Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AP0146

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-05-2004
Datum publicatie
27-05-2004
Zaaknummer
KG-nr. 177661/KGZA 04-409
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseressen zijn beiden advocaat en zelfstandig werkzaam binnen een kostenmaatschap. Zij hebben zich bij Movir verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid. Movir heeft op deze verzekering uitkering bij zwangerschap uitgesloten. De voorzieningenrechter acht dit beding nietig, omdat hiermee verboden onderscheid wordt gemaakt naar geslacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 473

Uitspraak

KG-nr: 177661/KGZA 04-409/EV 27 mei 2004

RECHTBANK UTRECHT

Sector Handels - en Familierecht

VONNIS

van de voorzieningenrechter

in het kort geding van:

[eisers] ,

als advocaat voor zichzelf optredend,

procureur: mr. I.M. Jebbink,

- t e g e n -

de naamloze vennootschap

MOVIR N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

g e d a a g d e ,

procureur: mr. B.F. Keulen,

advocaat: mr. I.B.Th. van Groningen te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna aangeduid als [eisers] en Movir.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure is als volgt:

- dagvaarding d.d. 4 mei 2004, die in fotokopie aan dit vonnis is gehecht;

- mondelinge behandeling op 13 mei 2004;

- pleitnota's en producties van beide partijen.

1.2 Partijen hebben vonnis gevraagd.

2. De feiten

1. Eisers, beiden advocaten, zijn beiden als zelfstandige werkzaam binnen het verband van de kostenmaatschap Van Driem Advocaten te Amsterdam.

2. Movir is een verzekeringsmaatschappij en biedt als zodanig aan onder meer advocaten arbeidsongeschiktheidsverzekeringen aan.

3. Eisers hebben zich ieder bij Movir verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid. Zij hebben daartoe afgesloten een zogenaamde Eerstejaarsarbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de E-verzekering), die het risico van arbeidsongeschiktheid gedurende het eerste jaar dekt, alsmede een zogenoemde langlopende verzekering (hierna: de L-verzekering), specifiek "voor advocaten en/of procureurs ingeschreven op het tableau van een der arrondissementsrechtbanken in Nederland", die het risico van arbeidsongeschiktheid dekt vanaf het tweede jaar van arbeidsongeschiktheid tot het 65e levensjaar van de verzekerde.

4. Artikel 2.1 van de polisvoorwaarden van zowel de E-verzekering als de L-verzekering geeft, voor zover hier van belang, de volgende begripsomschrijving van arbeidsongeschiktheid:

"Van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien er in directe relatie tot ziekte of ongeval, objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde voor tenminste 25% beperkt is om de werkzaamheden verbonden aan het in de polis omschreven beroep te verrichten. (…)"

5. Artikel 3 van de polisvoorwaarden van de L-verzekering betreft de omvang van de verzekering. Artikel 3.4 luidt, voor zover hier van belang:

"Zwangerschapsuitkering

(geldt niet voor:

- advocaten werkzaam in loondienst

- advocaten die een L-verzekering maar geen E-verzekering hebben)

1. De vrouwelijke verzekerde heeft in verband met haar bevalling recht op een zwangerschapsuitkering mits zij ten tijde van de vermoedelijke bevallingsdatum ten minste twee jaar bij Movir is verzekerd.

2. De uitkering wordt verstrekt gedurende ten hoogste zestien weken.

3. Indien een eigenrisicotermijn is overeengekomen, wordt deze termijn op de uitkeringsduur in mindering gebracht, met uitzondering van de eerste twee weken eigen risico. (…)

4. De hoogte van de uitkering is gelijk aan de verzekerde daguitkering, met een maximum van het verzekerd dagbedrag zoals dat gold twee jaar voor de vermoedelijke bevallingsdatum.

(…)

8. Het bovenstaande geldt voor vrouwelijke verzekerden, als zelfstandigen werkzaam in de vrije praktijk, die een L-verzekering en een E-verzekering hebben afgesloten. De eigenrisicotermijn bedraagt 1 maand, het verzekerd bedrag dat geldt is het dagbedrag van de L-verzekering."

6. Daarnaast hebben Eisers, tegelijkertijd met voornoemde arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, beiden bij Movir een zogenoemde vastekostenverzekering afgesloten ten behoeve van de doorbetaling van maatschapkosten gedurende arbeidsongeschiktheid (hierna de vastekostenverzekering). Eiseres sub 1 heeft na ontvangst van de polis deze verzekering beëindigd. Vervolgens heeft zij door middel van haar assurantietussenpersoon weer een vastekostenverzekering aangevraagd.

7. De polisvoorwaarden van de vastekostenverzekering van Eiseres sub 2 zijn gelijk aan de polisvoorwaarden van de L-verzekering, met dien verstande dat op het polisaanhangsel nader wordt bepaald dat artikel 3.4 (er staat 3.5, maar gelezen moet worden 3.4), betreffende de zwangerschapsuitkering, niet van toepassing is. Deze verzekering geeft bij arbeidsongeschiktheid aanspraak op een daggeld van € 45,--, met een eigen risico termijn van dertig dagen.

8. Op verzoek van Eiseres sub 1 heeft de Commissie Gelijke Behandeling (hierna: CGB) geoordeeld dat Movir jegens haar, Eiseres sub 1:

i. verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht door een wachttijd van twee jaar te hanteren voor een zwangerschapsuitkering in de L- verzekering;

ii. verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht door zwangerschap slechts te verzekeren, indien naast een L- verzekering tevens een E- verzekering is afgesloten;

iii. verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht door zwangerschap niet te verzekeren in de vastekostenverzekering.

9. Op verzoek van Eiseres sub 2 heeft de CGB geoordeeld dat Movir jegens haar, Eiseres sub 2:

i. verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht door zwangerschap slechts te verzekeren, indien naast een L- verzekering tevens een E-verzekering is afgesloten;

ii. verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht door zwangerschap niet te verzekeren in de vastekostenverzekering.

10. Eiseres sub 2 is hoogzwanger. Zij is met ingang van 1 mei 2004 met zwangerschapsverlof gegaan en is op 31 mei 2004 uitgerekend. Eiseres sub 1 is niet zwanger.

11. Bij brief van 22 april 2004 aan Movir heeft Eiseres sub 2 aanspraak gemaakt op het daggeld van € 45,-- per dag ter vergoeding van maatschapkosten tijdens haar zwangerschapsverlof.

3. De vordering en het verweer

3.1 Voor de volledige inhoud en de grondslagen van de vordering wordt verwezen naar de aangehechte dagvaarding. Eisers vorderen, kort weergegeven:

I. Movir te veroordelen om aan Eiseres sub 2 te betalen de daggeldvergoeding onder de vastekostenverzekering van € 45,-- per dag, met ingang van 22 april 2004 tot en met 26 juli 2004, vermeerderd met de wettelijke rente;

II. Movir te veroordelen om de vastekostenverzekering aan te passen in die zin dat uitsluiting van uitkering bij zwangerschap wordt geschrapt, onder afgifte van een nieuw polisblad aan Eisers en op straffe van een dwangsom;

III. Movir te veroordelen om de voorwaarden van de E-verzekering aan te passen zodat de E-verzekering ook arbeidsongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap dekt tijdens de wettelijke periode van zwangerschapsverlof, ook zonder dat de L-verzekering is afgesloten, op straffe van een dwangsom;

IV. Movir te veroordelen om de verzekeringen met Eiseres sub 1 te wijzigen in die zin dat de wachttijdregeling van twee jaar komt te vervallen, op straffe van een dwangsom;

V. Movir te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2 Hierna zal de voorzieningenrechter voor zover nodig ingaan op de grondslag van de vorderingen en het daartegen gevoerde verweer.

4. De beoordeling

1. Eisers hebben bij de mondelinge behandeling hun eis verminderd in die zin dat zij onderdeel III van hun vordering hebben ingetrokken.

2. De onderdelen II en IV van de vordering zijn in het kader van dit kort geding niet toewijsbaar, reeds omdat de gevraagde veroordeling van Movir tot aanpassing, respectievelijk tot wijziging van de desbetreffende verzekeringsovereenkomsten zich naar haar aard niet verdraagt met het karakter van een voorlopige voorziening.

3. Daar komt nog het volgende bij voor wat betreft onderdeel II van de vordering. Eiseres sub 1 heeft haar vastekostenverzekering beëindigd, terwijl niet is gesteld of gebleken dat er een nieuwe vastekostenverzekering tot stand is gekomen. Derhalve staat niet vast dat Eiseres sub 1 op dit moment verzekerd is onder een vastekostenverzekering. Eiseres sub 2 heeft geen zelfstandig belang bij toewijzing van dit deel van de vordering, gelet op de hierna volgende beslissing op onderdeel I van de vordering.

4. Ten aanzien van de onderdelen II en IV van de vordering geldt bovendien nog dat Eiseres sub 1 daarbij geen belang heeft, aangezien zij op dit moment niet zwanger is. De door haar verlangde zekerheid omtrent de rechtsverhouding tussen partijen - het door haar gestelde belang - kan immers in kort geding nu juist niet worden gegeven.

5. Ten aanzien van onderdeel I van de vordering geldt het volgende.

6. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, leggen Eisers kort gezegd het volgende ten grondslag aan onderdeel I van de vordering. Het beding in de vastekostenverzekering waarin nader wordt bepaald dat artikel 3.4 (zwangerschapsuitkering) niet van toepassing is, is nietig op grond van de Algemene Wet Gelijke Behandeling (hierna: AWGB), omdat daarbij verboden onderscheid wordt gemaakt naar geslacht. Derhalve is artikel 3.4 wel van toepassing op de vastekostenverzekering en heeft Eiseres sub 2 op grond daarvan recht op een zwangerschapsuitkering.

7. Het verweer van Movir dit punt komt er kort gezegd op neer, dat zij geheel vrij is al dan niet een zwangerschapsuitkering op te nemen in een arbeidsongeschiktheidsverzekering en dat zij bij de vastekostenverzekering ervoor heeft gekozen de zwangerschapsuitkering niet aan te bieden.

8. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent als volgt. Het is vaste jurisprudentie van de CGB dat een verzekeraar verboden onderscheid maakt naar geslacht, indien deze de vrije beroepsbeoefenaar een verzekering aanbiedt tegen het financiële risico van arbeidsongeschiktheid, waarbij geen uitkering wordt aangeboden bij zwangerschap en bevalling. Volgens de CGB heeft Movir dan ook jegens Eiseres sub 2 verboden onderscheid gemaakt op grond van geslacht door in de vastekostenverzekering zwangerschap uit te sluiten. De voorzieningenrechter neemt dit oordeel van de CGB en de gronden waarop het berust zonder meer over. Daarbij is met name van belang, dat het in de AWGB opgenomen verbod van onderscheid op grond van, onder meer, geslacht blijkens de wetsgeschiedenis niet alleen onderscheid op grond van het zijn van man of vrouw omvat, maar ook onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap. Bij deze gronden is de wetgever van mening dat ze zodanig rechtstreeks verband houden met het geslacht, dat ze geacht kunnen worden hiermee feitelijk samen te hangen.

9. Het voorgaande leidt tot de volgende slotsom. Het beding in de vastekostenverzekering waarin nader wordt bepaald dat artikel 3.4 van de polisvoorwaarden niet van toepassing is, is nietig op grond van de AWGB, omdat daarbij verboden onderscheid wordt gemaakt naar geslacht. Derhalve is artikel 3.4 wel van toepassing op de vastekostenverzekering en heeft Eiseres sub 2 op grond daarvan recht op een zwangerschapsuitkering. Nu op dit punt verder geen verweer is gevoerd en het spoedeisend belang van Eiseres sub 2 bij de gevraagde voorziening voldoende aannemelijk is, moet onderdeel I van de vordering dan ook worden toegewezen.

10. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande aanleiding om de proceskosten aldus te compenseren, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

11. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan, als in het voorgaande reeds behandeld dan wel niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

1. veroordeelt Movir om aan eisers eiseres sub 2 te betalen de daggeldvergoeding onder de vastekostenverzekering van € 45,-- per dag, met ingang van 22 april 2004 tot en met 26 juli 2004, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de desbetreffende dagvergoeding opeisbaar is geworden tot aan de dag van de voldoening;

2. verklaart de veroordeling in 5.1 uitvoerbaar bij voorraad;

3. wijst af het meer of anders gevorderde;

4. compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.C. van Kekem en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2004.

w.g. griffier w.g. rechter