Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AO4683

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-03-2004
Datum publicatie
02-03-2004
Zaaknummer
16/351549-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak afpersing 50.000 Euro. Veroordeling wegens poging tot afpersing terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen van 65.000 Euro tot 5 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer: 16/351549-03

Datum uitspraak: 02 maart 2004

Tegenspraak

Raadsman: mr. A.N. Slijters

Getuigen: Ja

VERKORT VONNIS

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, te Nieuwegein.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 februari 2004.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

Het onder 1 ten laste gelegde feit - afpersing van € 50.000,-, in elk geval van enig geldbedrag - wordt uitsluitend gedragen door de verklaringen daaromtrent van aangever [aangever], gedaan tegenover de politie in zijn aangifte, tijdens zijn verhoor als getuige ter terechtzitting alsook - volgens zijn door de politie opgetekende verklaringen - tegenover zijn echtgenote [echtgenote] en zijn vriend [vriend].

Hiertegenover staan de verklaringen van verdachte en zijn mede-verdachten, volgens welke [aangever] weliswaar een geldbedrag heeft betaald - na daartoe door de verdachte [G.] te zijn benaderd, ter afwikkeling van een geschil dat zijn oorsprong had in het verleden -, maar zónder dat hierbij sprake is geweest van geweld en/of bedreiging met geweld zoals onder 1 van de tenlastelegging omschreven.

De rechtbank is van oordeel dat mitsdien niet tot bewezenverklaring van het zojuist bedoelde geweld en/of bedreiging met geweld kan worden geconcludeerd en derhalve niet tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit.

Dit geldt níet voor de onder 2 ten laste gelegde poging tot afpersing van € 65.000,-. Dat feit wordt immers niet uitsluitend gedragen door hetgeen [aangever] daarover tegenover de politie en tijdens zijn verhoor ter terechtzitting heeft verklaard, maar voorts door hetgeen verdachte dan wel zijn mede-verdachten in een aantal opgenomen telefoongesprekken hebben gezegd, van welke gesprekken de schriftelijke weergaven zich in het procesdossier bevinden.

In het opgenomen telefoongesprek van 11 november 2003, aanvangstijdstip 18:22:57 uur (p. 129-131 van het procesdossier), waarin door de verdachten [R.] en [E.] - al dan niet met verwisseling van hun voornamen - met [aangever] is gesproken, hebben deze verdachten zich op dusdanige wijze uitgelaten, dat dit niet anders kan worden opgevat dan als een aan [aangever] gesteld dictaat ter zake van de door hen verlangde betaling. Een zodanig dictaat volgt niet enkel uit de door [R.] en [E.] gebruikte bewoordingen, maar ook uit de gebezigde dwingende en dreigende toonzetting, die - blijkens de tijdens het onderzoek ter terechtzitting ten gehore gebrachte bandopname van het gesprek - geen ruimte voor tegenspraak of discussie liet. Een en ander heeft bij [aangever] redelijkerwijs de vrees kunnen opwekken dat hem iets ergs zou worden aangedaan, indien hij niet tot betaling zou overgaan.

Uit het opgenomen telefoongesprek van 11 november 2003, aanvangstijdstip 18:29:13 uur (pp. 131-134 van het procesdossier), tussen [E.] dan wel [R.] en [G.] blijkt vervolgens dat verdachte en zijn mede-verdachten hebben samengespannen om, na het hierboven bedoelde telefoongesprek, de druk op [aangever] (nog) verder op te voeren teneinde hem tot betaling te bewegen. Dat [G.], ter kennelijke uitvoering van dit doel, [aangever] hierop daadwerkelijk heeft gebeld, blijkt vervolgens uit het door [aangever] zelf op band opgenomen gesprek dat is weergegeven op p. 60-61 van het procesdossier.

Bovenbedoelde telefoongesprekken, tezamen en in onderling verband en mede beschouwd in samenhang met hetgeen [aangever] ter zake van feit 2 in zijn aangifte heeft verklaard (in het bijzonder op p. 42-43 en p. 50-51 van het procesdossier), maken voldoende aannemelijk dat de onder 2 ten laste gelegde poging tot afpersing van € 65.000,- door bedreiging met geweld, daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het aan [aangever] gestelde dictaat tot betaling, de uitgeoefende en bewust opgevoerde druk teneinde hem tot betaling te bewegen, het in korte tijdspanne herhaaldelijk benaderen van [aangever] met dit doel, de gekozen toonzetting en bewoordingen en mede in aanmerking nemende de omstandigheid dat [aangever] kort daarvóór - op initiatief van [G.] - reeds een geldbedrag had betaald, maken dat in de gedragingen van verdachte en zijn mede-verdachten in de gegeven omstandigheden een bedreiging met geweld besloten heeft gelegen en dat [aangever] deze gedragingen aldus heeft mogen verstaan.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Poging tot afpersing terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte en zijn mede-verdachten hebben, op de wijze beschreven onder de nadere bewijsoverwegingen, het slachtoffer gepoogd af te persen voor een aanzienlijk bedrag.

Verdachte en zijn mede-daders hebben zich bij hun handelen alleen door eigen financieel belang laten leiden. Zij hebben zich onvoldoende rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen van hun handelen voor het slachtoffer en hebben op volstrekt ontoelaatbare wijze getracht van hem vermogen afhandig te maken.

Vast is komen te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen justitieel documentatieregister d.d. 13 november 2003, eerder contacten met justitie heeft gehad. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting stellig ontkend dat hij het slachtoffer onder druk heeft gezet of heeft bedreigd met geweld om hem zo tot betaling te dwingen. Hieruit valt op te maken dat verdachte geen enkel inzicht heeft in het rechtens ontoelaatbare van zijn handelingen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Reclassering, Leger des Heils, d.d. 16 februari 2004, opgemaakt door C.J. Rijkaard, reclasseringswerker.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd- een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 5 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A. Wassing, W.H.F.M. Cortenraad en N.E.M. Kranenbroek, bijgestaan door mr. A.J. Scheijde als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 02 maart 2004.