Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AR6427

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-11-2004
Datum publicatie
25-11-2004
Zaaknummer
SBR 04/2952 VV
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft verzoek om opheffing van een voorlopige voorziening, inhoudend de schorsing van de verlening van vrijstelling en bouwvergunning voor het oprichten van een vuurwerkopslag.

Verzoek is n-o verklaard omdat de voorziening van rechtswege is komen te vervallen door intrekking van het bezwaar.

Ten overvloede is overwogen dat er geen reden zou zijn geweest voor opheffing, omdat uit de feiten niet kan worden afgeleid dat er geen sprake (meer) zou zijn van een milieuvergunningplicht, zodat het bepaalde in art 52 Wow (nog steeds) van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector bestuursrecht

nr. SBR 04/2952 VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om opheffing van een voorlopige voorziening van:

[verzoeker], wonende te Vianen, verzoeker.

1. INLEIDING

1.1 Bij uitspraak van 19 oktober 2004 heeft de voorzieningenrechter het besluit van verweerder van 7 september 2004 geschorst. Bij dat besluit heeft verweerder aan [belanghebbende] (binnenplanse) vrijstelling en vergunning verleend voor het oprichten van een vuurwerkopslag op het perceel [adres] te Vianen.

Bij faxbericht van 11 november 2004 heeft verzoeker gevraagd de voorlopige voorziening met onmiddellijke ingang in te trekken of ongedaan te maken. Dit verzoek is door de voorzieningenrechter opgevat als een verzoek om opheffing van de voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht.

1.2 Het verzoek om opheffing van de op 19 oktober 2004 uitgesproken schorsing is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van 22 november 2004, waar verzoeker in persoon is verschenen. Namens verweerder is D.P.J. Loerts, werkzaam bij de gemeente Vianen, ter zitting verschenen. [belanghebbende] heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Aan de uitspraak van 19 oktober 2004 lag de overweging ten grondslag dat - samengevat - uit de ontwerpbeschikking inzake de milieuvergunning blijkt dat sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer waarvoor een vergunning is vereist, en dat, gelet op het bepaalde in het eerste lid van artikel 52 van de Woningwet verweerder de beslissing omtrent de aanvraag om een bouwvergunning had dienen aan te houden.

2.2 Uit de overgelegde gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder bij besluit van 20 oktober 2004 de bouwwerkzaamheden voor de vuurwerkopslag voor 2.000 kg consumentenvuurwerk heeft stilgelegd, en dat de bouw ten tijde van de bouwstop zo ver was gevorderd dat alleen de dakplaten en de interne voorzieningen nog geplaatst dienden te worden.

Op 20 oktober 2004 heeft [belanghebbende] een nieuwe bouwaanvraag ingediend voor een vuurwerkopslag voor 1.000 kg consumentenvuurwerk. Het gaat om een identieke bouwtekening als die is ingediend bij de eerdere bouwaanvraag van 10 juni 2004, met dien verstande dat waar oorspronkelijk de opslag in de bewaarplaats van 1.500 kg werd vermeld nu de opslag van 500 kg wordt vermeld.

De aanvraag om de bouwvergunning voor een vuurwerkopslag voor 2.000 kg is niet ingetrokken, althans daarvan is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Uit de door verzoeker overgelegde overeenkomst van 9 november 2004 tussen verzoeker en [belanghebbende] blijkt, dat is overeengekomen dat niet meer dan 1.500 kg consumentenvuurwerk zal worden opgeslagen.

2.3 Op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting op te richten.

Op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer juncto artikel 2.2.1 en artikel 2.2.4 van het Vuurwerkbesluit is degene die een inrichting drijft waar ten hoogste 1.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen of herverpakt, verplicht van de oprichting daarvan melding te maken. Indien meer dan 1.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen is er een vergunningplicht als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.

2.4 Gelet op hetgeen onder 2.2 is overwogen blijkt dat er een bouwwerk wordt opgericht voor de opslag van 2.000 kg consumentenvuurwerk en dat, mede gelet op de overeenkomst met verzoeker, ook moet worden aangenomen dat vergunninghouder meer dan 1.000 kg consumentenvuurwerk wenst op te slaan. Door de afwezigheid van vergunninghouder ter zitting is in ieder geval niet van het tegendeel gebleken.

Uitgaande van deze gegevens wordt onvoldoende grond aanwezig geacht voor het impliciet door verzoeker ingenomen standpunt dat geen aanhoudingsplicht op grond van artikel 52 van de Woningwet meer aanwezig zou zijn, waardoor de schorsing van het besluit van 7 september 2004 zou kunnen worden opgeheven. Voorts merkt de voorzieningenrechter in dit verband nog op dat ook verweerders besluit van 20 oktober 2004 tot stillegging van de bouw onverminderd geldt zolang geen andersluidend besluit door verweerder is genomen.

2.5 Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt evenwel dat verzoeker, 4 dagen na zijn verzoek om opheffing van de schorsing, bij emailbericht van 15 november 2004 zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 7 september 2004 heeft ingetrokken.

Op grond van artikel 8:85, tweede lid, van de Awb, vervalt de voorlopige voorziening zodra het bezwaar of het beroep is ingetrokken. De op 19 oktober 2004 door de voorzieningenrechter uitgesproken schorsing is, als gevolg van de intrekking van het bezwaarschrift, derhalve van rechtswege vervallen.

Gelet hierop wordt het op 11 november 2004 ingediende verzoek om opheffing van de schorsing niet-ontvankelijk verklaard, aangezien verzoeker sedert de intrekking van zijn bezwaarschrift op 15 november 2004 geen processueel belang meer heeft bij dat verzoek.

2.6 Omdat als gevolg van de intrekking door verzoeker van het bezwaarschrift, de behandeling van het verzoek om opheffing van de schorsing achterwege had kunnen blijven, zal het door verzoeker betaalde griffierecht door de griffier van de rechtbank worden terugbetaald.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het verzoek om opheffing van de op 19 oktober 2004 uitgesproken schorsing van het besluit van 7 september 2004 niet-ontvankelijk;

3.2 bepaalt dat het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 136,- door de griffier wordt terugbetaald.

Aldus vastgesteld door mr.drs. R. in ’t Veld, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2004.

De griffier: De voorzieningenrechter:

(is verhinderd de mr.drs. R. in 't Veld

uitspraak te ondertekenen)

Afschrift verzonden aan partijen op: