Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AR5260

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-11-2004
Datum publicatie
08-11-2004
Zaaknummer
SBR 04/0922
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning met vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO voor de bouw van 71 chalets (op terrein van voormalige camping De Bokkeduinen).

Nemen van (ook) een beslissing op het bezwaarschrift over de vrijstelling (ondanks de omstandigheid dat de gemeenteraad en niet verweerder heeft besloten omtrent de vrijstelling)is in verband met artikel 49, vijfde lid, WRO en jurisprudentie van de ABRS niet onjuist.

Niet aannemelijk gemaakt dat door de vervanging van stacaravans door meer duurzame bebouwing sprake zal zijn van een onaanvaardbaar grotere belasting voor de natuurwaarden. Ten aanzien van een vaststellingsovereenkomst tussen vergunninghouder en de gemeente overweegt de rechtbank dat verweerder ondanks dat de bevoegdheid behoudt om op grond van het publiekrecht op te treden tegen permanente bewoning of andere afwijkingen van de vergunning. Beroep ongegrond.

Uitspraak in hogerr beroep bevestigd; LJN AT6554.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Reg. nr.: SBR 04/922

UITSPRAAK van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

Vereniging Behoud Bos Birkhoven Bokkeduinen,

gevestigd te Amersfoort,

e i s e r e s,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort,

v e r w e e r d e r.

1. INLEIDING

1.1 Het beroep heeft betrekking op het besluit van verweerder van 23 februari 2004 waarbij een bezwaarschrift van eiseres van 10 augustus 2003 tegen het besluit van verweerder van 13 juni 2003 ongegrond is verklaard. Bij het laatstgenoemde besluit heeft verweerder besloten om, met een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), aan Rewinkel Beheer B.V. een bouwvergunning te verlenen voor de bouw van 71 chalets aan de Barchman Wuytierslaan te Amersfoort.

1.2 Bij brief van 8 juni 2004 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het beroep met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) versneld wordt behandeld.

1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 22 september 2004 waar namens eiseres is verschenen C.L.J. Franssen, bijgestaan door mr. H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam. Namens verweerder is verschenen mr. E.J. van Eyck, werkzaam bij de gemeente Amersfoort.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Het betreffende geding kent een lange voorgeschiedenis met tal van procedures sinds E. Rewinkel in 1996 de eigendom van de ter plaatse bestaande camping heeft verkregen en de herinrichting daarvan ter hand heeft genomen.

Onder de stukken (ook in oudere zaken) bevinden zich onder meer een structuurvisie Birkhoven Bokkeduinen van mei 2000 en een Kadernota 2000-2005 waarin (op pagina 30) is ingegaan op de positie van de betreffende camping.

Tussen E. Rewinkel en verweerder is (mede) in verband met de lopende procedures een (privaatrechtelijke) vaststellingsovereenkomst, gedateerd 7 november 2000, gesloten over de voortgang van de betreffende bouwplannen waarbij verweerder zich onder meer heeft verplicht tot inspanning om op de kortst mogelijke termijn aan het terrein een positieve bestemming te geven en voor de chalets alsnog bouwvergunning te verlenen.

In verband daarmee is door vergunninghouder een aanvraag tot bouwvergunning ingediend, gedateerd 22 februari 2001, voor de bouw van 71 chalets op het betreffende perceel, bekend als recreatiepark “Midland Parc”. Het betreft chalets met een afmeting van 4,5 bij 14 meter met een bouwhoogte oplopend van 2,53 tot 3,6 meter. Voorts is een buitenruimte aangebouwd met een oppervlakte van 18 m2.

Op 23 mei 2001 is een positief welstandsadvies met betrekking tot het bouwplan afgegeven.

In een nota van de sector stedelijke ontwikkeling en beheer van 20 september 2001, vastgesteld door verweerder op 16 oktober 2001, is een ruimtelijke onderbouwing met betrekking tot het betreffende bouwplan gegeven.

Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht hebben op 11 maart 2003 besloten een verklaring van geen bezwaar af te geven met betrekking tot het bouwplan. Daarin is onder meer opgemerkt dat op de onderhavige gronden al sinds geruime jaren een camping is gevestigd. De voorliggende aanvraag heeft betrekking op het plaatsen van 71 chaletcaravans op gronden waar voorheen zo’n 135 staanplaatsen aanwezig waren. Inmiddels zijn er 29 chaletcaravans op het terrein geplaatst en wordt thans verzocht om 71 chaletcaravans op een ander terreingedeelte te plaatsen. Dit betekent dat er geen intensivering van het aantal standplaatsen zal plaatsvinden. Wel zal er een toenemende druk op het gebied ontstaan als gevolg van het gehele jaar door gebruiken van het campingterrein. GS verwachten niet dat dit tot aantasting van de bestaande natuurwaarden zal leiden. Verder zijn GS van oordeel dat uit ruimtelijke onderbouwing van 20 september 2001 voldoende duidelijk is waarom het gemeentebestuur uit ruimtelijke overwegingen aan het voorliggende verzoek medewerking wil verlenen. Ten aanzien van de vrees voor permanente bewoning hebben GS opgemerkt dat hun beleid is gericht op het tegengaan van permanente bewoning van recreatiewoningen. In verband hiermee mag de inhoud van recreatiewoningen niet meer dan 200 m3 bedragen. De voorliggende chaletcaravans hebben een inhoudsmaat van minder dan 200 m3.

Vervolgens heeft de raad van de gemeente Amersfoort op 23 april 2003 een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend voor het plaatsen van de 71 chaletcaravans. Verweerder heeft bij (primair) besluit van 13 juni 2003 de gevraagde bouwvergunning verleend waarbij is verwezen naar de structuurvisie Birkhoven-Bokkeduinen, de verklaring van geen bezwaar van GS van 11 maart 2003 en het besluit van de gemeenteraad over de vrijstelling van 23 april 2003.

Op 17 december 2003 is tussen de gemeente en Midland Parc Country Club B.V. en Midland Real Estate B.V. een nadere vaststellingsovereenkomst gesloten.

Bij het thans bestreden besluit van 23 februari 2004 waarbij het genoemde primaire besluit is gehandhaafd heeft verweerder onder meer overwogen dat de gemeente met de vaststellingsovereenkomst van 2000 geen verplichting is aangegaan om vrijstelling en bouwvergunning te verlenen en dat de aanvragen daartoe dan ook zijn beoordeeld in het publiekrechtelijke toetsingskader. Omdat de door eiseres gestelde aantasting van natuurwaarden niet aannemelijk is geworden en niet is gebleken van bezwaren van ruimtelijke, milieutechnische of bouwkundige aard, is verweerder van oordeel dat de belangen van vergunninghouder en de gemeente bij het voortbestaan van de recreatieve voorziening tot verlening van de vrijstelling en de bouwvergunning dient te leiden.

2.2 Met betrekking tot de bevoegdheid van verweerder om het bestreden besluit te nemen overweegt de rechtbank allereerst het volgende.

Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet wordt de verlening van de vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht geacht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft. Verweerder heeft ter motivering van het (ook) nemen van een beslissing op het bezwaarschrift van eiseres over de vrijstelling (ondanks de omstandigheid dat de gemeenteraad en niet verweerder in eerste instantie heeft besloten omtrent de vrijstelling) gewezen op het bepaalde in dat artikel. Tevens is gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 januari 1997 (Gemeentestem 1998/7079). In verband daarmee heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres tegen de verlening van vrijstelling aangemerkt als onderdeel van het bezwaarschrift van eiseres tegen de bouwvergunning en opgemerkt dat de gemeenteraad zich niet separaat over het bezwaarschrift van eiseres over de vrijstelling zal uitspreken.

Gezien de door verweerder genoemde jurisprudentie volgt de rechtbank in dit geval verweerder in zijn uitleg met betrekking tot de toepassing van artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet. De invoering van het zogenoemde duale stelsel op gemeenteniveau doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

2.3 Tussen partijen bestaat geen verschil van mening over de strijd van het bouwplan met het geldende bestemmingsplan. Omdat het gaat om een oud bestemmingsplan uit 1957 heeft de gemeenteraad conform het bepaalde in artikel 19, vierde lid, van de WRO tevens voorbereidingsbesluiten in verband met de bouw van de chalets genomen.

2.4 In artikel 19, eerste lid, van de WRO is het volgende bepaald:

De gemeenteraad kan, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.5 Mede gelet op de eerder genoemde verklaring van geen bezwaar van GS, de structuurvisie van de gemeenteraad alsmede de ruimtelijke onderbouwing van 20 september 2001, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de vereiste ruimtelijke onderbouwing in dit geval toereikend is te achten.

2.6 Het door eiseres gestelde natuurbelang wordt naar het oordeel van de rechtbank gerelativeerd door de omstandigheid dat het betreffende terrein voorheen ook een recreatiefunctie had, waarbij een nog groter aantal stacaravans het gehele jaar door aanwezig was. Niet aannemelijk is gemaakt dat door de vervanging van stacaravans door meer duurzame bebouwing sprake zal zijn van een onaanvaardbaar grotere belasting voor de natuurwaarden, dat om die reden geen bouwvergunning of vrijstelling verleend had mogen worden.

Overigens heeft de president van deze rechtbank in verband met een verzoek om voorlopige voorziening over het handhavend optreden tegen het plaatsen van de betreffende chalets reeds eerder uitgesproken (gewezen wordt op de uitspraak van 6 december 2001, verzonden 16 januari 2002 met de nummers SBR 01/2026 en SBR 01/2027) dat een (zeer) concreet zicht bestaat op legalisering van de betreffende chalets.

2.7 In een door eiseres genoemde brief van verweerder van 12 februari 2003 ziet de rechtbank evenmin aanleiding om te concluderen dat verweerder in verband daarmee redelijkerwijs niet tot het bestreden besluit kon komen, nu in de betreffende brief een dergelijke ontwikkeling niet is uitsloten.

2.8 Ten aanzien van de nieuwe vaststellingsovereenkomst van 17 december 2003 die tussen de rechtsopvolgers van E. Rewinkel en de gemeente Amersfoort is gesloten, overweegt de rechtbank dat verweerder ondanks dat de bevoegdheid behoudt om op grond van het publiekrecht op te treden tegen permanente bewoning of andere afwijkingen van de vergunning en dat het gebruikmaken van die publiekrechtelijke bevoegdheid zonodig ook door derden verlangd kan worden; dat verweerder die intentie ook heeft valt op te maken uit het bestreden besluit. Overigens heeft verweerder ook daadwerkelijk handhavend opgetreden tegen nieuwe bewoners van chalets, hetgeen blijkt uit daarover gevoerde procedures bij deze rechtbank en bij de ABRS.

2.9 De door eiseres aangevoerde bezwaren kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Aangezien ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven komt het beroep voor ongegrond verklaring in aanmerking. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

2.10 De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. V.M.M. van Amstel, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2004.

De griffier: Het lid van de enkelvoudige kamer:

mr. E.M. Tol mr. V.M.M. van Amstel

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage.