Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AO9010

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-03-2004
Datum publicatie
08-06-2004
Zaaknummer
SBR 04/478
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht Abw-WWB. Bijstand en terugwerkende kracht. Onderhoudsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector bestuursrecht

nr. SBR 04/478 VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoekster], wonende te [woonplaats],

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen,

verweerder.

1. INLEIDING

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 8 januari 2004, waarbij de aanvraag van verzoekster om een bijstandsuitkering per 5 juni 2003, op grond van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) is afgewezen.

1.2 Het verzoek is op 23 maart 2004 ter zitting behandeld, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde]. Namens verweerder is verschenen A. van Baren, werkzaam bij de gemeente De Ronde Venen.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt bij verweerder tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

2.4 Verzoekster heeft zich op 5 augustus 2003 gemeld bij het CWI om bijstand aan te vragen. Zij heeft op 13 augustus 2003 een aanvraag ingediend bij verweerder om een uitkering op grond van de Abw -thans de Wet werk en bijstand (WWB)- met terugwerkende kracht vanaf 5 juni 2003. Deze aanvraag houdt verband met de echtscheidingsprocedure van verzoekster en haar echtgenoot.

Verweerder heeft in het bestreden besluit deze aanvraag afgewezen, omdat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 7, eerste lid, van de Abw. Verweerder stelt dat verzoeksters echtgenoot onderhoudsplichtig is ten opzichte van zijn gezin. Nu de echtgenoot tot medio december 2003 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven heeft gestaan op het adres van verzoekster, is het volgens verweerder niet aannemelijk dat hij in de tussenliggende periode niet in verzoeksters onderhoud kon voorzien.

Voorts heeft verweerder meegewogen dat de echtgenoot van verzoekster ingevolge een door de rechtbank getroffen voorlopige voorziening gedurende het geding per 1 november 2003 maandelijks € 600,- alimentatie aan verzoekster dient te betalen. Tevens ontvangt verzoekster een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Uit onderzoek is verweerder gebleken dat verzoekster hiermee inkomen ontvangt dat boven het bedrag van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder uitkomt.

2.5 Met ingang van 1 januari 2004 is de WWB in werking getreden en is de Abw ingetrokken.

Ingevolge artikel 5 van de Invoeringswet WWB wordt op een aanvraag tot het verlenen van bijstand beslist met toepassing van:

a. de Algemene bijstandswet, indien het recht op bijstand ingaat vóór of op de peildatum;

b. de Wet werk en bijstand, indien het recht op bijstand ingaat na de peildatum.

In de memorie van toelichting bij dit artikel is aangegeven dat uit deze bepaling voortvloeit dat voor de inwerkingtreding van de WWB in principe alleen de Abw geldt en erna slechts de WWB. In dit artikel wordt bepaald dat, afhankelijk van wanneer het recht op bijstand ingaat, wordt beslist op grond van de Abw (vóór/of de peildatum) of de WWB (erna). Aangezien het recht op bijstand niet eerder in kan gaan dan op de datum van melding bij de Centrale organisatie werk en inkomen of de gemeente, zal na de inwerkingtreding van de WWB op bijstandsaanvragen alleen nog maar die wet van toepassing zijn.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster blijkens de stukken zich op 5 augustus 2003 heeft gemeld bij het CWI om bijstand aan te vragen. Gelet op voornoemd artikel en de toelichting daarbij, is de voorzieningenrechter van oordeel dat op de onderhavige aanvraag terecht is beslist met toepassing van de Abw.

Ten aanzien van de te nemen beslissing op bezwaar stelt de voorzieningenrechter vast dat het bezwaarschrift is ingediend na de peildatum (31 december 2003) en dat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 21 van de Invoeringswet WWB op grond waarvan de Abw van toepassing is. Derhalve dient verweerder op het bezwaarschrift te beslissen met toepassing van de WWB.

Artikel 44, eerste lid, van de WWB bepaalt dat indien door burgemeester en wethouders is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

2.6 Ten aanzien van de vaststelling van het recht op bijstand stelt de voorzieningenrechter voorop dat in een zaak als de onderhavige, waar het geschil mede een financiële aanspraak betreft, in beginsel slechts plaats is voor het treffen van een voorlopige voorziening indien op grond van de beschikbare gegevens met een grote mate van waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat het bestreden besluit in de bezwaar- en beroepsprocedure in rechte geen stand kan houden. Bovendien moeten feiten en omstandigheden aanwijsbaar zijn die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts zal in de afweging van de belangen van partijen mede zijn te betrekken de vraag naar -kort gezegd- het risico van onmogelijkheid van terugbetaling door verzoekster, indien deze door de uitslag van de bodemprocedure genoopt zou worden het alsdan onverschuldigd betaalde aan het bestuursorgaan te betalen.

2.7 Vaststaat dat verzoekster zich op 5 augustus 2003 heeft gemeld bij het CWI om bijstand aan te vragen. Ingevolge het bepaalde in artikel 44, eerste lid, van de WWB kan in het onderhavige geval in ieder geval niet bijstand worden toegekend met ingang van een datum vóór 5 augustus 2003. De uitkering per 5 juni 2003 te laten ingaan -zoals door verzoekster gevraagd- is derhalve niet mogelijk.

2.8 Verweerder gaat blijkens het rapport van 8 januari 2004, dat tot het bestreden besluit heeft geleid, er vanuit dat verzoekster met terugwerkende kracht per 23 juni 2003 een uitkering op grond van de ZW ontvangt van € 127,20 netto per week. In de stukken ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding dit voor onjuist te houden. Voor verzoeksters stelling, dat zij over de maand juni een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving van € 239,05 en dat zij vanaf juli 2003 tot op heden een uitkering op grond van de ZW ontvangt van € 228,- per vier weken, ziet de voorzieningenrechter in de stukken, in het bijzonder de afschriften van verzoeksters girorekening, geen aanknopingspunt. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is verweerder derhalve terecht uitgegaan van een uitkering ingevolge de ZW van € 127,20 netto per week.

Voorts staat vast dat ingevolge de beschikking van de rechtbank van 4 november 2003 de echtgenoot van verzoekster per 1 november 2003 voor de duur van het echtscheidingsgeding maandelijks totaal € 600,- alimentatie dient te betalen aan verzoekster voor de twee kinderen en haarzelf.

Gelet op grond het vorenstaande heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht geconcludeerd, dat verzoekster vanaf 1 november 2003 inkomsten heeft in de vorm van alimentatie en een ZW-uitkering die uitgaan boven het bijstandsniveau voor een alleenstaande ouder.

2.9 De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van de beoordeling of verzoekster recht op bijstand heeft over de periode van 5 augustus 2003 tot 1 november 2003 het volgende. De rechtbank heeft bij beschikking van 12 september 2003 bepaald dat voor de duur van het echtscheidingsgeding verzoekster per onmiddellijk en bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning en dat de echtgenoot de woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden. In dit verband had verweerder in het bestreden besluit ter onderbouwing van de afwijzingsgrond, dat niet aannemelijk is dat de echtgenoot in de tussenliggende periode niet in verzoeksters onderhoud kon voorzien, niet kunnen volstaan met de constatering dat de echtgenoot in de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven tot medio december 2003. Blijkens voornoemde beschikking is de echtgenoot immers gehouden om in ieder geval per 12 september 2003 de woning te verlaten en niet meer te betreden. In zoverre bevat het bestreden besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter een motiveringsgebrek.

Het betoog van verweerder ter zitting, dat verzoekster in verband met de lange behandelingsduur van haar aanvraag geen voorschot op een bijstandsuitkering heeft aangevraagd bij verweerder, is onvoldoende voor de conclusie dat zij in bedoelde periode geen recht op bijstand heeft. De omstandigheid dat verzoekster in juli 2003 een bedrag van haar echtgenoot heeft ontvangen voor de kosten van levensonderhoud kan die conclusie evenmin dragen nu niet bekend is hoe hoog dit bedrag is en op welke periode dit bedrag betrekking heeft.

Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder nader dient te onderzoeken of verzoekster in bedoelde periode recht op bijstand heeft en met inachtneming van het vorenoverwogene de beslissing op bezwaar nader dient te motiveren.

2.10 Op grond van het vorenoverwogene -in het bijzonder onder 2.8- alsmede het restitutierisico ziet de voorzieningenrechter thans geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek daartoe afgewezen. Ook overigens bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van verzoekster zijn derhalve geen termen aanwezig.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.J.M. van der Beek-Gillessen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2004.

De griffier De voorzieningenrechter:

mr. A.J. Jansen mr. P.B.J.M. van der Beek-Gillessen

Afschrift verzonden aan partijen op: