Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AR4974

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-11-2004
Datum publicatie
02-11-2004
Zaaknummer
16/029048-04
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2005:AU7044
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn broer op een gruwelijke manier gedood. Aan het slachtoffer zijn ongeveer 40 grote en kleine steek- en snijwonden toegebracht met behulp van een hakbijl en drie messen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer: 16/029048-04

Datum uitspraak: 2 november 2004

Tegenspraak

Raadsman: mr. B.P.J. van Riel

G/T: Nee

VERKORT VONNIS

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaken tegen:

[verdachte]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 oktober 2004

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat in het onderzoek van de politie sprake is geweest van een tunnelredenering. Dat zij van meet af aan verdachte op het oog hebben gehad als dader van de doodslag op zijn broer en dat zij daardoor aan werkelijke waarheidsvinding niet zijn toegekomen. Dat de verdediging dientengevolge rekening houdt met de mogelijkheid van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en dat -als de rechtbank dat te ver vindt gaan- in elk geval de resultaten van het opsporingsonderzoek in het licht van het voorgaande genuanceerd moeten worden.

De raadsman heeft kennelijk een beroep willen doen op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek.

De rechtbank merkt op dat van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie alleen sprake kan zijn in geval het vormverzuim daarin bestaat dat de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De rechtbank is niet gebleken van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek en verwerpt reeds hierom het beroep op niet-ontvankelijkheid.

De politie heeft een uitgebreid onderzoek in deze zaak verricht waarbij tientallen getuigen -waaronder familie en (ex)collega's van de verdachte en het slachtoffer - soms meerdere keren zijn gehoord. Daarnaast heeft -onder meer- een uitgebreid buurtonderzoek plaatsgevonden waarin ook weer vele getuigen zijn gehoord en er heeft een uitgebreid technisch onderzoek plaatsgevonden.

De rechtbank heeft in het onderzoek geen aanwijzing gevonden dat het onderzoek op enige wijze niet objectief zou hebben plaatsgevonden. Daar komt nog bij dat het de raadsman vrij stond om zelf via de rechter-commissaris om nadere onderzoekshandelingen te verzoeken.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte impliciet primair ten laste is gelegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging

Op grond van de gebruikte bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting overweegt de rechtbank het volgende.

1. Het slachtoffer [slachtoffer] woont aan de [straat] (de vierde verdieping).

Op 6 februari 2004, omstreeks 5.00 uur wordt twee keer gebeld bij de centrale toegangsdeur van de [straat], waarna de deur wordt geopend en een persoon de trap oploopt (getuigen [getuigen]).

Getuige [getuige], wonende [ ], hoort om 5.07 uur boven haar spullen vallen, geschreeuw en na een stilte van enkele minuten een roffelend geluid in het trappenhuis.

Vóór 5.20 uur valt de centrale toegangsdeur wederom dicht.

2. Om 5.11 wordt het alarmnummer 112 gebeld met de telefoon van [slachtoffer]. Door de telefoon wordt onverstaanbaar geschreeuwd. Verdachte en getuige [getuige] herkennen achteraf in de melding het stemgeluid van het slachtoffer. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat het slachtoffer om 5.11 nog in leven was, maar inmiddels reeds (ernstig) gewond dan wel in gevecht gewikkeld.

3. Getuige [getuige] ziet omstreeks 5.15 uur een man, komend uit de richting van het trappenhuis, naar de auto van het slachtoffer lopen en de kofferbak van de auto openen. Op de achterkant van de auto van het slachtoffer werd bloed van het slachtoffer aangetroffen.

De man loopt vervolgens naar de zijkant van de woning van de getuige, waar een parkeerplaats is naast het elektriciteitshuisje. Even later hoort de getuige het starten van een zware motor en hoort zij de auto wegrijden.

4. De glaszettersbus van verdachte is op 6 februari 2004 tussen 4.45 en 5.00 uur door getuige [getuige] gezien op het parkeerterrein bij het elektriciteitshuisje naast de woningen aan de [straat].

5. Verdachte is, blijkens eigen verklaring, de telefoonprints (van zijn eigen mobiele nummer en van [getuige]) en de paallocaties, tussen de tijdstippen 4.00 en 6.00 uur met zijn bus in Utrecht op pad geweest.

6. Op het dak van de woning van het slachtoffer zijn onder meer aangetroffen de pet van verdachte en 2 messen, die blijkens technisch onderzoek in één zwaaibeweging op het dak zijn gegooid. Aan alle voorwerpen zat het bloed van het slachtoffer. In de pet zat tevens bloed en ander DNA materiaal van verdachte.

De verdachte heeft de hem bij de politie en ter terechtzitting getoonde pet herkend als zijn eigendom en aanhoudend verklaard dat hij deze pet in de periode dat hij bij het slachtoffer heeft verbleven tussen kerst en oud en nieuw 2003 in diens woning heeft laten liggen.

De getuigen [drie getuigen] hebben verklaard dat zij verdachte in januari 2004 met de bewuste pet hebben gezien.

Uit de processen-verbaal van de Technische Recherche volgt dat de aangetroffen pet droog was en dat dit voorwerp alsmede de beide aangetroffen messen op het dak gezien de bevuiling niet lang op het dak hebben gelegen, immers andere voorwerpen op het dak waren door schimmels en andere verontreinigingen aangetast, bij regen waren de goederen nat geworden en was het bloed deels van de goederen afgegaan en bij enige wind van betekenis zou het petje zeer waarschijnlijk zijn weggewaaid.

Uit deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte ten aanzien van het bezit van de pet in zijn verklaringen afgelegd bij de politie en ter terechtzitting leugenachtig heeft verklaard en merkt die verklaringen als kennelijk leugenachtig aan.

7. Op de bodem van de glaszettersbus van verdachte is bloed van het slachtoffer aangetroffen.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het slachtoffer bij montering van de autoradio zich heeft geprikt aan een kabeltje en dat hij zich niet had gesneden. Eerst ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het slachtoffer een mes heeft gebruikt om de bedrading van de radio te strippen en dat het slachtoffer zich daarbij met het mes heeft gesneden en heftig heeft gebloed.

De rechtbank acht deze - wezenlijk verschillende - verklaringen van verdachte, gelet op de andere bewijsmiddelen (getuige [getuige], technisch onderzoek), niet aannemelijk geworden.

8. In de woning van het slachtoffer zijn in het op de grond aangetroffen bloed van het slachtoffer dezelfde in- en uitgaande schoensporen van schoenen met het unieke schoenprofiel van Nike, type air Max, maat 42, aangetroffen. Andere schoensporen, behalve de voetsporen van het slachtoffer, zijn niet aangetroffen.

Verdachte heeft volgens zijn eigen verklaring en die van getuigen soortgelijke schoenen van dezelfde maat gedragen tot zeer kort voor 6 februari 2004.

Uit fotoprints en het relaas van verbalisanten blijkt dat verdachte in ieder geval op vrijdag 30 januari 2004 de bewuste schoenen nog aanhad.

Verdachte heeft ten aanzien van het verlies van de schoenen zowel in de politieverhoren als ter terechtzitting een ongeloofwaardige verklaring afgelegd.

De hierboven weergegeven feiten en omstandigheden zijn, in onderling verband en samenhang beschouwd, naar het oordeel van de rechtbank redengevend voor de conclusie dat het verdachte moet zijn geweest die [slachtoffer] opzettelijk op gewelddadige wijze om het leven heeft gebracht.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen impliciet subsidiair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het impliciet subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Doodslag.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zijn broer op een gruwelijke manier gedood. Aan het slachtoffer zijn ongeveer 40 grote en kleine steek- en snijwonden toegebracht met behulp van een hakbijl en drie messen. In de woning waren de resultaten van dit bloedbad goed te zien. Het slachtoffer heeft nog enige tijd geleefd en is naar het trappenhuis gekropen. Als doodsoorzaak is vastgesteld dat het slachtoffer is doodgebloed.

Verdachte heeft zijn familie onvoorstelbaar leed toegebracht. Door de manier waarop hij zijn broer heeft omgebracht en door geen duidelijkheid te verschaffen over de toedracht van het gebeuren, wordt de verwerking van het leed voor zijn familie nog moeilijker.

Het feit heeft in de buurt veel onrust veroorzaakt. Het slachtoffer is 's ochtends vroeg door bewoners in de flat aangetroffen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend (ongedateerd) uittreksel justitiële documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Reclassering Nederland, unit Utrecht West, d.d. 11 mei 2004, opgemaakt door mw. M. Hooijer, reclasseringswerker.

- de omtrent verdachte opgemaakte rapportage van J.M.J.F. Offermans, psychiater, d.d. 14 oktober 2004 en van drs. A.J. de Groot, psycholoog, d.d. 7 oktober 2004.

Uit de rapportage van De Groot blijkt het volgende:

"Betrokkene komt naar voren als een impulsief, ongeremd, gemakkelijk grenzenoverschrijdend persoon met een onvoldoende verinnerlijkte gewetensfunctie en een gebrekkige frustratietolerantie (antisociale trekken). Hij onderkent kwetsbaarheden (afhankelijkheid, onlustgevoelens) maar moeilijk aan zichzelf, wat zich manifesteert in een onkwetsbare attitude en zelfvertoon, terwijl hij gelijktijdig wel verhoogd krenkbaar is (narcistische trekken). Betrokkene's cocaïne- en middelenmisbruik lijkt vooral op te treden als de spanning bij betrokkene oploopt.

In de aanloop naar het tenlaste gelegde feit komt naar voren dat betrokkene in 2003 onder druk kwam te staan, cocaïne ging gebruiken, hij minder functioneerde binnen zijn relatie en op zijn werk en dat hij leed onder de teloorgang van zijn relatie en een dreigende verlating door [echtgenote]."

Beide rapportages vermelden voorts onder meer als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit - indien bewezen - lijdende was aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van cocaïnemisbruik en van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en afhankelijke kenmerken en dat verdachte als volledig toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundigen over en maakt deze tot de hare.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat ter zake van het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar met aftrek van het voorarrest;

- terbeschikkingstelling en verpleging.

De rechtbank zal geen terbeschikkingstelling met verpleging opleggen, nu rapportages van de gedragsdeskundigen daarvoor geen aanknopingspunten geven.

De rechtbank acht, gelet op de gruwelijkheid van het feit, de hoogte van de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf gepast.

Gezien de stukken van het dossier en ook gelet op de indruk die de rechtbank van verdachte heeft gekregen, acht de rechtbank hetgeen de deskundige De Groot naar voren heeft gebracht aannemelijk en is zij van oordeel dat deze omstandigheid in de straftoemeting dient te worden meegewogen.

De rechtbank is van oordeel dat, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

Bewaring inbeslaggenomen goederen:

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- een cassetteband, Sony, opname 112 centrale KLPD Driebergen;

- een cd-rom, TY 700MB 2653, opname 112 centrale KLPD Driebergen,

kan geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt. De rechtbank zal de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Teruggave inbeslaggenomen goederen:

Met betrekking tot de overige in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte impliciet subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het impliciet subsidiair bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 8 JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de bewaring van:

- een cassetteband, Sony, opname 112 centrale KLPD Driebergen;

- een cd-rom, TY 700MB 2653, opname 112 centrale KLPD Driebergen,

ten behoeve van de rechthebbende.

Gelast de teruggave van:

- 2 handschoenen, kleur grijs, maxi grip CE 9 (dashboard bus bestuurderszijde)

- 1 handschoen, kleur crème (dashboard middenconsole)

- 1 handschoen, kleur oranje, Prevent protective (achter in bus verdachte in groen kistje)

- 9 handschoenen, kleur crème (in groen kistje)

- 1 akte, arbeidsovereenkomst (achter bestuurdersstoel)

- 1 pas, seizoenskaart FR Utrecht 2003/2004

- 1 pas, ponskaart verdachte Antonius ziekenkaart

- 1 brief [] (onder FC Utrecht sjaal)

- 1 brief apotheek aan verdachte, info amoxiciline

- 1 lange sleutel, kleur grijs (achter woning verdachte)

aan de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mrs G. van Zeben, A.M.M.E. Doekes en A.Smit, bijgestaan door S.L.M. Schatz als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 november 2004.