Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AO7314

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
29-04-2004
Zaaknummer
298782 CV EXPL 03-3866
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag en de betekenis van het Boulidam-arrest

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2004/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

SECTOR KANTON, LOCATIE UTRECHT

Vonnis in de zaak van:

[eiser],

wonende te Amsterdam,

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. A.A.M. Broos, FNV Ledenservice te Amsterdam,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JALUTRA B.V.,

handelend onder de naam Zutrans,

gevestigd en kantoorhoudende te Woerden,

verder ook te noemen Zutrans,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. K. Weijers, advocaat te Rotterdam.

1. Verloop van de procedure

- [eiser] heeft een vordering ingesteld en daarbij producties in het geding gebracht.

- Zutrans heeft geantwoord op de vordering, onder overlegging van producties.

- [eiser] heeft voor repliek geconcludeerd en daarbij opnieuw producties in het geding gebracht.

- Vervolgens heeft Zutrans voor dupliek geconcludeerd, waarbij zij één productie heeft overgelegd.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. De vaststaande feiten.

2.1 [eiser], geboren op 15 juli 1947, is op 13 januari 1975 in dienst getreden van de rechtsvoorganger van Zutrans, Mona. Zijn brutoloon bedroeg in 2001 € 2.627,50 per maand incl. 8% vakantiebijslag.

2.2 In de jaren 1975 tot 1991 is [eiser] werkzaam geweest als routeverkoper, in welke functie hij aan professionele klanten zuivelproducten verkocht en leverde.

Vanaf 1991 was [eiser] als afleveringschauffeur werkzaam. Daarbij diende hij rol-containers met zuivelproducten in en uit een vrachtauto te laden en routes te rijden. In 1995 is hij overgeplaatst naar Heiloo om voor Zutrans als chauffeur in het "wijkvervoer" werkzaam te zijn.

2.3 Op 2 november 1998 heeft [eiser] zich ziek gemeld met schouderklachten. Aanslui-tend is aan [eiser] per 1 november 1999 een WAO-uitkering toegekend naar een ar-beidsongeschiktheidsklasse van 80-100%. Per 20 november 2002 is [eiser] afgeschat naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35-45%. Vanaf deze datum heeft [eiser] in aanvulling op zijn WAO-uitkering een gedeeltelijke WW-uitkering ontvangen.

2.4 Bij brief van 21 november 2001 heeft Zutrans aan de toenmalige RDA verzocht om toestemming de arbeidsovereenkomst met [eiser] wegens zijn arbeidsongeschiktheid te mogen opzeggen, welke toestemming door de CWI op 21 augustus 2002 is ver-leend.

2.5 Door opzegging zijdens Zutrans bij brief van 22 augustus 2002, is de arbeidsovereen-komst tussen partijen geëindigd per 1 december 2002.

2.6 De arbeidsdeskundige van UWV Gak, [naam], heeft op de adviesaanvraag van de CWI in het in r.o. 2.4 bedoelde kader, op 19 juli 2002 o.m. het volgende doen weten:

"(...…) 2C. Beperkingen en/of belastbaarheid (...…)

Schouderklachten + til, draagbeperkingen (...…)

5A. (..) Reïntegratie aangepast eigen werk is mislukt.

5B. Met blh. is besproken dat uit onderzoek bij wg. is gebleken dat er geen passend werkaanbod is. Blh. is gemeld voor begeleiding passend werk andere werkgever. (…...)

6. Op arbeids- en opleidingsniveau van blh. zijn er binnen het bedrijf alleen maar chauffeursfuncties. Blh. is voor deze arbeid blijvend arbeidsongeschikt. (...…)"

2.7 De huisarts van [eiser] heeft op 18 februari 2003 het volgende verklaard:

"Betrokkene heb ik op diverse data op mijn spreekuur gezien in november en december 1998, in sept. 2001, oktober 2001. Zijn klachten waren: pijn en bewegingsbeperking van de linker schouder. Het post-operatieve beloop was ongestoord. De pijnklachten bleven echter onveranderd. Een sec. opinion in het VU medisch centrum luidde: klachten op basis van degeneratieve supraspinatusaanhechting linker schouder. Expectatief beleid conform Slotervaart Zhs. De schouder was verminderd belastbaar en er waren slaapproblemen door de pijn. De diagnose werd gesteld op een supraspinatus tendinitis. Er volg-de fysiotherapie en later verwijzing naar de orthopeed i.v.m. persisterende klachten. In het Slotervaart Ziekenhuis werd een arthroscopische decompressie verricht aan het rotatie cuffsysteem en werd een for-se osteofyt aan de onderzijde van het acromioclaviculaire gewricht verwijderd. Er heeft tevens nog door mij locale infiltratie plaatsgevonden echter zonder blijvende verbetering. De oorzaak van een degenera-tieve supraspinatus pees is zeer vaak overbelasting zodat het aannemelijk is dat de werkzaamheden hier verband mee hielden. Bewijzen kan ik dat echter niet. (...)."

2.8 Dr. [naam arts], behandelend orthopeed van [eiser] verbonden aan het medisch cen-trum van de VU, heeft op 4 februari 2002 geschreven aan mr. Broos:

"In antwoord op uw schrijven d.d. 23-01-2003 betreffende een verzoek om informatie over de heer [eiser], geboren 15-07-1947, stuur ik u in de eerste plaats bijgaand een kopie van de brief naar de huisarts d.d. 20-06-2001 Patiënt bezocht op 27-03-2001, 23-04-2001 en 31-05-2001 de polikliniek orthopaedie. Patiënt heeft klachten van zijn linker schouder geuit welke passen bij subacromiaal pijnsyn-droom op basis van dystrofische calcificaties ter hoogte van de supraspinatusaanhechting. Een en ander is te duiden als een degeneratieve afwijking.

Het is overigens vermeldenswaardig dat bij het lichamelijk onderzoek er geen actieve functiebelemme-ring waarneembaar was. Ten aanzien van de behandeling zijn wij met patiënt een expectatief beleid overeengekomen. Op uw vraag of ik een verband aannemelijk vind tussen de werkzaamheden van cliënt en de door de cliënt geuite klachten is mijn antwoord dat de schouder belastende activiteiten van patiënt wel degelijk kunnen bijdragen aan de ernst van de klachten. In hoeverre echter erbij patiënt een moge-lijke progressie van normale degeneratieve afwijkingen op zijn leeftijd plaats heeft gevonden kan ik echter niet met zekerheid vaststellen. (...…)."

De bijlage waarnaar dr. [naam arts] verwijst houdt het volgende in:

"Op 31-05-2001 zag ik de heer [eiser], (…) in verband met onderzoek pijnklachten linker schou-der.

Anamnese:

De pijnklachten zijn onveranderd. Ik verwijs hiervoor naar mijn voorgaande correspondentie.

Aanvullend onderzoek:

Echo linker schouder: dystrofische calcificaties op basis van degeneratie supraspinatusaanhechting.

Botscan: geen afwijkingen.

Conclusie:

Klachten op basis van degeneratieve supraspinatusaanhechting linker schouder.

Beleid:

Expectatief, conform het beleid van het Slotervaart Ziekenhuis, waar patiënt eerder geopereerd is."

2.9 Het personeelsjaarverslag over 1988 van (de rechtsvoorganger van) Zutrans houdt onder meer het volgende in:

"Het sociaal medisch team heeft besloten gezamenlijk in alle distrikten een vergadering bij te wonen om duidelijk te maken wat de verschillende disciplines binnen het kader van het sociaal beleid van de on-derneming voor de medewerkers kunnen doen.

Een dynamische groep - zoals de MONA-Koeldienst - waaraan voortdurend hoge eisen worden gesteld, verdient extra zorg en aandacht. Een effektieve bijdrage vanuit de bedrijfsgezondheidszorg dit te berei-ken is het besluit meer prioriteit te geven aan het periodiek geneeskundig onderzoek, dat eveneens fre-kwenter zal plaatsvinden. In een vergevorderd stadium zijn de plannen een 'til'kursus te organiseren voor algemeen assistenten, routeverkopers en alle anderen die de miljoenen eenheden per jaar van fa-briek naar consument moeten transporteren. Het doel is de medewerkers te leren op welke wijze zij ver-antwoord met deze 'lasten' om kunnen gaan en kunnen voorkomen dat wij het 'bewegingsapparaat- te zwaar belasten.

Nog altijd is een groot probleem vervangende werkzaamheden te vinden voor (oudere) routeverkopers voor wie het werk te zwaar wordt. Dit is een punt waaraan veel aandacht besteed werd en wordt, maar waarvoor een pasklare oplossing op korte termijn nog niet in zicht is.

ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN

Om meer inzicht te krijgen in de lichamelijke belasting van de routeverkoper is er in 1986 door de Ge-meenschappelijke Medische Dienst een onderzoek verricht. Hieruit is een rapport ontstaan: 'Fysieke belasting van routeverkoper'. Hieruit is gekonstateerd dat de huidige inrichting van de koelwagens niet ideaal is voor goede arbeidsomstandigheden. De routeverkopers moeten zware fysieke handelingen ver-richten, waardoor rugklachten kunnen ontstaan. Het viel op dat meerdere routeverkopers systematisch verkeerde handelingen en bewegingen deden, vooral bij verkopers met rugklachten.

Advies was dan ook hier iets aan te doen. In 1987 is hier een eerste aanzet aan gegeven. Er zijn als proef 2 wagens ingezet met een laadklep, één in De Meern en één in Noordoost. De resultaten van de proef zullen in 1988 nader bekeken worden. In 1987 is de mogelijkheid geboden iedere wagen te voorzien van een rolwagentje (zie ook eerder in dit verslag)-

In overleg met de bedrijfsarts wordt verder gekeken naar een instruktieprogramma over werkhouding en goed bewegen dat naar verwachting in 1988 gegeven zal worden."

2.10 [eiser] is vanaf 23 april 2003 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar als chauffeur in dienst van Klebuver, tegen een salaris van €EURO 1.370,99 bruto per maand, excl. vakantiebijslag.

2.11 [eiser] heeft (zelf) een WAO-hiaatverzekering gesloten.

3. De vordering en het verweer

3.1 [eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Zutrans ver-oordeelt tot betaling aan [eiser] van:

a. een bedrag van EURO € 102.472,50 bruto als schadevergoeding in de zin van artikel 7:681 lid 1 BW;

b. een bedrag van €EURO 2.450,41 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

c. de wettelijke rente over alle voornoemde gevorderde bedragen vanaf de dag dat die bedragen zijn verschuldigd;

d. de kosten van het geding, het salaris van de gemachtigde van eiser en het griffie-recht daaronder begrepen.

3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het ontslag kennelijk onredelijk in de zin van artikel 7:681 lid 2 sub b BW is, nu Zutrans aan hem geen billijke afvloeiings-regeling heeft toegekend. Volgens [eiser] bezorgde hij als chauffeur bestellingen bij winkeliers. In de eerste plusminus 5 jaren van zijn dienstverband deed hij dit met een busje; hierna met een kleine vrachtwagen. [eiser] bezorgde in deze periode handma-tig dozen van gemiddeld 10 á 15 kg per stuk bij de diverse winkeliers. Dit betekende dat [eiser] veel moest bukken, sjouwen en tillen. Omstreeks 1987 kreeg [eiser] de beschikking over een vrachtwagen met een laadklep. De producten werden toen be-zorgd in containers van 100 á 300 kg. [eiser] moest de containers op de laadklep duwen en nadat deze was gedaald naar de winkel rijden. Dit betekende derhalve dat [eiser] veel moest trekken en duwen. [eiser] meent dat er een verband is tussen zijn werkzaamheden en zijn arbeidsongeschiktheid. Hij verwijst in dit verband naar de in r.o. 2.7 genoemde van zijn huisarts en de in 2.8 weergegeven brief van zijn orthope-disch chirurg.

[eiser] merkt voorts op dat diverse ex-collega's die dezelfde werkzaamheden als hij hebben verricht eveneens zijn uitgevallen met soortgelijke klachten.

[eiser] was op het moment van zijn ontslag 55 jaar en bijna 28 jaar bij Zutrans in dienst geweest. Hij is laag opgeleid en heeft eenzijdige werkervaring. Hij kan zijn ei-gen werkzaamheden niet langer verrichten en heeft medische beperkingen. Hij heeft een zeer slechte positie op de arbeidsmarkt.

Wanneer het ontslag als kennelijk onredelijk wordt aangemerkt, dient aan [eiser] een schadevergoeding te worden toegekend, waarbij [eiser] meent dat aansluiting moet worden gezocht bij een vergoeding conform de zogenaamde kantonrechtersformule, waarbij de correctiefactor is gesteld op 1.

3.3 Zutrans heeft ten verwere onder meer aangevoerd dat uit de door [eiser] overgelegde medische informatie blijkt dat een relatie tussen de degeneratieve afwijkingen in de linker schouder van [eiser] niet met zekerheid te herleiden is tot het werk, maar wel-licht uitsluitend het gevolg is van normale veroudering. Zutrans wenst bovendien op te merken dat noch de huisarts, noch de orthopedisch chirurg een bezoek heeft gebracht aan Zutrans om zich een oordeel te vormen omtrent die fysieke belasting bij de werk-zaamheden. Kennelijk zijn de beide medici uitgegaan van de (eenzijdige) stellingen van [eiser] omtrent de inhoud en fysieke belasting van de door [eiser] verrichtte en te verrichten werkzaamheden.

Dat [eiser], met name in de periode waarin hij routeverkoper was (tot en met 1991), deels lichamelijk inspannende werkzaamheden heeft verricht wordt door Zutrans niet ontkend. Na 1991 heeft [eiser] echter steeds lichtere werkzaamheden verricht, waar-bij minder getild, geduwd en getrokken hoefde te worden. Toch bleef [eiser] zeer re-gelmatig uitvallen. Dit heeft er toe geleid dat er door GAK is geconcludeerd dat er bij Zutrans uiteindelijk geen passende werkzaamheden meer voorhanden waren. Deze omstandigheid is overigens door [eiser] ook niet betwist, zodat daarvan kan worden uitgegaan.

Zutrans wijst er voorts op dat het feit dat een persoon arbeidsongeschikt raakt door zijn werkzaamheden nog niet betekent dat daarmee in absolute zin recht op een scha-devergoeding bestaat. Analoog aan het bepaalde in artikel 7:658 BW is zulks eerst het geval indien de werkgever van die arbeidsongeschiktheid en arbeidsomstandigheden een verwijt te maken valt. Zutrans is van mening dat (de strekking van) artikel 7:681 BW het bepaalde in artikel 7:658 BW niet kan doorkruisen. Het verschil in de beide bepalingen is echter dat ex artikel 7:681 BW de werknemer de bewijslast draagt van de omstandigheden dat de arbeidsongeschiktheid aan de arbeidsomstandigheden is te wijten en dat de werkgever daarvan een verwijt te maken valt. Aan deze bewijslast ontkomt [eiser] niet. Volgens Zutrans heeft [eiser] tot op heden onvoldoende aan-nemelijk gemaakt dat de door hem gestelde beperkingen uitsluitend aan de werkom-standigheden te wijten zijn en voorts dat Zutrans daaromtrent een verwijt te maken valt. Zutrans is, in aanmerking nemende het in haar onderneming geldende preventieve arbeidsomstandighedenbeleid, van mening dat haar in redelijkheid geen verwijt te ma-ken valt van de beperkingen van [eiser], voorzover al zou komen vast te staan dat die aan de werkomstandigheden zouden zijn te wijten.

4. De beoordeling

4.1 De kantonrechter stelt voorop dat Zutrans op zich een te rechtvaardigen belang had om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. [eiser] was ten tijde van de opzegging drie ja-ren onafgebroken arbeidsongeschikt en het GAK had vastgesteld dat er bij Zutrans uit-eindelijk geen passende werkzaamheden voorhanden waren. Een eerdere poging te reïntegreren in aangepast eigen werk was mislukt (r.o. 2.6). Zutrans is weliswaar ge-houden om zieke werknemers de mogelijkheid te bieden om na ziekte te reïntegreren, maar zij heeft in beginsel ook het recht om na twee jaren ziekte de arbeidsovereen-komst met een werknemer op te zeggen.

4.2 Met het eindigen van de arbeidsovereenkomst door de opzegging door Zutrans is de -door [eiser] bevestigend en door Zutrans ontkennend beantwoorde- vraag aan de or-de of het door Zutrans aan [eiser] gegeven ontslag als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt, welke vraag moet worden beantwoord aan de hand van de om-standigheden van het geval. In beginsel is daarbij, naar [eiser] terecht aanvoert, de situatie ten tijde van het eindigen van de arbeidsovereenkomst, 1 december 2002 (r.o. 2.5), beslissend.

4.3 Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat op de hiervoor genoemde datum de zijn perspectieven op de arbeidsmarkt zeer somber waren. Het is immers als een erva-ringsfeit te beschouwen dat personen in de omstandigheden van [eiser] -oudere werknemer, gedeeltelijk afgekeurd, weinig opgeleid, eenzijdig arbeidsverleden- niet of nauwelijks meer aan de slag komen. Waar het ontslag voor [eiser] nadelige inko-menseffecten had -tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] terugviel op een ge-deeltelijke WAO-uitkering aangevuld met uitkeringen uit een WAO-hiaatverzekering en een WW-uitkering- staat vast dat de gevolgen van het ontslag voor [eiser] ernstig waren, niettegenstaande het in 4.1 vermelde. Het feit dat [eiser] ondanks de sombere vooruitzichten toch een andere baan gevonden heeft brengt, anders dan Zutrans heeft gesteld, niet met zich mee dat deze "belangrijke omstandigheid bij de oordeelsvorming omtrent de kennelijke onredelijkheid van het ontslag van [eiser] (..) aan de vordering van [eiser] komt te ontvallen" (conclusie van dupliek sub 3.3.).

Waar het hiervoor bedoelde perspectief op de arbeidsmarkt als ervaringsfeit is te be-schouwen is ter zake, anders dan verdedigd door Zutrans, bewijslevering door [eiser] niet nodig.

4.4 Met betrekking tot het door partijen gevoerde debat rond de "Boulidam-jurisprudentie" en de volgens Zutrans uit het arrest van de Hoge Raad van 17 decem-ber 1999, NJ 2000, 171 voortvloeiende regel dat het aan de werknemer is te bewijzen dat er sprake is van omstandigheden die aanleiding geven tot de kennelijke onredelijk-heid van het gegeven ontslag, overweegt de kantonrechter als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat het werk van routeverkoper lichamelijk belastend werk is. Hetgeen daarover wordt opgemerkt in het door Zutrans overgelegde gedeelte uit het personeelsjaarverslag spreekt voor zich. Kennelijk bestond er aanleiding tot een onderzoek door de GMD en de bevindingen "(..) de huidige inrichting van de koelwa-gens niet ideaal is voor goede arbeidsomstandigheden. De routeverkopers moeten zwa-re fysieke handelingen verrichten, waardoor rugklachten kunnen ontstaan. Het viel op dat meerdere routeverkopers systematisch verkeerde handelingen en bewegingen de-den, vooral bij verkopers met rugklachten. (..) ", tonen een zware lichamelijke belas-ting van de routeverkopers aan. Ook het door Zutrans overgelegde EGB-rapport "Mo-na-routeverkoper: zelfverwenner", dat blijkens het vermelde in "DE AANLEIDING" ken-nelijk (deels) uitgaat van de bevindingen van de GMD, toont aan dat het werk fysiek zwaar belastend is.

Ten aanzien van de door [eiser] vervolgens uitgeoefende functie van afleverings-chauffeur, stelt de kantonrechter vast dat Zutrans niet heeft betwist dat de producten werden bezorgd in rolcontainers met een gewicht van 100 á 300 kg., welke door [eiser] eerst op de laadklep van de vrachtwagen geduwd en vervolgens naar de klant gereden diende te worden, met veel duw- en trekwerk als gevolg. Ook deze functie, hoewel wellicht lichter dan die van routeverkoper, hield derhalve lichamelijk fors be-lastende arbeid in.

Deze door [eiser] uitgeoefende werkzaamheden worden, blijkens het personeelsjaar-verslag (r.o. 2.9) veel (oudere) routeverkopers te zwaar, hetgeen kennelijk inherent aan de functie is en met welke problematiek Zutrans reeds jaren bekend is, immers het per-soneelsjaarverslag dateert uit 1988. Niettemin is gesteld noch gebleken dat Zutrans een adequate oplossing voor dit "groot probleem" heeft gevonden." Zutrans legt in dit ver-band ten onrechte de bal bij [eiser] waar zij aanvoert dat hij "zelf niet wilde inzien dat de chauffeursfunctie bij Zutrans niet meer bij zijn fysieke gezondheid paste en desondanks niet wilde zoeken naar een meer passende baan. Uit niets blijkt van enig beleid van Zutrans op dit punt ten aanzien van oudere werknemers, [eiser] in het bij-zonder, en bovendien is gesteld noch gebleken dat, toen [eiser] eenmaal uitgevallen was, getracht is hem te begeleiden naar een passende functie bij een andere werkgever. Dat Zutrans, zoals door haar gesteld, aan [eiser] eens tentatief heeft voorgesteld naar werk buiten Zutrans te gaan kijken, aangezien het hoge ziekteverzuim voor Zutrans onacceptabel werd, geeft aan dat Zutrans [eiser] in deze onvoldoende heeft begeleid. en zij kennelijk vooral het oog had op haar eigen belangen. Dat Zutrans in aanvulling hierop bij conclusie van dupliek heeft aangegeven dat zij [eiser] bij het zoeken naar een andere werkplek behulpzaam zou kunnen zijn en zij werd geconfronteerd met een werknemer die niet bereid was alternatieven onder ogen te zien, is te weinig onder-bouwd om zulks van belang te kunnen doen zijn. Immers, iets bij gelegenheid tentatief voorstellen of suggereren is te vrijblijvend om daaraan in de door Zutrans gewenste zin betekenis te kunnen toekennen.

Waar Zutrans aanvoert dat [eiser] door haar niet is "afgedankt", daarbij kennelijk aansluitend bij de in het Boulidamarrest terug te vinden opmerking van Boulidam "Ik ben afgedankt", geldt dat naar het oordeel van de kantonrechter onderhavige zaak niet wezenlijk verschilt met die welke in het Boulidamarrest aan de orde was. Het werk van [eiser] moge niet vies geweest zijn, het was wel lichamelijk zwaar belastend en na een dienstverband van 27 jaar was er voor de ten tijde van het ontslag 55-jarige en gedeeltelijk arbeidsongeschikte [eiser] geen passende arbeid meer beschikbaar. Ge-lijk de werkgever van Boulidam meent ook Zutrans dat er geen aanspraak op een ver-goeding bestaat.

Wat er zij van de opmerking van Zutrans dat het Boulidamarrest en de daaraan ver-wante jurisprudentie fel zijn bekritiseerd en niet langer doorslaggevend zijn, de kan-tonrechter gaat aan deze jurisprudentie niet voorbij; het arrest van 17 december 2003, NJ 2000, 171 (Stichting Thuiszorg) dwingt daartoe ook geenszins.

4.5 Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter van oordeel is dat de belangen van [eiser] en Zutrans afwegend de conclusie dient te zijn dat het ontslag als kennelijk onredelijk dient te worden aangemerkt. Dat betekent dat aan [eiser] een vergoeding dient te worden toegekend, in verband waarmee het volgende geldt.

De kantonrechter zal bij de nog te bepalen vergoeding uitgaan van de kantonrechters-formule. Erkend kan worden dat deze weliswaar oorspronkelijk niet is bedoeld voor gevallen als de onderhavige, dat neemt niet weg dat deze als maatstaf zeer wel bruik-baar is in zaken betreffende kennelijk onredelijk ontslag. De Hofjurisprudentie moge verdeeld zijn (vgl. bijvoorbeeld Hof 's Gravenhage,10 januari 2003, JAR 2003, 105 en Hof Arnhem, 18 maart 2003, JAR 2003, 127) de kantonrechter kiest in deze voor toe-passing van de kantonrechtersformule, m.n. nu het in beide gevallen gaat om een ver-goeding met het oog op de gevolgen van het eindigen van de dienstbetrekking, waarbij de schade abstract berekend wordt. Door middel van de C-factor van de kantonrech-tersformule kan voldoende rekening worden gehouden met voor de hoogte van de ver-goeding relevante omstandigheden. Tot die omstandigheden rekent de kantonrechter:

- het antwoord op de vraag of [eiser] niet (slechts) ná langdurig zijn werkzaamhe-den voor Zutrans verricht te hebben arbeidsongeschikt is geworden maar (ook) dóór het werk. De kantonrechter is met Zutrans van oordeel dat met de thans voor-liggende, in r.o. 2.7 en 2.8 geciteerde, stukken te weinig informatie beschikbaar is om tot aanname van het causaal verband tussen ziekte en het werk te kunnen oor-delen. Opvallend in dit verband is dat [eiser] wel een verklaring van zijn huisarts en de orthopeed [naam arts] verbonden aan de VU, maar niet van (een of meer speci-alisten verbonden aan) het Slotervaartziekenhuis waar [eiser], voordat hij bij dr. [naam arts] onder behandeling kwam geopereerd is (r.o. 2.8 i.f.). De kantonrechter overweegt met betrekking tot dit onderdeel een deskundige te benoemen, waarbij hij denkt aan dr. [naam deskundige], verbonden aan het Orthopedisch Expertise Centrum, Prinsengracht 769 te Amsterdam. Ter gelegenheid van de te gelasten comparitie van partijen zullen partijen in de gelegenheid zijn zich uit te laten om-trent het voornemen tot benoeming van een deskundige, de persoon van de voorge-stelde deskundige en de aan hem voor te leggen vragen;

- de stelling van Zutrans dat zij ingevolge de toepasselijke CAO slechts was gehou-den de WAO-uitkering van [eiser] aan te vullen tot 80% maar dat zij deze zowel tijdens het eerste jaar van [eiser]s arbeidsongeschiktheid, als in de jaren 2000 en 2001 heeft aangevuld tot 100% van het tijdloon. Zutrans stelt dat zij door deze aanvulling boven het CAO-niveau circa € 11.600,-- extra aan [eiser] heeft vol-daan en dat deze suppletie bij de vaststelling van de eventueel verschuldigde scha-devergoeding dient te worden meegenomen. [eiser] heeft daar tegenover gesteld dat de door Zutrans verleende suppletie een secundaire arbeidsvoorwaarde betreft. De kantonrechter acht zich ook op dit punt onvoldoende geïnformeerd door partij-en, m.n. Zutrans heeft haar verweer ter zake onvoldoende onderbouwd. De kanton-rechter verlangt van Zutrans dat zij de CAO('s) over de desbetreffende jaren voor-afgaande aan de comparitie van partijen overlegt, zodat ook daarover met partijen gesproken kan worden.

4.6 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de kantonrechter een comparitie van par-tijen tot het verstrekken van inlichtingen gelasten, welke comparitie tevens kan wor-den aangewend voor het beproeven van een minnelijke regeling.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter:

- beveelt partijen, in persoon, desgewenst vergezeld van een gemachtigde, om te ver-schijnen ter gelegenheid van de comparitie van partijen tot het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling, welke wordt gehouden voor de kantonrechter te Utrecht op dinsdag 30 maart 2004 te 16.00 uur in het gerechtsgebouw aan het Janskerkhof 13-13a te Utrecht;

- bepaalt dat de partij die op de aangegeven dag en tijd niet kan verschijnen binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de kantonrechter (ter attentie van mevr. [contactadres]) om een nadere dagbepaling dient te vragen, onder opgave van verhinderdata van beide partijen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. van Rijkom, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2004.