Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AR4393

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-10-2004
Datum publicatie
25-10-2004
Zaaknummer
SBR 04/0558
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voldoende objectieve begrenzing van de vrijstellingsmogelijkheid.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AT7478.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Reg. nr.: SBR 04/0558

UITSPRAAK van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

[eiser],

e i s e r,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede,

v e r w e e r d e r.

1. INLEIDING

1.1 Het beroep heeft betrekking op het besluit van verweerder van 19 januari 2004, waarbij het bezwaar van eiser tegen het besluit van verweerder van

19 augustus 2003 ongegrond is verklaard.

Bij laatstgenoemd besluit is aan [vergunninghouder] met toepassing van artikel 15, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling en vergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsloods en een machineberging op het perceel [adres] te Langbroek.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 8 oktober 2004, waar eiser is verschenen bij W. Eppinga van het gelijknamig bestuurlijk juridisch adviesbureau te IJsselstein. Namens verweerder zijn mr. E.E.F.H.M. van Sark en mr. G.H.J. Gardebroek verschenen, beiden werkzaam bij de gemeente Wijk bij Duurstede. Vergunninghouder [vergunninghouder] en diens echtgenote zijn eveneens ter zitting verschenen.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Op 11 juni 2001 heeft [vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder) een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning ten behoeve van het oprichten van een werkplaats en een machineberging op het perceel [adres] te Overlangbroek, kadastraal bekend: [kadastraal adres]. De bestaande bedrijfsbebouwing heeft een oppervlakte van 1315 m2. Na verwezenlijking van het bouwplan zal deze oppervlakte 1505 m2 bedragen.

De behandeling van de aanvraag is aanvankelijk aangehouden in verband met de af te handelen vergunningaanvraag ingevolge de Wet Milieubeheer. Op 6 mei 2003 is die vergunning verleend. Tegen dat besluit is door eiser geen bezwaar aangetekend.

Op 12 mei 2003 is door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit een positief welstandsadvies uitgebracht.

Bij besluit van 19 augustus 2003 is aan vergunninghouder vrijstelling en vergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsloods en een machineberging op het perceel [adres] te Langbroek.

Het ter zake van laatstgenoemd besluit ingediende verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van 21 oktober 2003 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank afgewezen (SBR 03/2403 VV).

Ten aanzien van het tegen het besluit van 19 augustus 2003 ingediende bezwaar is op 11 november 2003 een hoorzitting gehouden, waarna op 19 januari 2004 het hier bestreden besluit is genomen.

2.2 Door eiser is in beroep aangevoerd - samengevat - dat de bouwaanvraag destijds in strijd met de regels die gelden voor de ontvankelijkheidstoetsing in verdere behandeling is genomen aangezien de bij de aanvraag behorende situatietekening niet was gebaseerd op een juiste kadastrale ondergrond, dat de bestaande planologie - anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen - een conserverend karakter heeft en dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat bij het verlenen van vrijstelling alle belangen zorgvuldig tegen elkaar moeten worden afgewogen.

Voorts heeft eiser betoogd dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) het toepassingsbereik van artikel 15 van de WRO beperkt blijft tot het afwijken van een geldig bestemmingsplan op ondergeschikte onderdelen en dat de flexibiliteitsbepalingen in bestemmingsplanvoorschriften voldoende objectief begrensd moeten zijn. Naar het oordeel van eiser voldoet de door verweerder gehanteerde vrijstellingsbepaling niet aan bovenstaande eisen, en mist die bepaling daardoor rechtskracht.

Eiser heeft de rechtbank verzocht het primaire besluit van 19 augustus 2003 en het besluit van 11 november 2003 te vernietigen.

Voorts heeft eiser verzocht om een veroordeling van verweerder in de proceskosten van zowel de beroeps- als de bezwaarprocedure.

2.3 Ingevolge het bestemmingsplan Landelijk Gebied 1994 (Langbroek) zijn de hier in het geding zijnde gronden aangewezen als bestemd voor agrarisch gebied met landschappelijke waarden, nader aangeduid voor bedrijven.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de bestemmingsplanvoorschriften zijn de op de plankaart nader voor bedrijven aangewezen gronden bestemd voor bedrijven, zoals opgenomen voor de betreffende gronden in de bij dit artikel behorende bijlage bij de voorschriften, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, open terreinen, verhardingen, parkeergelegenheid, groenvoorzieningen, alsmede één dienstwoning per bedrijf.

In het tweede lid van dat artikel is onder a bepaald dat op of in de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken mogen worden gebouwd, onder de voorwaarde dat per bedrijf de oppervlakte van de bestaande bedrijfsbebouwing met niet meer dan 20% mag worden vergroot voor zover deze niet is gelegen binnen het op de plankaart aangegeven stiltegebied.

Op grond van het vierde lid van artikel 16 kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het tweede lid sub a voor een uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing, voor zover gelegen binnen het op de plankaart aangegeven stiltegebied, met maximaal 20%, indien daardoor de geluidskwaliteit van het stiltegebied niet in onevenredige mate wordt of kan worden aangetast.

2.4 In artikel 15, eerste lid, van de WRO is bepaald dat - voor zover hier van belang - bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

2.5 Ter zake van de grief van eiser dat - samengevat - artikel 16, vierde lid, van de bestemmingsplanvoorschriften zodanig is geredigeerd dat geen sprake is van een voldoende objectieve begrenzing van de vrijstellingsmogelijkheid, waardoor deze bepaling verbindende kracht mist, overweegt de rechtbank het navolgende.

Als gevolg van genoemde bepaling kan bedrijfsbebouwing op nader voor bedrijven aangewezen gronden met maximaal 20% worden uitgebreid. Dat eiser het percentage van 20 veel te hoog vindt, maakt nog niet dat hier sprake is van een niet voldoende objectief begrensde vrijstellingsbevoegdheid.

De stelling van eiser dat met het maximeren van een uitbreiding alleen door het noemen van concrete afmetingen in m2 of m3 , wordt voldaan aan de eis van een voldoende objectieve begrenzing kan de rechtbank niet volgen. Hiertoe wordt overwogen dat een bepaling waarin een algemeen geldende procentuele norm is opgenomen een duidelijke objectieve begrenzing inhoudt van de vrijstellingsmogelijkheden. Dat een dergelijke bepaling van geval tot geval een andere ruimte biedt maakt dit nog niet anders.

In die gevallen waarin door gebruikmaking van de (maximale) vrijstellingsmogelijkheid het bebouwingspercentage dusdanig wordt overschreden dat sprake is van een feitelijke bestemmingswijziging zal van verlening van de vrijstellingsmogelijkheid dienen te worden afgezien. Een dergelijke situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval echter niet voor.

2.6 Ter zake van de grief van eiser dat bij het verlenen van de vrijstelling is miskend dat de bestaande planologie een conserverend karakter heeft, is de rechtbank van oordeel dat deze geen doel treft.

Daartoe wordt overwogen dat uit de toelichting bij het bestemmingsplan blijkt dat er bewust voor is gekozen om een beperkte uitbreiding van de bebouwing mogelijk te maken teneinde de bestaande bedrijvigheid in stand te kunnen houden. Hoewel aanvankelijk werd gedacht aan een uitbreidingsmogelijkheid van 10%, werd geoordeeld dat dit binnen de planperiode een niet noodzakelijk beperking kon gaan inhouden. Om die reden is uiteindelijk gekozen voor een uitbreidingsmogelijkheid van maximaal 20%.

Het voorliggende bouwplan voorziet in een uitbreiding van de bestaande bebouwing met ruim 14%, en blijft daarmee binnen het hiervoor genoemde maximale uitbreidingspercentage.

2.7 Met betrekking tot de grief dat bij het verlenen van vrijstelling geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden, wordt overwogen dat de rechtbank niet is gebleken dat de belangen van eiser niet op een juiste wijze zijn meegewogen bij de onderhavige besluitvorming. Gesteld noch gebleken is dat de belangen van eiser in onevenredige mate worden getroffen door het bouwplan.

Het belang van, zoals eiser dat noemt, het beschermen van de omliggende kwetsbare bestemming, is bij de totstandkoming van het geldende bestemmingsplan en de bestemmingsplanvoorschriften, zo blijkt ook uit de toelichting bij het bestemmingsplan, al meegewogen.

Voor zover eisers grief tevens ziet op milieutechnische aspecten van het bouwplan, overweegt de rechtbank dat, zo bleek ter zitting, eiser bewust heeft afgezien van het instellen van beroep tegen de op 6 mei 2003 afgegeven milieuvergunning, omdat de gemachtigde van eiser zijn kansen in de onderhavige procedure als succesvol inschatte. De gevolgen van deze keuze dienen echter geheel voor rekening van eiser te blijven.

Gesteld en - wederom - niet weersproken is dat door de nieuwe situering van de uitweg en de isolatie van de werkplaats sprake is van een geluidstechnische verbetering ten opzichte van de oude situatie, met name voor eiser.

2.8 Ter zake van de grief van eiser dat verweerder heeft verzuimd de aanvraag om een bouwvergunning niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de bij de aanvraag overgelegde tekening een onjuist beeld geeft van de kadastrale grenzen, overweegt de rechtbank als volgt.

Ter zitting is naar voren gekomen dat tijdens de bouw door verweerder is geconstateerd dat in afwijking van de vergunning wordt gebouwd, om reden waarvan een bouwstop is opgelegd. Die afwijking heeft onder meer te maken met de feitelijk plek waarop wordt gebouwd. Door verweerder wordt thans bekeken of de geconstateerde afwijkingen alsnog gelegaliseerd kunnen worden.

Gelet op het vorenstaande ziet de grief van eiser niet zo zeer op het vergunde bouwplan als wel op het bouwen in afwijking van de bouwvergunning. Met deze grief begeeft eiser zich derhalve buiten de door het bestreden besluit aangegeven grenzen van het geschil, zodat deze buiten behandeling wordt gelaten.

2.9 De door eiser aangevoerde bezwaren kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Het beroep komt voor ongegrondverklaring in aanmerking. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

2.10 De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr.drs. R in 't Veld, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2004.

De griffier: Het lid van de enkelvoudige kamer:

A. Heijboer mr.drs. R. in 't Veld

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.