB terwijl dit het tweede lid betreft.

De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent dat daarbij sprake is van een kennelijke verschrijving aangezien het eerste lid geen sub g behelst. Deze verschrijving was bovendien kenbaar voor verzoeker zodat die verschrijving geen gevolgen heeft.

2.15 Ten aanzien van het beroep van verweerder op artikel 11, eerste lid, van de WOB, overweegt de voorzieningenrechter dat, nog afgezien van de vraag of het rapport moet worden gezien als een document dat is opgesteld ten behoeve van intern beraad, deze grond niet verder onderzocht behoeft te worden aangezien, gelet op hetgeen onder 2.10 is weergegeven, de in artikel 10, tweede lid, onder b en g, van de WOB genoemde belangen zich reeds tegen openbaarmaking verzetten.

2.16 De door eiser in het kader van de WOB aangevoerde bezwaren kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Nu tot zover ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, komt het beroep met betrekking tot openbaarmaking op grond van de WOB voor ongegrondverklaring in aanmerking.

2.17 De voorzieningenrechter is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

2.18 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist.

2.19 Gelet op het vorenoverwogene wordt geen aanleiding gezien om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

2.20 Derhalve wordt beslist als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

verklaart het beroep gegrond voor zover dat is gericht tegen de ongegrond verklaring van het bezwaar inzake de weigering om verzoeker inzage te geven als bedoeld in artikel 169 van de Gemeentewet;

vernietigt het besluit in zoverre;

bepaalt dat haar uitspraak in plaats komt van het besluit voor zover dat is vernietigd;

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn bezwaar tegen de weigering hem op grond van artikel 169 van de Gemeentewet inzage te geven;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht in de beroepszaak van € 136,- aan hem vergoedt, te betalen door de gemeente Amersfoort;

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. T. Dompeling, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2004

De griffier De voorzieningenrechter::

mr. E.M. Tol mr. T. Dompeling

Afschrift verzonden aan partijen op:

Uitsluitend tegen de beslissing op het beroep kan op grond van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. De beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na bekendmaking van deze uitspraak.