Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AO5601

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-03-2004
Datum publicatie
15-03-2004
Zaaknummer
16/301055-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

6 maanden gevangenisstraf en TBS: Aanranding minderjarige meisjes

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer : 16/301055-03

Datum uitspraak: 15 maart 2004

Tegenspraak

Raadsman: mr. S.F.J. Smeets

G/T: Ja

VERKORT VONNIS

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 16 januari 2004 en 1 maart 2004.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het onder 1 ten laste gelegde feit ter terechtzitting van 1 maart 2004 toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage III van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 2, 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Ten aanzien van het onder 2 t/m 6 bewezenverklaarde:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Op de dagvaarding is aan verdachte medegedeeld dat de ad informandum gevoegde strafbare feiten ter bepaling van de strafmaat ter kennis van de rechtbank worden gebracht en dat verdachte daarvoor niet afzonderlijk zal worden vervolgd indien de rechtbank met die feiten rekening houdt.

Nu verdachte de feiten heeft bekend zal de rechtbank rekening houden met 11 ad informandum gevoegde feiten, zoals vermeld op blad 3 en 4 in bijlage III, waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- verdachte heeft binnen een periode van een maand zeven meisjes in de leeftijd van 7 tot en met 14 jaar aangerand. De ontuchtige handelingen bestonden uit het betasten van de billen en de vagina; verdachte heeft juist bij de jongste slachtoffertjes kans gezien om onder hun kleding te komen;

- verdachte heeft hiertoe kennelijk doelbewust plaatsen opgezocht waar zich veel kinderen bevinden, zoals een dierenwinkel, een speelplaats en een videoruimte bij Ikea;

- verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers;

- De rechtbank rekent het verdachte daarbij zwaar aan dat hij, terwijl hij in het verleden vele malen is veroordeeld voor zedendelicten en daartoe ook langdurige behandelingen heeft ondergaan, zich niet heeft gewend tot hulpverlenende instanties toen hij bij zichzelf opnieuw de behoefte voelde om zich te vergrijpen aan (zeer) jonge meisjes. Integendeel, hij is daarmee doorgegaan, zonder zich te bekommeren om de gevolgen voor zijn slachtoffers. Daarbij komt dat verdachte, geconfronteerd met die gevolgen, in feite zich zelf in de rol van slachtoffer plaatst en voortdurend zijn eigen voorgeschiedenis en problematiek, als rechtvaardiging voor zijn handelen op de voorgrond plaatst.

- voorts heeft verdachte zich 11 maal geëxhibeerd ten overstaan van 11 tot 17-jarigen, daarbij seksueel getinte opmerkingen gemaakt, waaronder dat hij wel zin had om te neuken; deze handelingen werden in een aantal gevallen voorafgaand gepleegd aan de bewezenverklaarde aanrandingen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 15 oktober 2003, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen is veroordeeld voor zedendelicten en waaruit blijkt dat verdachte in een proeftijd loopt van een veroordeling voor o.a. feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Stichting Reclassering Nederland, unit Utrecht, d.d. 25 november 2003, opgemaakt door de heer K. Dekker, reclasseringswerker, waarin is opgenomen dat verdachte een eerdere behandeling bij De Waag voortijdig heeft afgebroken en zich ondanks een daartoe strekkende bijzondere voorwaarde niet heeft laten begeleiden door de reclassering;

- een maatregelenrapport betreffende de verdachte, van de Stichting Reclassering Nederland, unit Utrecht, d.d. 26 februari 2004, opgemaakt door de heer K. Dekker, voornoemd alsmede hetgeen de heer Dekker ter terechtzitting naar voren heeft gebracht;

- een psychiatrisch rapport betreffende de verdachte van J.M.J.F. Offermans d.d. 8 december 2003, onder meer - zakelijk weergegeven - inhoudende

uit het psychiatrisch onderzoek

Betrokkene is nogal egocentrisch ingesteld. Zo kan hij zich maar met moeite inleven in de slachtoffers en neigt hij er soms zelfs toe zichzelf tot slachtoffer van de omstandigheden te maken.

als beschouwing

Betrokkene heeft weliswaar een sterke en als positief imponerende band met vader weten op te bouwen, maar lijkt ook te maken hebben gehad met de beperkte pedagogische kwaliteiten van beide ouders en met grensoverschrijdend seksueel gedrag van zowel moeder als zijn beide oudste zussen. Daardoor is een normale seksuele ontwikkeling niet van de grond gekomen.

In relaties met vrouwen speelt ongelijkwaardigheid een sterke rol. Het is hem niet mogelijk om op een gelijkwaardige en volwassen wijze met vrouwen om te gaan. Hij manoeuvreert zich in de rol van de 'gluurder' en de 'exhibitionist', waarbij hij in het eerste geval zich een passieve rol toebedeelt, die lijkt terug te grijpen op de contacten met zijn moeder en zijn zussen. In het tweede geval is er meer sprake van een 'turning passieve into active', waarbij betrokkene niet zozeer ondergaat als wel zich (ongevraagd) aan de ander toont en zichzelf oppept met de gedachten, dat vrouwen op hem letten en gevoelig zijn voor zijn uiterlijk en charmes. Dit laatste beeld lijkt echter af te brokkelen, waardoor betrokkene vermoedelijk steeds jongere slachtoffers nodig heeft om zich niet afgewezen te voelen.

Nadat betrokkene een periode heeft samengewoond met een vriendin, raakt hij bijna onmiddellijk nadat zij wegvalt weer ten prooi aan gevoelens van eenzaamheid en leegte en zoekt zijn heil in een groot aantal gevallen van exhibitionisme en aanranding, hoewel hij deze laatste zoveel mogelijk tracht te bagatelliseren. Zorgelijk is in dit verband, dat betrokkene slechts een beperkte verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag en neigt tot externalisatie, met andere woorden verantwoordelijkheden worden buiten hem zelf geplaatst.

als beantwoording van de vraagstelling

Betrokkene is niet of nauwelijks in staat tot gelijkwaardige en volwassen seksuele contacten, maar probeert op momenten van leegte en eenzaamheid vrouwen te begluren of zich te exhiberen, waarbij hij - vanuit een negatief zelfbeeld, dat met bij tijd en wijle overwaardige gedachten wordt overdekt - niet het (directe) risico loopt afgewezen te worden. Zoals gezegd hoefde hij deze angst voor afwijzing in contacten met kinderen nog veel minder te voelen dan in contacten met volwassenen, waardoor deze minder bedreigend zijn.

Na de arrestatie van betrokkenes tijdelijke vriendin kwam hij weer in een situatie terecht waarin leegte en eenzaamheid zich manifesteerden, die betrokkene extra kwetsbaar maakten voor uitingen van exhibitionisme en voyeurisme en waarbij zich bij tijd en wijle mogelijk ook aanrandingen hebben voorgedaan.

Betrokkene heeft weliswaar de ongeoorloofdheid van het ten laste gelegde kunnen inzien, doch is in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat geweest zijn wil in vrijheid -overeenkomstig een dergelijk besef- te bepalen.

Betrokkene moet als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd voor het hem ten laste gelegde.

De kans op herhaling van feiten als het ten laste gelegde is aanzienlijk, daar betrokkene zeker met het ouder worden nog vaker zal worden geconfronteerd met eenzaamheid en leegte, waarop hij dan snel zal reageren met exhibitionisme en voyeurisme. De kans blijft ook aanwezig, dat hij zich op kinderen als doelgroep blijft richten in de zin, dat hier minder gevaar voor afwijzing dreigt.

- een psychologisch rapport betreffende de verdachte van H. Scharft d.d. 24 februari 2004, onder meer - zakelijk weergegeven - inhoudende

uit het onderzoek:

Betrokkene is beoordeeld middels de SCR-20, een risicotaxatie-instrument voor het beoordelen van de kans op seksueel gewelddadig gedrag in de toekomst. Het recidivegevaar van seksuele delicten kan als hoog worden ingeschat (op een schaal van laag - matig - hoog).

Betrokkene is bekend met veelvuldige veroordelingen wegens zedendelicten. Deze komen voort vanuit een seksuele stoornis met diverse parafilieën (de neiging om opgewonden te raken door afwijkende seksuele stimuli), terwijl hij daarnaast ook wel in staat lijkt om seksuele bevrediging te vinden in een 'normale' heteroseksuele relatie. Dit alles is gefundeerd op een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur, waarbij betrokkene veel bevestiging van anderen nodig heeft om zijn gevoel van eigenwaarde in stand te houden. Wanneer hieraan onvoldoende tegemoet gekomen wordt, leidt dit tot gevoelens van wanhoop en eenzaamheid, maar ook tot een narcistisch getinte woede die zich ontlaadt in het plegen van seksuele delicten.

als beschouwing:

Betrokkene is rond zijn 16e jaar begonnen met het plegen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, waaronder exhibitionisme, voyeurisme en aanrandingen. Op zijn 19e jaar werd hij terbeschikking gesteld wegens zedendelicten (waaronder een verkrachting).

Betrokkene is door zijn persoonlijkheidsstoornis niet goed in staat om om te gaan met eenzaamheid en afwijzing. Toen zijn vriendin bij hem wegging was dat voor hem een tegenslag die hij niet kon verwerken en hij trachtte de negatieve gevoelens die dit bij hem opriep te verminderen door weer terug te vallen in seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dit mechanisme is diep geworteld in betrokkenes persoonlijkheid en hoewel hij wist dat zijn handelen ontoelaatbaar was, was de controle hierover beperkt. Gezien de voorgeschiedenis met reeds veel veroordelingen voor zedendelicten is het recidivegevaar aanzienlijk.

als beantwoording van de vraagstelling

Betrokkene is lijdend aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een seksuele stoornis in de vorm van een seksuele stoornis met diverse parafilieën en aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en afhankelijke trekken. Ook ten tijde van het ten laste gelegde waren de geconstateerde stoornissen aanwezig.

Betrokkene kan door zijn persoonlijkheidsstoornis moeilijk met eenzaamheid, leegte en afwijzing omgaan. Toen zijn vriendin bij hem wegging had hij niemand meer, ook geen sociale contacten. Tevens had hij doordat ze wegging niemand meer waarbij hij seksuele bevrediging kon vinden. Door deze factoren nam de drang om seksueel grensoverschrijdend gedrag te vertonen toe. Hij heeft het ontoelaatbare van zijn gedrag wel in kunnen zien, maar de controle hierover was beperkt. Op grond hiervan kan men hem als verminderd toerekeningsvatbaar zien voor hetgeen hem ten laste wordt gelegd (voorzover en indien bewezen).

Met name in tijden van eenzaamheid en psychosociale stress bestaat de kans dat betrokkene zal recidiveren. De voorgeschiedenis met veel veroordelingen voor zedendelicten wijst ook op een verhoogd recidiverisico.

De rechtbank maakt de bovenstaande visies omtrent de persoonlijkheid van verdachte tot de hare.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor feit 1 wordt vrijgesproken en ter zake van de overige ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf van 1 jaar met aftrek van het voorarrest;

- terbeschikkingstelling met voorwaarden

Gelet op de aard en de ernst van voormelde feiten is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte in elk geval een gevangenisstraf dient te worden opgelegd van na te melden duur.

Met betrekking tot een op te leggen maatregel overweegt de rechtbank als volgt:

Verdachte wordt veroordeeld voor misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de ontastbaarheid van het lichaam van één of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan 4 jaar is gesteld.

De rechtbank heeft daarbij geconstateerd dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor zedendelicten, waaronder schennis van de eerbaarheid (meermalen), feitelijke aanranding van de eerbaarheid (meermalen) en een bedreiging met verkrachting. Met verdachte is meermalen in een justitieel kader gesproken over de onaanvaardbaarheid van zijn seksueel overschrijdende gedrag. Verdachte is in het verleden voorts gedurende geruime tijd in het kader van een terbeschikkingstelling van de regering, verpleegd in de Dr. H. van der Hoevenkliniek te Utrecht. Tot medio 2002 is verdachte in het kader van een bijzondere voorwaarde behandeld geweest in De Waag, welke behandeling hij voortijdig heeft afgebroken. Deze eerdere behandelingen hebben bij verdachte niet het besef bewerkstelligd dat zijn wens om zijn seksuele behoeften te bevredigen niet mag prevaleren boven de belangen van de slachtoffers. Bij het plegen van de feiten waarvoor verdachte eerder is veroordeeld en de thans bewezenverklaarde feiten heeft verdachte zich niet beperkt tot passief grensoverschrijdend gedrag, maar heeft hij de slachtoffers ook gedwongen ontuchtige handelingen te dulden. De rechtbank maakt zich grote zorgen over de omstandigheid dat verdachte inmiddels zeer kwetsbare slachtoffers van jonge leeftijd uitzoekt. Hij zocht deze doelbewust op op plekken waar hij als inmiddels ruimschoots volwassen man niets te zoeken had, zoals de voor kinderen ingerichte videoruimte bij de Ikea. Drs. J.M.J.F. Offermans, psychiater, heeft in eerder vermelde rapportage aangegeven dat de kans aanwezig blijft dat verdachte zich op kinderen zal blijven richten nu bij deze doelgroep de kans op afwijzing kleiner is. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, in de voorwaardelijke TBS onvoldoende waarborgen om kinderen tegen deze verdachte te beschermen.

De rechtbank zal dan ook gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van terbeschikkingstelling en verpleging eist.

Het verzoek van de raadsman

De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht -mocht de rechtbank een maatregel met dwangverpleging overwegen- om de psychiater en de psycholoog, voornoemd, als getuige-deskundigen op een nadere zitting te horen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om dit verzoek te honoreren nu aan de psycholoog (eenmaal) en de psychiater (tweemaal) reeds de vraag is gesteld in welke modaliteit de TBS-maatregel dient opgelegd te worden en ook niet te verwachten valt dat zij anders gaan concluderen.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b, 57 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage III van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 6 (ZES) MAANDEN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld.

Beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Dit vonnis is gewezen door mrs E.F. Bueno, M.N. Noorman, R.P. den Otter, bijgestaan door mr. P.A. van der Kraan als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 maart 2004.