Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AO9007

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-03-2004
Datum publicatie
07-05-2004
Zaaknummer
SBR 04/293
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht Abw-WWB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2004, 199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector bestuursrecht

nr. SBR 04/293 VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker, wonende te woonplaats],

verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder.

1. INLEIDING

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 26 januari 2004, waarbij verzoekers recht op bijstand op grond van artikel 17 en 54 van de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 26 januari 2003 (lees 2004) is opgeschort, omdat hij niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht.

1.2 Het verzoek is op 5 maart 2004 ter zitting behandeld, waar namens verzoeker is verschenen mr. F.H. Barwegen, advocaat te Utrecht. Namens verweerder is verschenen C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt bij verweerder tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

2.4 Verzoeker ontvangt sinds 6 maart 2001 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw), thans de WWB, naar de norm voor een alleenstaande.

Hij heeft op 21 oktober 2003 een aanvraag voor een remigratievoorziening ingediend bij de Sociale Verzekeringsbank. In verband met de hiervoor in te vullen inkomensverklaring heeft verzoeker zich gewend tot het CWI. Uit het gesprek dat een medewerker van het CWI met verzoeker op 23 december 2003 heeft gehad, is verweerder gebleken dat verzoeker in Marokko een huis in eigendom heeft met een waarde van circa € 14.000,-. Verzoeker heeft vorige zomer zijn vorige huis verkocht en een nieuw huis gekocht. Er is afgesproken dat verzoeker gegevens over de aan- en verkoop van de huizen zal verstrekken aan zijn bijstandsconsulent. In afwachting van deze informatie is zijn bijstandsuitkering vanaf

1 januari 2004 geblokkeerd.

Verzoeker heeft verweerder op 23 januari 2004 telefonisch meegedeeld dat hij de gevraagde informatie niet eerder kan overleggen dan na zijn zomervakantie. Zijn familie in Marokko kan niet bij de benodigde gegevens komen. Hij heeft tevens verzocht om uitbetaling van zijn bijstandsuitkering. Verweerder heeft hierop de uitkering over de maand januari 2004 alsnog betaalbaar gesteld.

Vervolgens heeft verweerder bij het thans bestreden besluit op grond van de artikelen 17 en 54 van de WWB verzoekers recht op bijstand met ingang van 26 januari 2004 opgeschort wegens het niet voldoen aan zijn inlichtingenplicht.

2.5 Verzoeker heeft aangevoerd dat hem niet eerder schriftelijk is verzocht om de gegevens, welke thans in het bestreden besluit worden opgevraagd. Hij is overvallen door dit besluit nu hij op eigen initiatief het een en ander heeft gemeld bij verweerder. Gezien het bepaalde in artikel 54, eerste lid, van de WWB kan volgens verzoeker slechts tot opschorting van zijn recht op uitkering worden overgegaan nadat hem is verzocht de van belang zijnde stukken te overleggen en hij niet, niet tijdig of onvolledig gevolg heeft gegeven aan dit verzoek. Verzoeker kan de gevraagde informatie thans niet verstrekken. Gelet hierop kon verweerder niet zonder meer het bestreden besluit nemen.

2.6 De voorzieningenrechter stelt vast dat de zogenaamde inlichtingenplicht in de Abw is geregeld in artikel 65 en in de WWB in artikel 17.

In artikel 2 van de Invoeringswet WWB is bepaald dat onder meer de Abw wordt ingetrokken en dat voor de verschillende artikelen van de Abw bij Koninklijk Besluit het tijdstip waarop deze vervallen verschillend kan worden gesteld. Voorts is in dit artikel bepaald dat bij ministeriële regeling weer regels kunnen worden gesteld waarbij wordt afgeweken van dit Koninklijk Besluit.

In artikel 2 van het Besluit van 10 oktober 2003 houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de WWB en de Invoeringswet WWB (het Inwerkingtredingbesluit) is bepaald dat de Invoeringswet in werking treedt met ingang van 1 januari 2004, met dien verstande dat onder meer artikel 65 van de Abw vervalt op een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip. Artikel 1, onderdeel a, van het Inwerkingtredingbesluit bepaalt voorts dat de WWB in werking treedt met ingang van 1 januari 2004, met dien verstande dat artikel 17 WWB in werking treedt met ingang van 1 januari 2005.

Bij regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, houdende nadere regels met betrekking tot de gefaseerde invoering van de WWB (de Invoeringsregeling WWB) is bepaald dat het college kan besluiten dat op een tijdstip dat gelegen is vóór 1 januari 2005 uitvoering wordt gegeven aan onder meer artikel 17 WWB. Het besluit van het college dient hiertoe tijdig en op een geschikte wijze in de betreffende gemeente te worden bekendgemaakt.

Artikel 54 van de WWB is blijkens artikel 1 van het Inwerkingtredingbesluit per 1 januari 2004 in werking getreden.

2.7 De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker niet eerder dan in december 2003, in het kader van de aanvraag van een remigratievoorziening, melding heeft gemaakt van de woning in Marokko die hem in eigendom toebehoort. Evenmin heeft hij informatie verstrekt over verkoop van zijn woning en de koop van zijn nieuwe woning in de zomer van 2003. Verweerder heeft derhalve terecht vastgesteld dat verzoeker niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting. Overwogen wordt dat die verplichting reeds op hem rust sedert de indiening van een aanvraag voor een bijstandsuitkering.

Ten aanzien van de wettelijke grondslag van deze op verzoeker rustende informatieplicht stelt de voorzieningenrechter vast dat niet is gebleken dat verweerder een besluit heeft genomen en bekend gemaakt als bedoeld in artikel 2 van de Invoeringsregeling WWB. Gelet hierop is artikel 65 van de Abw in de gemeente Utrecht nog van kracht. Derhalve is ten onrechte artikel 17 van de WWB en niet artikel 65 van de Abw aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Opgemerkt wordt dat beide artikelen overigens gelijkluidend zijn voor wat betreft de in het onderhavige geval in geding zijnde inlichtingenplicht ten aanzien van feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

2.8 Gelet op verzoekers schending van de ingevolge artikel 65 van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting door niet uit eigen beweging bij zijn aanvraag om bijstand noch later melding te maken van zijn woningeigendom en de woningtransactie is verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd verzoekers uitkering op grond van artikel 54 van de WWB op te schorten. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat het niet nakomen door verzoeker van zijn inlichtingenplicht niet verwijtbaar is. Evenmin is gebleken van overige omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden dienen te zijn af te zien van zijn bevoegdheid gebruik te maken.

2.9 De voorzieningenrechter stelt vast dat ter zitting is aangegeven dat verweerder van zijn opschortingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt, omdat bij voortzetting van de uitkering tot de zomervakantie het risico aanmerkelijk is dat verzoeker daadwerkelijk uitvoering geeft aan zijn remigratieplannen. Deze motivering is echter niet in het bestreden besluit opgenomen.

De voorzieningenrechter overweegt voorts dat ingevolge artikel 54 van de WWB het recht op bijstand voor maximaal acht weken kan worden opgeschort. Het rapport dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt gaat hiervan ook uit, echter in het bestreden besluit is de opschorting van verzoekers recht op bijstand ten onrechte niet beperkt tot deze maximale duur.

2.10 Gelet op het vorenoverwogene kleven aan het bestreden besluit een aantal gebreken, die verweerder in de beslissing op bezwaar kan herstellen. Gelet op het ontbreken in het bestreden besluit van de in artikel 54 van de WWB voorgeschreven maximale duur van de opschorting van verzoekers recht op bijstand, ziet de voorzieningenrechter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen zoals omschreven onder 3.1. Daarbij is betrokken dat de maximale duur van de opschorting in het onderhavige geval, gelet op de datum van ingang, eindigt op 21 maart 2004. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een opschorting voor de maximale duur in het onderhavige geval -waarvan ook is uitgegaan in het rapport dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt- niet onredelijk is, gelet op de omstandigheid dat verzoeker teneinde het verzuim tijdig te kunnen herstellen de door verweerder gevraagde informatie met betrekking tot vermogen in Marokko dient te overleggen.

2.11 Gelet op het voorgaande zijn er termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoeker in verband met de behandeling van zijn verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Die kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- als proceskosten (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

2.12 Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1 schorst het bestreden besluit per 22 maart 2004;

3.2 bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 31,- aan verzoeker vergoedt;

3.3 veroordeelt verweerder in de kosten van verzoeker van dit geding ten bedrage van € 644,-.

Aldus vastgesteld door mr. drs. R. in 't Veld, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2004.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. A.J. Jansen mr. drs. R. in 't Veld

Afschrift verzonden aan partijen op: