Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AR7826

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-12-2004
Datum publicatie
20-12-2004
Zaaknummer
187786/KGZA 04-1186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Arriva is een busmaatschappij. Zij dient in verband met verminderde subsidie haar dienstregeling aan te passen. Een deel van het personeel wordt daardoor overtallig. De bonden eisen dat geen gedwongen ontslagen zullen plaatsvinden en hebben om die reden een staking uitgeroepen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de staking rechtmatig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kg.nr: 187786/KGZA 04-1186 LvR/BL 8 december 2004

RECHTBANK UTRECHT

(sector handels- en familierecht)

VONNIS

van de voorzieningenrechter,

in het kort geding van:

de naamloze vennootschap

ARRIVA OPENBAAR VERVOER N.V.,

gevestigd te Heerenveen,

eiseres,

hierna te noemen: Arriva,

procureur: mr. B.F. Keulen,

advocaat: mr. P.H.E. Voûte,

- t e g e n -

1. de vereniging

FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Utrecht,

advocaat: mr. R. van der Stege,

2. de vereniging

CNV BEDRIJVENBOND

gevestigd te Houten,

advocaat: mr. H. Aydemir,

3. de vereniging

ABVAKABO FNV,

gevestigd te Zoetermeer,

advocaat: mr. M.F. Baltussen,

gedaagden,

verder te noemen: de bonden.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Op 8 december 2004 zijn Arriva en de bonden vrijwillig verschenen voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht, rechtdoende in kort geding.

Arriva heeft op die dag een vordering ingesteld overeenkomstig de inhoud van het concept van de dagvaarding, waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

1.2

Arriva heeft haar vordering bij monde van haar advocaat doen toelichten mede aan de hand van producties.

1.3

De bonden hebben bij monde van hun respectieve advocaten elk afzonder-lijk verweer gevoerd.

1.4

Na voortzetting van het debat en nadat partijen vonnis hadden gevraagd, heeft de voorzieningenrechter partijen meegedeeld op 8 december 2004 uitspraak te zullen doen, met dien verstande dat de motivering van die uitspraak pas later volledig op schrift zal worden gesteld.

Nadat de behandeling van de onderhavige zaak was gesloten, heeft de voorzieningenrechter overeenkomstig het voorgaande uitspraak gedaan.

2. Vaststaande feiten

2.1

Arriva is een onderneming die zich bezighoudt met het openbaar vervoer in Nederland.

2.2

Arriva heeft in december 2003 de aanbesteding voor de concessie voor het gebied in de provincie Groningen, de stad Groningen en een gedeelte van de provincie Drenthe gewonnen (het zogenaamde GGD-gebied).

2.3

In verband met bezuinigingen door de overheid hebben de opdrachtgevers van Arriva, zijnde de regionale overheden, minder budget van het rijk ontvangen ten gevolge waarvan de subsidies (de bijdragen van de regionale overheden) aan Arriva zijn verminderd.

2.4

Op 28 april 2004 heeft het Openbaar Vervoer Bureau GGD (hierna te noemen het OV-bureau), waarin de lokale overheden voor het GGD-gebied zijn vertegenwoordigd, aangekondigd dat vanwege de rijksbezuinigingen de exploitatiesubsidie voor Arriva substantieel verlaagd zou worden.

2.5

Het OV-bureau is vervolgens met Arriva in overleg getreden teneinde te bezien hoe de bezuiniging vervoerskundig kon worden vertaald in een aangepaste dienstregeling, die op 9 januari 2005 in werking zal treden.

2.6

De gewijzigde dienstregeling brengt een gewijzigde chauffeursformatie met zich mee die tot overcapaciteit van arbeidsplaatsen bij Arriva in het GGD zal leiden.

2.7

Arriva heeft op 6 september 2004 aan de ondernemingsraad advies gevraagd ten aanzien van haar voornemen om ongeveer 90 arbeidsplaatsen te schrappen.

De ondernemingsraad heeft op 22 november 2004 een (deel)advies aan Arriva uitgebracht.

2.8

Tussen Arriva en de bonden is op 6 september 2004, 21 oktober 2004, 8 november 2004, 15 november 2004 en 23 november 2004 overleg gevoerd omtrent de reorganisatie in het GGD-gebied.

2.9

Bij brief van 3 december 2004 hebben de bonden aan Arriva meegedeeld -voor zover hier van belang-:

Op 23 november heeft u tijdens de vijfde overlegronde plotseling meegedeeld dat u overgaat tot melding van collectief ontslag voor 62 werknemers en direct een ontslagvergunning gaat aanvragen voor 28 werknemers. Hiertegen hebben wij stelling genomen bij brief van 29 november. Op 1 december heeft u ons per brief laten weten dat u niet akkoord gaat met de in onze brief genoemde uitgangspunten. Wij hebben u per brief op dezelfde dag nogmaals verzocht om opnieuw te onderhandelen. Daarop is geen reactie van uw kant gekomen.

Donderdag 2 december 2004 heeft een ledenvergadering plaatsgevonden waarbij onze leden zich hebben uitgesproken over de nu ontstane situatie. Op basis van deze ledenvergadering stellen wij u de volgende eisen:

1. Arriva dient heldere en duidelijke cijfers te presenteren waardoor inzicht wordt verschaft in het aantal boventallige chauffeurs en indirecte medewerkers, alsmede in de berekeningswijze die daaraan ten grondslag wordt gelegd;

2. Niemand wordt ontslagen. Wij zijn bereid met u in een sociaal plan afspraken te maken die bijdragen aan het oplossen van -eventuele-boventalligheid.

Wij doen een dringend beroep op u om op basis van deze uitgangspunten onderhandelingen te hervatten. Indien wij voor maandag 6 december om 14:00 uur geen of een negatieve reactie op deze brief gehad hebben, dan stellen wij vast dat wij alsdan uitonderhandeld zijn.

(…)

2.10

Arriva heeft in reactie op de hiervoor onder 2.9 vermelde brief van de bonden bij brief van 6 december 2004 aan de bonden meegedeeld -voor zover hier van belang-:

Arriva heeft heldere en duidelijke cijfers gepresenteerd. (…)

Wij zijn dan ook van harte bereid met u in een Sociaal Plan afspraken te maken die bijdragen aan het oplossen van de boventalligheid. Daarvoor verwachten wij van uw zijde realistische oplossingsvoorstellen die duurzaam zijn, waarbij wij echter gedwongen ontslagen op voorhand niet kunnen uitsluiten. (…)

2.11

In reactie daarop hebben de bonden bij brief van 6 december 2004 aan Arriva meegedeeld- voor zover hier van belang-:

In uw brief schrijft u dat Arriva de cijfers wel degelijk heeft onderbouwd. Dit is niet het geval. Uw berekeningen zijn gebaseerd op inschattingen. Voor ons zijn de werkelijke formatieberekeningen van belang. Die zijn beschik-baar in week 51. Pas dan kan berekend worden, hoeveel arbeidsplaatsen verloren gaan en pas dan kan boventalligheid bepaald worden. (…)

U schrijft dat u gedwongen ontslagen niet wilt uitsluiten. Daarmee voldoet u niet aan onze eis. (…)

Gelet op het voorgaande hebben wij besloten u het volgende ultimatum te stellen:

Indien wij voor woensdag 8 december 18.00 uur van u geen schriftelijke reactie hebben ontvangen, waaruit blijkt dat u integraal akkoord gaat met de hierboven gestelde eisen, dient u rekening te houden met door ons uit te roepen en te organiseren acties, waaronder werkonderbrekingen en stakingen voor kortere of langere duur.

U kunt een eerste staking verwachten op 9 december 2004 vanaf begin dienst en wij raden u aan om de reizigers ter zake te informeren.

Uiteraard zullen wij bij eventuele acties rekening houden met de in acht te nemen veiligheidsmaatregelen en zijn wij te allen tijde bereid tot overleg over het waarborgen van de veiligheid van mensen, goederen en materieel tijdens voornoemde acties. (…)

2.12

Bij brief van 7 december 2004 heeft Arriva de bonden verzocht om in overleg te treden om plannen uit te werken om het aantal gedwongen ontslagen te minimaliseren en mogelijk zelfs terug te brengen naar nul.

2.13 De bonden hebben bij brief van 8 december 2004 aan Arriva meege-deeld dat Arriva niet aan de eis van de bonden tegemoetkomt. Om die reden hebben de bonden een staking aangekondigd die zal worden gehou-den op 9 december 2004, en die het busvervoer treft in het in het gehele GGD-concessiegebied en delen van Overijssel, Flevoland en Friesland.

3. De vordering en het verweer

3.1

Voor de volledige inhoud en de gronden van de vordering wordt verwezen naar de fotokopie van de aan dit vonnis gehechte conceptdagvaarding.

Arriva vordert -kort weergegeven- dat:

1. de bonden worden verboden uitvoering te geven aan het voornemen tot een algemene werkstaking op 9 december 2004 in het gehele GGD-concessiegebied, Overijssel en delen van Flevoland;

2. de bonden zal worden verboden enige acties te organiseren of uit te voeren zolang Arriva nog geen definitief besluit heeft genomen ten aanzien van gedwongen ontslagen in het kader van de invoering van de nieuwe dienstregeling per 9 januari 2005,

zulks op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de bonden in de kosten van de procedure.

3.2

De bonden hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3

Op de afzonderlijke onderdelen van de stellingen en de verweren van partijen zal hierna -voor zoveel nodig- worden ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil

4.1

Het recht op het voeren van collectieve actie van werknemers wordt in

beginsel beheerst door de bepalingen van het ESH (Europees Sociaal Handvest). In artikel 6 aanhef en onder lid 4 van het ESH wordt het recht van werknemers op collectief optreden erkend in gevallen van belangen-geschillen met werkgevers, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten.

4.2

Blijkens het bepaalde in artikel 6, aanhef ESH is de ratio van het in artikel 6 lid 4 ESH erkende recht van werknemers op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen met werkgevers, de onbelemmerde uitoefening van het recht op collectief onderhandelen te waarborgen, teneinde het recht op vereniging van werknemers volledig te kunnen uitoefenen.

Gegeven deze ratio komt het begrip belangengeschil een ruime uitleg toe.

In het algemeen kan als een belangengeschil worden aangemerkt, elk geschil tussen een werkgever en een deel van het personeel, dat door collectief onderhandelen kan worden opgelost, niet zijnde een rechtsgeschil, in het bijzonder niet één met betrekking tot het bestaan, de geldigheid en de interpretatie van een CAO of de schending daarvan.

4.3.

Voormelde uitleg in aanmerking nemend valt het tussen partijen gerezen geschil aan te merken als een belangengeschil in de zin van artikel 6 ESH aanhef en onder lid 4. Het geschil heeft immers in de kern betrekking op de vraag of er gedwongen (collectieve) ontslagen dienen plaats te vinden in verband met een wegens bezuinigingen noodzakelijke aanpassing van de dienstregeling van Arriva, die leidt tot overcapaciteit van arbeidsplaatsen bij haar. Het kan bij uitstek tot de taak van de bonden worden gerekend in een dergelijke situatie met de werkgever in onderhandeling te treden, hetzij om gedwongen (collectieve) ontslagen te voorkomen, hetzij om daarover nadere afspraken met de werkgever te maken.

4.4

Van de zijde van Arriva is betoogd, dat de door de bonden voorgenomen staking onrechtmatig, namelijk prematuur is en derhalve niet als ultiem middel wordt gehanteerd. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd, dat partijen nog niet uitonderhandeld zijn, alsook dat het formatieplan op grond waarvan het aantal boventallig personeel kan worden vastgesteld eerst in week 51 bekend wordt.

4.5

De bonden hebben tegenover het voorgaande aangevoerd dat het Europees Comité voor Sociale Rechten van de Raad van Europa (hierna te noemen het ECSR) in haar conclusie XVII-l heeft geoordeeld dat de rechter niet bevoegd is een uitspraak te doen over de vraag of een staking al dan niet prematuur is.

4.6

In het midden kan blijven of voormeld standpunt van het ECSR, dat op zichzelf genomen door de bonden juist is weergegeven, in de weg staat aan de in dergelijke zaken volgens de Nederlandse rechtspraak gebruikelijke toetsing aan zwaarwegende procedureregels ("spelregels"), waartoe ook het beginsel dient te worden gerekend dat een staking slechts rechtmatig kan zijn als zij als "uiterste middel", derhalve niet prematuur en voorbarig, is toegepast (vgl. HR 28 januari 2000, NJ 2000/292). Immers, ook indien geen rekening hoeft te worden gehouden met het standpunt van de ECSR en derhalve met inachtneming van de nodige terughoudendheid kan blijven worden getoetst aan voormelde procedureregels, kan dit Arriva niet baten. Dit volgt uit de volgende overwegingen.

4.7

Uit de vaststaande feiten blijkt dat partijen vanaf september 2004 hebben onderhandeld over de gevolgen die de verminderde subsidieverlening van de regionale overheden aan het openbaar vervoersbedrijf van Arriva heeft voor de werknemers van laatstgenoemde.

Voorts staat vast dat Arriva niet bereid is in te gaan op de eis van de

bonden om aan hen te garanderen dat geen gedwongen ontslagen zullen vallen onder de werknemers van Arriva, zodat tussen partijen een eind-situatie is bereikt in het onderhandelingsproces en dit dan ook als beëindigd moet worden beschouwd. De bonden hebben hun eindbod aan Arriva meegedeeld en Arriva heeft weliswaar te kennen gegeven dat zij opnieuw in overleg wilde treden, maar tevens is (impliciet) kenbaar gemaakt dat geen ruimte bestond om volledig aan de eisen van de bonden te voldoen, zodat het onder die omstandigheden de bonden vrijstond aan het ultimatum vast te houden. Hierop stuit ook de stelling van Arriva af dat de mogelijkheden voor overleg niet voldoende zijn benut.

In de kwestie of, zoals Arriva tijdens de behandeling van het onderhavige kort geding naar voren heeft gebracht, de eis van de bonden al dan niet redelijk is, treedt de voorzieningenrechter niet, nu het ter beoordeling aan de bonden is welke eisen zij in de onderhandeling met de werkgever wensen te stellen.

4.8.

Dit een en ander voert voorshands tot de slotsom dat de bonden zich terecht op het standpunt stellen dat partijen uitonderhandeld zijn.

Op grond van hetgeen in deze procedure verder aan de orde is geweest, dient bovendien te worden geoordeeld dat - anders dan in HR 28 januari 2000, NJ 2000/292 het geval was - de dreiging van gedwongen ontslagen dusdanig reëel en concreet was, dat de bonden in redelijkheid mochten menen dat Arriva op korte termijn tot een dergelijke maatregel zou overgaan.

De omstandigheid dat het formatieplan eerst in week 51 ter beschikking komt, doet aan het voorgaande niet af. Dit laat immers onverlet dat Arriva niet wenst in te gaan op de eis van de bonden dat wordt gegarandeerd dat er geen gedwongen ontslagen zullen plaatsvinden.

4.9

Dat de bonden tijdens het onderhandelingsproces mogelijk een gewijzigd standpunt hebben ingenomen, maakt een en ander niet anders. Een stand-puntwijziging gedurende de onderhandelingen maakt immers deel uit van het onderhandelingsproces, en in ieder geval geldt dat de bonden vanaf 2 december 2004 duidelijk hun standpunt hebben bepaald, te weten dat

geen gedwongen ontslagen mochten plaatsvinden.

Arriva diende ernstig rekening te houden met de mogelijkheid dat tussen partijen een patstelling zou ontstaan indien zij, zoals ook het geval is geweest, niet op de eis van de bonden zou ingaan dat op dit punt een duidelijke en onvoorwaardelijke garantie zou worden gegeven.

4.10

De omstandigheid dat de wettelijke wachttijd van de ondernemingsraad nog loopt (kennelijk doelt Arriva daarmee op de termijn als bedoeld in artikel 25 lid 6 van de WOR), staat evenmin aan het uitroepen van een staking in de weg. Immers de verplichting van de ondernemer tot opschorting van de uitvoering van het besluit op grond van het bepaalde in artikel 25 lid 6 van de WOR, kan niet aan de bonden het recht ontnemen om over te gaan tot uitoefening van het stakingsrecht.

4.11

Ten aanzien van de stelling van Arriva dat het door de bonden gehanteerde middel in geen verhouding staat tot het beoogde doel en de staking der-hal-ve disproportioneel is, overweegt de voorzieningenrechter als volgt, waarbij vooropgesteld wordt dat ook deze kwestie door de rechter met terughou-dend-heid dient te worden beantwoord.

De bonden hebben tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld, dat de thans aangekondigde staking 24 uur zal duren, te weten vanaf de eerste dienst op 9 december 2004 tot aan de eerste dienst op 10 december 2004. Een staking van 24 uur is op zichzelf niet disproportioneel te achten, ook niet indien andere, minder vergaande, actievormen mogelijk zijn.

Bijzondere feiten of omstandigheden die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat de onderhavige actievorm in dit specifieke geval desondanks niet wordt gedekt door artikel 6, aanhef en onder lid 4 ESH, zijn niet gesteld of aanne-melijk geworden. Evenmin kan worden gezegd dat, met inachtneming van de door artikel 31 ESH gestelde beperkingen, de bonden en haar leden in redelijkheid niet tot deze actie hadden kunnen komen.

4.12

Het voorgaande wordt niet anders door het feit dat de bonden de staking (deels) in een gebied doen plaatsvinden dat niet tot het directe GGD-gebied behoort. Aannemelijk is dat de reorganisatie gevolgen heeft die zich tevens kunnen uitstrekken tot werknemers die werkzaamheden verrichten in een deel van Friesland, Overijssel en Flevoland. Ook ten aanzien van onderdelen van lijnen in laatstgenoemde provincies zijn organisatorische wijzigingen te verwachten, die verband houden met de huidige subsidievermindering aan Arriva door de regionale overheden.

4.13

Dat Arriva schade lijdt door de staking en dat het publiek gedurende de staking geen gebruik kan maken van de diensten van Arriva is inherent

aan het stakingsmiddel. Overigens heeft Arriva in een situatie als de onderhavige het zelf in haar macht een einde te maken aan de toege-brachte schade, dit door toe te geven aan de eisen van de bonden.

Dat sprake is van een onevenredige schade aan de zijde van Arriva is overigens, mede gelet op hetgeen hiervóór aan de orde is geweest, onvoldoende gesteld of aannemelijk geworden.

4.14

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat het gevorderde moet worden afgewezen. Arriva zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1

wijst de vordering af;

5.2

veroordeelt Arriva in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zij-de van elke gedaagde afzonderlijk begroot op telkens € 816 ,-- voor salaris van de advocaat en op € 241,-- voor verschotten; verklaart deze proceskosten-veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen, voorzieningenrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2004.

w.g. griffier w.g. rechter