Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AR3580

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-10-2004
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
177267/HA ZA 04-961
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek opheffing kettingbeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken,

in de zaak van:

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats],

e i s e r s,

procureur: mr. J.W.H. Raadgever,

- t e g e n -

de publiekrechtelijke rechtspersoon

gemeente Utrecht,

als rechtsopvolgster van gemeente Vleuten-De Meern,

gevestigd in Utrecht,

g e d a a g d e,

procureur: mr. H.P. de Keijzer.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “de gemeente”.

1.

Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- dagvaarding van 14 april 2004;

- conclusie van antwoord van 9 juni 2004;

- tussenvonnis van 23 juni 2004 waarin een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van comparitie van partijen van 25 augustus 2004.

2.

De feiten

2.1 Eisers zijn echtgenoten van elkaar. [Eiser] is eigenaar van het onroerende goed staande en gelegen te [woonplaats] aan het adres [adres]. Bouwfonds Woningbouw B.V., als verkoper, heeft op 3 februari 1995 aan [eiser], als koper, vorengenoemd perceel geleverd. In de leveringsakte van 3 februari 1995 is onder meer voor de koper een kettingbeding ten aanzien van een geluidswal opgenomen. De gemeente Vleuten-De Meern heeft Bouwfonds Woningbouw B.V. verplicht om dit kettingbeding op te nemen in de individuele akten van levering. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Koper is verplicht de aanwezigheid van een aangebrachte of aan te brengen geluidswal te dulden, zoals een en ander is aangegeven op tekening nummer 94-09-01 de dato augustus negentienhonderd vierennegentig, en al datgene na te laten, wat het funktioneren van de geluidswal in de weg zou kunnen staan, waaronder nadrukkelijk begrepen het afgraven van de geluidswal en het oprichten van bouwwerken.”

2.2 De geluidswal is in 1996 daadwerkelijk in opdracht van de gemeente aangebracht. De geluidswal is 3,5 meter hoog en bevindt zich voor een stuk van 4,5 meter op het perceel van [eiser] en ligt voor het andere deel op een perceel dat aan de gemeente in eigendom toebehoort.

2.3 Deze geluidswal is destijds aangelegd omdat het oorspronkelijk de bedoeling was om de ontsluitingsweg De Tol, die langs de andere kant van de geluidswal loopt, te verbinden met de Zuilensering. Op deze wijze zou geluidsoverlast van de ontsluitingsweg voorkomen worden. Uiteindelijk is deze verbinding nooit tot stand gekomen.

2.4 De geluidswal is niet meer nodig om te kunnen voldoen aan de wettelijke eisen die uit de Wet geluidhinder voortvloeien. De geluidswal vervult nog immer een geluidsreducerende functie voor wat betreft de aan de andere zijde gelegen weg De Tol, met name voor de begane grondverdieping en de tuin.

2.5 De gemeente heeft de bereidheid uitgesproken om de geluidswal te verwijderen mits alle bewoners daarmee kunnen instemmen en voorts de ontruiming en vervolgens de herinrichting van het tuingedeelte voor rekening van de bewoners komt. Uit een door de gemeente gehouden enquête is gebleken dat een aantal bewoners de geluidswal wenst te handhaven. De gemeente is derhalve niet overgegaan tot verwijdering van de geluidswal.

3. De vordering en het verweer

3.1 [Eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. De akte van levering d.d. 3 februari 1995 waardoor Bouwfonds Woningbouw B.V. aan [eiser] als koper heeft geleverd een perceel bouwgrond, partieel te ontbinden in dier voege dat artikel 23 (het kettingbeding) met betrekking tot de geluidswal (zoals verwoord in die akte op bladzijde 6 onder “21”) komt te vervallen en tussen partijen geen gelding meer zal hebben.

b. De gemeente te verplichten om:

- de geluidswal zoals die zich bevindt op het perceel plaatselijk bekend [woonplaats], [adres] op kosten van de gemeente te verwijderen en verwijderd te houden;

- de geluidswal zoals die achterblijft aan te passen in dier voege dat op de erfgrens van het perceel [adres] te [woonplaats] en het perceel daarachter dat eigendom is van de gemeente een erfafscheiding resteert die niet hoger is dan 2 meter;

- het resterend deel van de geluidswal te verwijderen of zo aan te passen dat deze op een afstand van 2 meter van de erfgrens niet meer gebruikt kan worden als een werk waarop zich mensen kunnen bevinden waardoor deze uitzicht hebben op het perceel van [eiser];

Een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of een gedeelte van een dag vanaf het moment van betekening dat de gemeente in gebreke blijft van het ten deze te wijzen vonnis te voldoen;

c. De gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de kosten van de procureur van eisers.

3.2 [Eiser] legt aan deze vordering ten grondslag dat de geluidswal in 1996 op grond van de Wet Geluidhinder enkel en alleen is aangelegd in verband met een toekomstige verkeersontwikkeling van de ontsluitingsweg de Tol, namelijk het doortrekken van de weg naar de Zuilensering. Dit laatste is niet gebeurd en zal ook niet gebeuren zodat het nut van de geluidswal is komen te vervallen. De inbreuk op zijn eigendomsrecht is onacceptabel.

3.3 De gemeente Utrecht heeft tegen deze vordering verweer gevoerd. Voor zover van belang zal dit verweer in het navolgende aan de orde komen.

4.

De beoordeling

4.1 Ter beoordeling ligt thans de vraag voor of [eiser] een verzoek kan doen tot het laten vervallen van vorengenoemd kettingbeding en kan vorderen dat de gemeente de geluidswal op zijn perceel op haar kosten verwijdert en in verband daarmee staande aanpassingen pleegt.

4.2 [Eiser] stelt, nu het nut van de geluidswal is komen te vervallen omdat de ontsluitingsweg De Tol niet is doorgetrokken naar de Zuilensering en dit ook in de toekomst niet meer zal gebeuren, dat hij op grond van gewijzigde omstandigheden alsmede inbreuk op zijn eigendomsrecht door de gemeente de eerdergenoemde vorderingen kan instellen.

4.3 De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of gevorderd kan worden dat het kettingbeding ten aanzien van de geluidswal vervalt alvorens toe te komen aan de vraag op wiens kosten een dergelijke verwijdering zou moeten geschieden. De rechtbank stelt vast dat het kettingbeding toentertijd rechtsgeldig tot stand is gekomen. De eigenaren van de betreffende percelen, waaronder [eiser], hebben destijds bij de aankoop van de woningen naar mag worden aangenomen vrijwillig voor deze woning met het daaraan gekoppelde kettingbeding, gekozen.

4.4 De rechtbank is van oordeel dat het uitgangspunt is dat een kettingbeding in een opgenomen overeenkomst kan worden ontbonden indien er geen enkel belang meer bestaat bij handhaving hiervan. Of dit het geval is hangt af van de omstandigheden van het geval. Voorts is het weliswaar zo dat de aanleg van de ontsluitingsweg die aanleiding was voor opname van dit kettingbeding uiteindelijk niet is gerealiseerd doch dit brengt niet zonder meer met zich dat daarmee geen enkel belang meer bestaat bij handhaving van de geluidswal door de gemeente. Door [eiser] is niet, dan wel onvoldoende, betwist dat de geluidswal nog immer een geluidsreducerende functie heeft voor wat betreft de aan de andere zijde gelegen weg De Tol. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de gemeente nog steeds enig belang heeft bij handhaving van dit kettingbeding zodat zij de vorderingen van [eiser] dan ook afwijst.

4.5 [Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de gemeente worden veroordeeld.

5.

Beslissing

5.1 Wijst de vorderingen af.

5.1 Veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van de gemeente gevallen, tot op deze uitspraak begroot op € 241,-- aan verschotten en op € 780,-- aan salaris.

5.3 Verklaart dit vonnis voor wat betreft deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. Dijkhuis-Pavicevic en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 6 oktober 2004.

w.g. griffier w.g. rechter