Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AO8935

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-04-2004
Datum publicatie
06-05-2004
Zaaknummer
SBR 03/247
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Plaatselijke afdeling van GLTO niet aangemerkt als een informele vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid maar wel als een bestuursrechtelijke entiteit en als zodanig belanghebbende bij bestreden besluit. Geen rechtstreeks betrokken belang, zodat verweerder bezwaarde ten onrechte in bezwaar heeft ontvangen. Eerst ter zitting bekend maken wie (mede) eiser is, is niet mogelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Reg. nr.: SBR 03/247

UITSPRAAK van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

de Gewestelijke Land- en Tuinbouw Organisatie, afdeling Oudewater te Oudewater (hierna: GLTO Oudewater),

e i s e r e s,

alsmede

de Gewestelijke Land- en Tuinbouw Organisatie Utrecht

te De Bilt (hierna: GLTO Utrecht),

e i s e r e s,

alsmede

de leden van GLTO Oudewater (hierna: de leden),

e i s e r s,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater,

v e r w e e r d e r.

1. INLEIDING

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 december 2002 waarbij verweerder het bezwaar van GLTO Oudewater tegen het besluit van 23 mei 2002 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder aan de Stichting G. Ribbius Peletier Jr. tot Behoud van het Landgoed Linschoten te Veenendaal (hierna: belanghebbende), een aanlegvergunning verleend voor de uitvoering van werkzaamheden in het kader van het inrichtings- en beplantingsplan De Schrale op het landgoed Linschoten.

Het geding is behandeld ter zitting van 30 januari 2004, waar namens GLTO Oudewater is verschenen haar voorzitter T.P. Maaijen, bijgestaan door ing. A.F. van Rozen, als provinciaal coördinator werkzaam bij GLTO Utrecht, die daarbij tevens is opgetreden namens GLTO Utrecht en de leden van GLTO Oudewater. Namens verweerder is verschenen A.B. den Boer, werkzaam bij de gemeente Oudewater. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.J. Hoogenboom, werkzaam bij Sight Adviseurs voor milieu en landschap.

2. OVERWEGINGEN

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag geplaatst of eisers in hun beroep kunnen worden ontvangen en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 7:1 van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in stellen tegen dat besluit bezwaar te maken. Ingevolge artikel 6:13, eerste lid, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar of administratief beroep genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt of administratief beroep te hebben ingesteld tegen het oorspronkelijke besluit.

De rechtbank stelt vast dat GLTO Utrecht, nog daargelaten of zij in het onderhavige geval als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt, geen bezwaar heeft ingediend tegen verweerders besluit van 23 mei 2002. Voorts is niet gebleken dat aan GLTO Utrecht redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt. GLTO Utrecht kan om deze reden niet in beroep worden ontvangen.

Het beroepschrift is door GLTO Utrecht ingediend, mede namens de GLTO Oudewater en haar individuele leden. Onder de gedingstukken bevindt zich een machtiging d.d. 1 februari 2003, waarbij de algemeen voorzitter en algemeen directeur van de te Deventer gevestigde vereniging GLTO aan respectievelijk de voorzitter, de directeur belangenbehartiging en de regiofunctionaris van GLTO Utrecht met als werkgebied de provincie Utrecht een volmacht verleent om voor en namens GLTO de belangen te behartigen van de leden in de provincie Utrecht en om GLTO in het kader van de belangenbehartiging van die leden te vertegenwoordigen bij het voeren van collectieve bezwaar- en beroepsprocedures. De rechtbank stelt vast dat GLTO Utrecht niet gemachtigd is door de leden zelf om beroep in te stellen en voorts dat de leden geen bezwaar hebben gemaakt tegen verweerders besluit van 23 mei 2002. De leden kunnen derhalve evenmin in hun beroep worden ontvangen. De rechtbank kan in dit verband geen betekenis toekennen aan de eerst ter zitting - in tweede termijn - overgelegde machtiging van [het lid] (hierna: [het lid]) waaruit volgens de gemachtigde blijkt dat ook namens afdelingslid [het lid] beroep is ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van dit geschrift ("als buurman en GLTO-lid machtig ik Dhr. A.F. van Rozen om mij te vertegenwoordigen bij de behandeling van het plan "De Schrale" op vrijdag 30-1-2004") niet kan worden afgeleid dat het beroep mede namens [het lid] is ingesteld, nog daargelaten dat het eerst ter zitting als eiser bekend maken niet mogelijk is. Er dient immers voor het verstrijken van de beroepstermijn duidelijk te zijn wie het beroep aanhangig heeft gemaakt.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verweerder GLTO Oudewater terecht in haar bezwaar tegen het besluit van 23 mei 2002 heeft ontvangen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De rechtbank overweegt dat de hoedanigheid van belanghebbende in artikel 1:2, eerste lid, van die wet niet is voorbehouden aan natuurlijke personen en rechtspersonen. Het maken van bezwaar en het instellen van beroep is daarnaast opengesteld voor entiteiten niet zijnde natuurlijke of rechtspersonen, mits sprake is van een rechtstreeks en voldoende belang bij het besluit. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 mei 1996 (AB 1996/312) en van 2 september 1997 (JB 1997/218).

Eisers gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat GLTO Oudewater geen rechtspersoonlijkheid bezit. Met betrekking tot de vraag of GLTO Oudewater moet worden aangemerkt als een bestuursrechtelijke entiteit die als belanghebbende moet worden aangemerkt, overweegt de rechtbank dat zij een afdeling is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b van de statuten van de Gewestelijke Land- en Tuinbouw Organisatie gevestigd te Deventer. Dit artikel omschrijft afdelingen als organen van de vereniging die de taak en bevoegdheid hebben om de lokale en gemeentelijke belangen van de leden te behartigen.

Ingevolge artikel 2 van die statuten worden de taken, bevoegdheden, het werkgebied, de samenstelling, de wijze van bijeenroeping, de geldmiddelen en het stemrecht van de afdelingen, voor zover dit niet reeds in de statuten is geschied, nader door het bestuur bij een huishoudelijk reglement geregeld.

Ingevolge artikel 5 van het Huishoudelijk Reglement GLTO (hierna: het reglement) valt het werkgebied van een afdeling samen met het werkgebied van één of meerdere aaneengesloten gemeenten, tenzij het algemeen bestuur anders bepaalt.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het reglement heeft de afdeling tot doel en taak om binnen haar werkgebied de belangen op land- en tuinbouwgebied van de onder haar ressorterende leden te behartigen op gemeentelijk niveau.

Ingevolge artikel 7, aanhef en onder a en e, van het reglement tracht de afdeling haar doel te bereiken door het voeren van overleg met- en het geven van adviezen aan gemeentelijke en andere lokaal werkende autoriteiten in het werkgebied van de afdeling, alsmede door alle andere wettige middelen, welke in overeenstemming zijn met de doelstelling en werkwijze van GLTO.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het reglement, vertegenwoordigt het afdelingsbestuur de leden uit het werkgebied zowel binnen de vereniging GLTO als naar gemeentelijke en locale instanties. Deze vertegenwoordiging kan geschieden door de afdelingsvoorzitter.

De rechtbank is voorts gebleken dat GLTO Oudewater ingevolge het reglement de bevoegdheid heeft om zelfstandig commissies in te stellen en om uitgaven te doen. Voorts is er sprake van een ledenbestand en regelmatige financiële bijdragen van de leden en van door de vereniging aan de afdeling ter beschikking gestelde geldmiddelen. Voorts kent de afdeling een zekere organisatiegraad blijkens de aanwezigheid van een dagelijks bestuur en het houden van een ledenvergaderingen. De rechtbank is, gelet op het voorgaande van oordeel dat GLTO Oudewater dient te worden aangemerkt als een bestuursrechtelijke entiteit die zelfstandig procesbevoegd is en als zodanig aan het rechtsverkeer deelneemt. De rechtbank heeft in het dossier en het verhandelde ter zitting onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat GLTO Oudewater moet worden aangemerkt als een informele vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid die als zodanig als een naast de GLTO bestaande rechtspersoon moet worden aangemerkt. De rechtbank is immers niet gebleken van de daartoe noodzakelijke zelfstandigheid van GLTO Oudewater ten opzichte van GLTO nu ingevolge artikel 6, tweede lid, van het reglement een afdeling bij de belangenbehartiging eventuele richtlijnen van het algemeen bestuur, waaronder blijkens het derde lid van dit artikel moet worden verstaan het beleid alsmede directe verzoeken en instructies door het algemeen bestuur, in acht dient te nemen.

De rechtbank dient voorts de vraag te beantwoorden of het eigen en persoonlijk belang van GLTO Oudewater als bestuursrechtelijke entiteit direct en rechtstreeks bij de onderhavige aanlegvergunning is betrokken. De rechtbank stelt in dat verband vast dat de aanlegvergunning betrekking heeft op een gebied van in totaal ongeveer 16 hectare. Op deze gronden wordt een aantal werkzaamheden verricht om het gebied te ontwikkelen tot een natuurelement in de zin van de Natuurschoonwet. Blijkens het hiervoor ontwikkelde inrichtings- en beplantingsplan worden de volgende onderdelen tot uitvoering gebracht: de aanleg van enkele broekbospercelen aan de westzijde van het gebied (circa 4 hectare), verhoging van het waterpeil in het natuurterrein, de aanleg van een langgerekte waterpartij met geleidelijk aflopende oeverzones, de aanleg van een aantal kaden en het in hooilandbeheer of zeer extensief begrazingsbeheer nemen van gronden.

Namens GLTO Oudewater is ter zitting gesteld dat haar belang is gelegen in het behoud van de landbouwkundige structuur. Door het wijzigen van de agrarische functie in een natuurfunctie wordt volgens haar de agrarische structuur ter plaatse aangetast en door het onttrekken van een relatief grote oppervlakte landbouwgrond wordt de grondmarkt voor de bedrijfsontwikkeling van agrariërs negatief beïnvloed. De grondprijzen zullen stijgen en het onttrekken van landbouwgrond is nadelig voor de verkaveling van de individuele bedrijven. GLTO Oudewater beroept zich er voorts op, dat de inrichting en het beheer van het gebied overeenkomstig de bij besluit in primo verleende aanlegvergunning strijdig zijn met de ingevolge het geldende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Driebruggen' op de grond rustende agrarische bestemming.

De rechtbank is van oordeel dat de belangen van GLTO Oudewater niet rechtstreeks bij het besluit tot verlening van de aanlegvergunning zijn betrokken. Zoals hiervoor overwogen heeft GLTO Oudewater tot doel en taak om binnen haar werkgebied de belangen op land- en tuinbouwgebied van de onder haar ressorterende leden te behartigen op gemeentelijk niveau. Dat het wijzigen van de agrarische functie van de gronden in een natuurfunctie mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor de agrarische structuur en de verkaveling van individuele bedrijven en dat de grondprijs daardoor zou kunnen worden beïnvloed valt - wat daar verder van zij - niet volledig uit te sluiten, maar is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen concluderen dat de eigen en persoonlijke belangen van GLTO Oudewater rechtstreeks bij het besluit zijn betrokken. Ook het impliciet gestelde belang bij handhaving van de vigerende bestemming kan niet als een eigen en persoonlijk belang van GLTO Oudewater worden aangemerkt. De doelstelling en taak van GLTO Oudewater bieden - gelet op de ruime en algemene formulering daarvan - geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. De door GLTO Oudewater opgevoerde belangen stijgen naar het oordeel van de rechtbank niet uit boven de individuele belangen van haar leden. Indien GLTO Oudewater met het instellen van beroep heeft beoogd - conform haar doelstelling - de belangen van onder haar ressorterende leden te behartigen, had het in de rede gelegen dat die individuele leden haar hadden gemachtigd om namens hen beroep in te stellen.

De rechtbank komt niet toe aan de vraag of GLTO Oudewater ingevolge het derde lid van artikel 1:2 Awb als belanghebbende kan worden aangemerkt. Daartoe is immers vereist dat zij rechtspersoonlijkheid bezit, hetgeen zoals hiervoor overwogen niet het geval is. Voor zover GLTO Oudewater krachtens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden de collectieve belangen van haar leden in het bijzonder behartigt, kunnen die dan ook niet (mede) als haar eigen belangen worden beschouwd. Gelet op het voorgaande kan GLTO Oudewater niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt. Hieruit volgt dat verweerder haar ten onrechte in haar bezwaar heeft ontvangen.

Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking en het bezwaar dient alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende (de Stichting G. Ribbius Peletier Jr. tot Behoud van het landgoed Linschoten) in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 322,- als kosten voor verleende rechtsbijstand (het verschijnen ter zitting). GLTO Oudewater komt niet voor vergoeding van proceskosten in aanmerking nu er geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

verklaart GLTO Utrecht en de leden van GLTO Oudewater in hun beroep niet-ontvankelijk,

verklaart het beroep van GLTO Oudewater gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

verklaart het bezwaar van GLTO Oudewater alsnog niet-ontvankelijk,

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit,

bepaalt dat de gemeente Oudewater het door GLTO Oudewater betaalde griffierecht ad € 218,- aan haar vergoedt,

veroordeelt verweerder in de kosten van belanghebbende in dit geding ten bedrage van € 322,-, te betalen door de gemeente Oudewater.

Aldus vastgesteld door mr. P. Putters, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2004.

de griffier: het lid van de enkelvoudige kamer:

drs. H. Maaijen mr. P. Putters

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

's-Gravenhage.