Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AR5644

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-11-2004
Datum publicatie
15-11-2004
Zaaknummer
SBR 04/2828
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning en vrijstelling ex art. 19, tweede lid, WRO verleend voor een woning.

De voor de woning geldende maximale inhoudsmaat heeft in dit geval betrekking op enkel het hoofdgebouw, en niet ook op de aanbouw (en de overkapping).

Woning wordt weliswaar opgericht binnen de kritieke afstandsgrens van bedrijfsmatige onderdelen van milieuvergunningplichtige melkrundveehouder. Dit is echter al mogelijk gemaakt bij de eerdere vaststelling van het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector bestuursrecht

nr. SBR 04/2828

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker], wonende te Oudewater,

verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater,

verweerder.

1. INLEIDING

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 7 september 2004, waarbij aan [belanghebbende] vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een woning op het perceel [adres] te Oudewater.

1.2 Het verzoek is op 4 november 2004 ter zitting behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door W. Eppinga, bestuurlijk juridisch adviseur, kantoorhoudende te IJsselstein. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Herrman, werkzaam bij de gemeente Oudewater. Tevens is ter zitting verschenen [belanghebbende], vergunninghouder, bijgestaan door mr. F.W.S. van der Steen, advocaat te Den Haag en J. Kwakernaak, architect.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Gelet op de datumstempel op de ter zitting overgelegde envelop waarin het (inleidend) bezwaarschrift van verzoeker bij verweerder is ingediend, wordt vastgesteld dat tijdig bezwaar is gemaakt bij verweerder tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft. Nu deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

2.4 Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het bestemmingsplan “Landelijk gebied Oudewater” en de daarbij behorende plankaart zijn de voor Woondoeleinden aangegeven gronden bestemd voor wonen. Het in geding zijnde perceel [adres] te Oudewater is als zodanig aangegeven.

Volgens het tweede lid van artikel 15 mogen op deze gronden uitsluitend worden gebouwd:

a. hoofdgebouwen;

b. bijgebouwen;

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge het derde lid van dit artikel gelden voor het bouwen van gebouwen de aanwijzingen op de kaart en de volgende bepalingen:

a. (..)

b. de inhoud van een woning mag ten hoogste 500 m³ bedragen;

g. de goothoogte van een woning mag ten hoogste 4.50 m en de nokhoogte ten hoogste 8.00 m bedragen;

Ingevolge het vijfde lid van artikel 15 zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in sub g van het derde lid tot een goothoogte van ten hoogste 5.50 m en een nokhoogte van ten hoogste 9.00 m.

In het eerste lid, aanhef en onder a, van artikel 5 van het bestemmingsplan “Landelijk gebied Oudewater” is bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn - tenzij op grond van hoofdstuk II terzake reeds een vrijstelling kan worden verleend en mits het bepaalde in de beschrijving in hoofdlijnen in acht wordt genomen - vrijstelling te verlenen van de bepalingen van het plan voor afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 1.50 m respectievelijk 10%, met uitzondering van maten met betrekking tot het toegelaten grondoppervlak van bouwwerken.

Bij besluit van 24 juni 2004 heeft de raad van de gemeente Oudewater het bestemmingsplan “Partiële herziening bestemmingsplannen Landelijk Gebied” vastgesteld.

Bij dit bestemmingsplan zijn de voorschriften van onder andere het bestemmingsplan “Landelijk gebied Oudewater” (in beperkte mate) gewijzigd, ten einde voor het gehele buitengebied van de gemeente de wenselijk geachte uniformering te bewerkstelligen en te voorzien in een afstemming op de feitelijke en gewenste situatie.

Ingevolge de eerste volzin van het eerste lid van artikel 3 van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan “Partiële herziening bestemmingsplannen Landelijk Gebied” mag de inhoud van een woning ten hoogste 600 m³ bedragen. Blijkens de toelichting is aldus aangesloten bij het provinciaal- en rijksbeleid in deze.

Ingevolge artikel 1 van dit plan zijn de relevante begrippen als volgt gedefinieerd:

- erfbebouwing: het geheel aan bebouwing op een bouwperceel, niet zijnde een hoofdgebouw (in de vorm van bijgebouwen, aan- en uitbouwen),

- hoofdgebouw: een gebouw, op een bouwperceel, dat door zijn constructie, afmeting of functie als belangrijkste gebouw valt aan te merken, zoals een (burger)woning,

- aanbouw: een aan een hoofdgebouw aangebouw gebouw, dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw, geen bijgebouw zijnde. Tussen het hoofdgebouw en de aanbouw is een scheidingswand aanwezig. (Voorbeelden: bijkeuken, klompenhok, hobbykamer, garage, berging)

Dit raadsbesluit is goedgekeurd door gedeputeerde staten van Utrecht bij besluit van 14 september 2004 en, blijkens het verhandelde ter zitting, op 13 oktober 2004 ter inzage gelegd.

2.5 Op 3 juni 2004 heeft [belanghebbende] een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor het geheel vernieuwen van een woning op het perceel [adres] te Oudewater.

Onder overweging dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan “Landelijk gebied Oudewater” voor wat betreft de maximaal toegestane inhoud van de woning en voldoet aan de bepalingen van het bestemmingsplan “Partiële herziening bestemmingsplannen Landelijk Gebied”, is bouwvergunning verleend onder verlening van vrijstelling ter zake van de maximaal toegestane inhoud van de woning.

Daarbij is gebruik gemaakt van de door gedeputeerde staten van Utrecht op grond van het tweede lid van artikel 19 van de WRO bij besluit van 27 januari 2004 afgegeven algemene verklaring van geen bezwaar voor vrijstellingen die in overeenstemming zijn met het ontwerpbestemmingsplan van oktober 2003. Zoals hiervoor is aangegeven is aan dit, inmiddels vastgesteld en op een ondergeschikt aspect gewijzigd, plan recent goedkeuring gehecht door GS.

Tegelijkertijd heeft verweerder bij besluit van 10 september 2004 aan [belanghebbende] een sloopvergunning verleend voor het slopen van de bestaande woning en schuren op dit perceel.

2.6 Verzoeker heeft naar voren gebracht dat bij de bouwvergunningverlening voor het bouwplan ten onrechte is voorbijgegaan aan de overschrijding met 35 cm van de in het bestemmingsplan “Landelijk gebied Oudewater” maximaal toegestane goothoogte van 4.50 m.

Voor deze, door verweerder erkende, betrekkelijk geringe afwijking kan evenwel met toepassing van het vijfde lid van artikel 15 van genoemd plan alsnog vrijstelling worden verleend bij het besluit op het bezwaarschrift van verzoeker. Hierin is dan ook geen grond gelegen voor het treffen van een voorziening.

2.7 Verzoeker, die op het naastgelegen perceel [adres] een melkrundveehouderij exploiteert, stelt zich voorts op het standpunt dat de met inachtneming van het inmiddels goedgekeurde bestemmingsplan “Partiële herziening bestemmingsplannen Landelijk Gebied” toegestane maximale inhoudsmaat van een woning (ruimschoots) is overschreden, zodat verweerder zich ten onrechte bevoegd heeft geacht tot vrijstellingverlening op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO met gebruikmaking van genoemde algemene verklaring van geen bezwaar.

Daartoe is verwezen naar een berekening van de hand van Architektenburo Van den Akker. Volgens deze berekening is de totale inhoud van de woning te stellen op 924 m³, te weten:

begane grond woning 301 m²

eerste verdieping woning 353.5 m²

aangebouwd kantoor 108.5 m²

onbenoemde ruimte van de aanbouw aan de achterzijde 161 m²

2.8 Dit betoog slaagt niet. Op grond van de overgelegde bouwtekening en de daarop ter zitting mede aan de hand van een cijfermatige berekening van de inhoud van de uit twee bouwlagen bestaande woning en de inhoud van de ruimte onder het schuine dak, door de architect gegeven toelichting, is voor de voorzieningenrechter voldoende komen vast te staan dat dit gedeelte van het gebouw een inhoud heeft van 597 m³.

Reeds omdat uit de door verzoeker overgelegde berekening niet kan worden afgeleid hoe men tot het daarbij vermelde totaal van vooral de eerste verdieping is gekomen, verzoeker evenmin ter zitting in staat is gebleken hierop een nadere toelichting te geven en niet heeft kunnen aangeven of en wat onjuist is aan eerstgenoemde berekening, is er geen reden tot twijfel aan de juistheid hiervan.

De voorzieningenrechter volgt evenmin de stelling van verzoeker dat de inhoud van het aangebouwd kantoor en de onbenoemde ruimte van de aanbouw aan de achterzijde bij het volume van de woning moeten worden meegeteld.

Het bouwwerk, door verzoeker aangeduid als aangebouwd kantoor en geprojecteerd aan de achterzijde van het hoofdgebouw, is daarvan afgescheiden door middel van een scheidingswand (waarin een deur is geplaatst), en heeft een ruim 2 m lagere nok. Verder is de kap een kwartslag gedraaid ten opzichte van die van het hoofdgebouw.

Gelet hierop is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een aanbouw in de zin van het bestemmingsplan “Partiële herziening bestemmingsplannen Landelijk Gebied”, en is het daarmee dus te onderscheiden van het hoofdgebouw.

Hoewel het begrip “woning”, waarvoor de maximaal toegestane inhoudsmaat geldt, niet is omschreven dient daaronder naar voorlopig oordeel het hoofdgebouw te worden verstaan. Dit volgt immers uit vorenaangehaalde begripsbepalingen, in onderlinge samenhang beschouwd, en is geheel in lijn met het bepaalde in artikel 3 van dit plan en hetgeen hierover is vermeld in de toelichting onder het kopje “Juridische achtergrond”.

Verzoekers verwijzing naar jurisprudentie over het behoud van de woonfunctie bij gebruik van een deel van de vloeroppervlakte van het bebouwingsvlak voor een vrij beroep aan huis, miskent naar het oordeel van de voorzieningenrechter het primaat van het begrippenkader van het bestemmingsplan waaraan moet worden getoetst en overigens dat deze rechtspraak betrekking heeft op een andere rechtsvraag dan hier aan de orde.

Het vorenstaande sluit tevens in dat de als onbenoemde ruimte van de aanbouw aan de achterzijde aangeduide (gedeeltelijk) met wanden omsloten overkapping te minder tot een deel van de woning in de zin van dit bestemmingsplan kan worden gerekend.

Het bouwplan past derhalve in het bestemmingsplan “Partiële herziening bestemmingsplannen Landelijk Gebied”, dat naar het zich laat aanzien op 24 november 2004 in werking zal treden. Voor zover dit recht bij het nemen van het besluit op bezwaar nog niet kan worden toegepast, dient hieraan naar voorlopig oordeel de conclusie te worden verbonden dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 19, tweede lid, van de WRO, is voldaan.

2.9 Ter zake van de gebruikmaking door verweerder van de bevoegdheid tot vrijstellingverlening heeft verzoeker ten slotte aangevoerd dat daarbij onvoldoende rekening is gehouden met de minimale afstandseisen die in acht moeten worden genomen tussen woonbebouwing en de bedrijfsmatige onderdelen behorende bij een agrarisch bedrijf als dat van verzoeker.

Aan de voorzieningenrechter is voorshands niet gebleken dat verweerder zich onvoldoende ervan heeft vergewist of het functioneren van de melkrundveehouderij van verzoeker voldoende was verzekerd, althans of aan zijn belangen thans, anders dan voorheen, tekort wordt gedaan. In dit verband wordt van belang geacht dat verzoekers bedrijfsmatige onderdelen zich ook al voordien binnen de in het Besluit Melkrundveehouderijen gestelde kritieke grens bevonden van de woning waarvoor inmiddels een sloopvergunning is verleend.

De projectie op een dusdanig korte afstand van die onderdelen is overigens reeds mogelijk gemaakt door de intekening van het bouwvlak op het in geding zijnde perceel bij de vaststelling van het bestemmingsplan “Landelijk gebied Oudewater”.

Gelet hierop moet naar voorlopig oordeel worden geconcludeerd dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde vrijstelling te verlenen.

2.10 Ook overigens bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van verzoeker zijn derhalve ook geen termen aanwezig.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

Wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr.drs. R. in ’t Veld, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2004.

De griffier: De voorzieningenrechter:

J.D. Koteris mr.drs. R. in ’t Veld

Afschrift verzonden aan partijen op: