Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AO7624

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-03-2004
Datum publicatie
22-04-2004
Zaaknummer
167402/HAZA 03-1883
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Betreft brandverzekering, brandschade. Beroep op 251 K. Verzwijging bewoning van recreatiewoningen door asielzoekers. Beroep op 251 K afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Koophandel 251
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2004, 6228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken,

in de zaak van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VERENIGING VILLAPARK 'T LAGEVELD,

gevestigd te Hoge Hexel,

gemeente Wierden,

e i s e r e s ,

procureur:

mr. L.A.M.J. Pütz,

- t e g e n -

de naamloze vennootschap

AMEV SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

g e d a a g d e ,

procureur:

mr. O.P. van Tricht.

Partijen worden hierna aangeduid als: de Vereniging en AMEV

1.

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- de dagvaarding d.d. 15 september 2003;

- conclusie van antwoord;

- ambtshalve gewezen, op 26 november 2003 uitgesproken, tussenvonnis waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen na antwoord, gehouden op 9 januari 2004.

Partijen hebben vervolgens vonnis gevraagd.

2.

De feiten

2.1

De Vereniging is een vereniging van eigenaren van een dertigtal recreatiewoningen op villapark 't Lage Veld aan de Haarboersweg 1 te Hoge Hexel (gemeente Wierden).

2.2

Vanaf eind 1998 heeft de Vereniging de recreatiewoningen verhuurd aan het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. De bungalows zijn vanaf eind 1998 tot en met april 2003 bewoond geweest door asielzoekers.

2.3

De Vereniging heeft tussenpersoon Mulder Assurantiën B.V. te Barendrecht telefonisch benaderd voor het afsluiten van een collectieve opstal- inboedel en aansprakelijkheidsverzekering bij AMEV. Bij fax van 2 juli 1999 heeft Mulder Assurantiën B.V. AMEV verzocht om per 29 juni 1999 villapark 't Lage Veld te verzekeren. Er is geen vragenlijst gehanteerd. Ook is er geen schriftelijke offerte uitgebracht. Amev heeft bij fax van 2 juli 1999 een bevestiging van de verzekering geretourneerd.

2.4

Op het polisblad brandverzekering met polisnummer 31512383 per 29 juni 1999 inzake verzekeringnemer Villapark het Lage Veld, staat onder 'bestemming' vermeld: 'woning en recreatiewoningen'. Verzekerd zijn 29 bungalows met uitzondering van nummer 28.

2.5

Op 20 januari 2002 is er brand uitgebroken in recreatiewoning 3 van de Vereniging. De totale schade is door AMEV vastgesteld op € 43.261,75 inclusief BTW.

2.6

In het eindrapport 'onderzoek aanvraag verzekering', uitgebracht door CED Forensic d.d. 26 maart 2002 is onder meer het volgende opgenomen:

'Namens Mulder Assurantiën werd door de portefeuillebeheerder, [naam portefeuillebeheerder], een verklaring afgelegd. (…) In deze verklaring verklaarde [naam portefeuillebeheerder] onder andere dat:

- De aanvraag voor de opstalverzekering van Villapark Het Lage Veld telefonisch heeft plaatsgevonden. (…)

- Er is in het telefoongesprek gesproken over 'normale verhuur aan derden'

- Door verzekerde nimmer aan Mulder Assurantiën kenbaar is gemaakt dat er asielzoekers in de bungalows van Villapark Het Lage Veld gehuisvest waren of zouden worden.'

2.7

In het rapport '(nader) onderzoek totstandkoming verzekeringspolis', uitgebracht door CED Forensic d.d. 22 april 2002 is onder meer het volgende opgenomen:

'Hij ([naam secretaris], rechtbank) verklaarde o.a. dat hij tot 1 februari 2001 secretaris was geweest van de Vereniging van Eigenaren. (..) Hij verklaarde dat hij indertijd de contacten met assurantiekantoor Mulder had onderhouden. In die contacten werd door hem niet gesproken over het feit dat de bungalows werden bewoond door asielzoekers. [Naam secretaris] verklaarde dat hiervoor geen enkele aanleiding bestond. Voorts was het ten tijde van de totstandkoming van de polis allerminst zeker dat de asielzoekers voor een langere periode in de bungalows zouden verblijven.'

2.8

Bij brief van 2 mei 2002 heeft AMEV -met een beroep op artikel 251 WvK- met terugwerkende kracht de verzekeringovereenkomst tot 29 juni 1999 vernietigd.

2.9

Bij brief van 3 april 2003 heeft de raadsman van de Vereniging AMEV gesommeerd over te gaan tot uitkering van de geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2002.

3.

De vordering en het verweer

3.1

De Vereniging vordert veroordeling, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, van AMEV tot betaling van een bedrag van € 43.261,75 inclusief BTW, vermeerderd met de gemaakte en nog te maken kosten rechtsbijstand, althans deze kosten te begroten op € 998,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2002 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van AMEV in de proceskosten.

3.2.

De Vereniging baseert haar vordering op een met AMEV gesloten verzekeringsovereenkomst. Op grond van deze overeenkomst stelt zij dat AMEV gehouden is tot uitkering van de geleden schade over te gaan.

3.3.

AMEV heeft verweer gevoerd. Dit verweer komt hierna, bij de beoordeling van de vordering, aan de orde.

4.

De beoordeling

4.1

In beginsel valt de brandschade welke is geleden door een van de leden van de Vereniging onder de dekking van de onder 2.4 genoemde verzekering en dient AMEV de schade, groot € 43.261,75, te vergoeden. AMEV heeft bij brief van 2 mei 2002 -met een beroep op artikel 251 WvK- de verzekeringovereenkomst met terugwerkende kracht tot 29 juni 1999 vernietigd. AMEV heeft gesteld dat zij de overeenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten indien zij bij het aangaan van de overeenkomst zou hebben geweten dat de bungalows waren bestemd voor het onderbrengen van asielzoekers en dat het bungalowpark feitelijk een asielzoekerscentrum was.

4.2

Beoordeeld dient te worden of AMEV een beroep toekomt op vernietiging van de verzekeringsovereenkomst per 29 juni 1999 op grond van artikel 251 WvK.

Vast staat dat de Vereniging bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst niet aan AMEV heeft gemeld dat de 28 bungalows door asielzoekers werden bewoond, terwijl de Vereniging wel bekend was met het feit dat vanaf eind 1998 asielzoekers in de bungalows waren gehuisvest. De Vereniging heeft gesteld dat zij in verband met tegenvallende inkomsten uit de verhuur aan particulieren (telkens) een (tijdelijke) overeenkomst is aangegaan met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, waardoor de bungalows vanaf eind 1998 tot en met april 2003 onafgebroken werden bewoond door asielzoekers.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat de Vereniging bij het aangaan van de overeenkomst heeft verzwegen dat de bungalows werden bewoond door asielzoekers nog niet een beroep op artikel 251 K rechtvaardigt. Volgens vaste jurisprudentie dient de verzekeraar aan te tonen dat hij, indien hij bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst bekend was geweest met genoemd gebruik van de bungalows, de verzekeringovereenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Daarnaast wordt de eis gesteld dat de verzekeringnemer dit wist of had moeten begrijpen. Tenslotte dient de verzekeraar zoveel mogelijk maatregelen te treffen om te voorkomen dat hij onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken de verzekeringsovereenkomst aangaat.

4.4

AMEV heeft gesteld dat het een feit van algemene bekendheid is dat de vestiging van een asielzoekerscentrum in het algemeen gepaard gaat met sociale onrust onder omwonenden en dat het een gegeven is dat vaak fricties bestaan tussen tijdelijk ergens ondergebrachte asielzoekers en omwonende autochtonen, hetgeen met enige regelmaat gepaard gaat met brandstichting dan wel het anderszins aanbrengen van vernielingen. Om die reden accepteert AMEV het opstal-, inboedel- en inventarisrisico van wat feitelijk een asielzoekerscentrum is niet.

4.5

De rechtbank is van oordeel dat een nader onderzoek naar de vraag of bewoning van de bungalows door asielzoekers relevant is voor de beoordeling van het risico in het midden kan worden gelaten, gelet op de volgende overwegingen.

4.6

Wat betreft het kenbaarheidsvereiste overweegt de rechtbank dat, nog daargelaten dat AMEV haar stellingen inzake het verhoogde risico als gevolg van bewoning door asielzoekers niet nader heeft onderbouwd, zeer te betwijfelen valt of het een feit van algemene bekendheid is dat het huisvesten van asielzoekers een groter risico op onder meer brandstichting met zich brengt, zoals AMEV heeft gesteld. Hieruit volgt dat de Vereniging niet zonder meer had moeten begrijpen dat de door haar verzwegen omstandigheden voor AMEV relevant waren.

4.7

Voorts had het -gelet op haar stelling dat bungalowparken waarin asielzoekers zijn gehuisvest voor AMEV geen verzekerbaar risico vormen- op de weg van AMEV gelegen om haar acceptatiebeleid inzake door asielzoekers bewoonde bungalowparken bekend te maken en om bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst uitdrukkelijk naar eventuele bewoning door asielzoekers te vragen. Gesteld noch gebleken is dat AMEV haar acceptatiebeleid kenbaar heeft gemaakt. Evenmin is gebleken dat uitdrukkelijk naar eventuele bewoning door asielzoekers is gevraagd.

Vast staat dat AMEV bij het aangaan van de overeenkomst geen vragenlijst heeft gehanteerd. De verzekering is totstandgekomen naar aanleiding van een telefonische aanvraag en het onder 2.3 genoemde faxbericht van Mulder Assurantiën B.V.

Ter comparitie is van de zijde van de Vereniging verklaard dat in het telefoongesprek tussen [naam portefeuillebeheerder] van Mulder Assurantiën B.V. en [naam secretaris] van de Vereniging niet is gesproken over 'normale verhuur', zoals in het onder 2.6 genoemd rapport van CED Forensic is vermeld. De raadsman van AMEV heeft ter comparitie verklaard dat hij niet weet of in genoemd telefoongesprek is gevraagd naar de bestemming van de recreatiewoningen en dat hij denkt dat daar waar in de verklaring van [naam portefeuillebeheerder] staat dat over 'normale verhuur' is gesproken hij dit woord 'normale' achteraf heeft ingevuld, inmiddels wetende van de opvang van de asielzoekers.

Daargelaten dat op grond van het vorenstaande niet vast staat of naar de bestemming van de recreatiewoningen is gevraagd, zou de vraag naar de bestemming van de recreatiewoningen naar het oordeel van de rechtbank nog niet met zich mee brengen dat hiermee voor de Vereniging kenbaar was dat zij moest melden dat in de bungalows asielzoekers waren gehuisvest.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat AMEV onvoldoende maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat zij onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken de verzekeringsovereenkomst is aangegaan. AMEV komt dan ook geen beroep op artikel 251 WvK toe. Derhalve is zij gehouden de schade ad € 43.261,75 aan de Vereniging te vergoeden.

4.8

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat op het onder 2.4 genoemd polisblad ten aanzien van de bestemming naast 'recreatiewoning' ook 'woning' is aangegeven, waaruit volgt dat een (min of meer permanent) gebruik anders dan recreatief gebruik niet is uitgesloten. Niet valt in te zien waarom bewoning door asielzoekers niet zou vallen onder de bestemming 'woning en recreatiewoning'.

4.9

Ter comparitie heeft AMEV haar subsidiaire verweer, dat uit de polis geen recht op uitkering voortvloeit voor de Vereniging laten varen, zodat dit geen verdere bespreking behoeft.

4.10

De Vereniging heeft buitengerechtelijke kosten gevorderd en daartoe gesteld dat deze daadwerkelijk zijn gemaakt. Deze stellingname is door AMEV onweersproken gebleven. De rechtbank zal een bedrag aan buitengerechtelijke kosten toewijzen, zij het ambtshalve gematigd overeenkomstig het bepaalde in 242 lid 1 RV tot twee punten van het toepasselijke liquidatietarief in eerste aanleg, te weten € 1.542,--.

De gevorderde wettelijke rente over buitengerechtelijke kosten is als vermogens-schade toewijsbaar vanaf de dag der dagvaarding of zoveel eerder als de schulde-naar dienaangaande in verzuim is en voor zover die kosten voordien daadwerkelijk zijn gemaakt. Nu de Vereniging evenwel niet heeft gesteld op welke datum de buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk zijn betaald, zal de rechtbank deze toewijzen vanaf de dag van de dagvaarding, zijnde 15 september 2003.

4.11

Bovenstaande leidt tot het oordeel dat de vordering zal worden toegewezen als hierna vermeld.

4.12

AMEV zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5.

De beslissing

De rechtbank:

5.1

Veroordeelt AMEV om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Vereniging te betalen een bedrag van € 44.803,75 (vierenveertig duizend achthonderddrie euro en vijfenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over € 43.261,75 vanaf 20 januari 2002 tot aan de dag van voldoening en over € 1.542,-- vanaf 15 september 2003 tot aan de dag van voldoening.

5.2

Veroordeelt AMEV in de proceskosten aan de zijde van de Vereniging gevallen, tot op deze uitspraak begroot op € 921,16 aan verschotten en op € 1.542,-- aan salaris;

5.3

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Eelkema en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 24 maart 2004.