Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AO4593

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-03-2004
Datum publicatie
01-03-2004
Zaaknummer
16/028120-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in haar functie van (hoofd)kassier van een bank - na een dienstverband van twee jaren (sinds juni 2000)- op een zeer doordachte en geraffineerde wijze een geldbedrag van in totaal € 400.000,00 verduisterd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer : 16/028120-03

Datum uitspraak : 1 maart 2004

Tegenspraak

Raadsman: mr. S.J. Daniëls, advocaat te Utrecht

G/T: Ja

VERKORT VONNIS

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 16 december 2003 en 16 februari 2004.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

De rechtbank overweegt met betrekking tot het antwoord op de vraag of verdachte

€ 400.000,00 heeft verduisterd het volgende.

De rechtbank stelt vast dat op maandagochtend 14 april 2003 bij opening van de kluis van de vestiging van de ABN/AMRO-bank aan de [adres] in Utrecht wordt geconstateerd dat één sealbag met honderd biljetten van vijfhonderd euro in de (linker)kluis aanwezig is, terwijl op vrijdag 11 april 2003 aan het eind van de middag, volgens de verklaring van verdachte, negen 'sealbags' met elk dezelfde inhoud in de linkerkluis waren gedeponeerd.

De gang van zaken in de dagen voorafgaand aan 11 april 2003 is de volgende. Verdachte draaide in de week van 7 april 2003 tot en met 11 april 2003 kas 1. Degene die kas 1 draait heeft -volgens de verklaring van de vestigingsmanager- de functie van hoofdkassier. De hoofdkassier bekijkt op woensdag hoeveel geld er besteld moet worden. Verdachte heeft, in haar functie van hoofdkassier, op woensdag 9 april 2003 via het computersysteem de (wekelijkse) bestelling gedaan bij de Nederlandse Bank. Van deze bestelling heeft zij geen print gemaakt die bij de kasstukken zou kunnen worden gedaan. Dit in tegenstelling tot de normale gang van zaken bij de ABN/AMRO-bank. Door verdachte is -naast de normale bestelling- een bestelling gedaan voor biljetten van vijfhonderd euro, omdat deze biljetten bijna niet meer in voorraad waren. Zoals de vestigingsmanager heeft verklaard was de voorraad van deze biljetten op vrijdag 11 april 2003 op.

Op vrijdag 11 april 2003 arriveerde de geldauto tussen half vier en vier uur 's middags bij de genoemde vestiging van de ABN/AMRO-bank. De vestigingsmanager en verdachte gaan rond half vijf diezelfde middag met de geleverde geldcassette naar beneden naar de grote kluis. Bij het openmaken van de geldcassette blijkt dat daarin duizend biljetten van vijfhonderd euro aanwezig zijn. De vestigingsmanager besluit daarop in eerste instantie dat de 'sealbag' met daarin de vijfhonderdeurobiljetten in zijn geheel zou moeten worden teruggestuurd naar de Nederlandse Bank op de eerst mogelijke dag waarop geldtransport plaatsvindt: op dinsdag 12 april 2003. Verdachte meldt echter aan de vestigingsmanager dat een klant een biljet van vijfhonderd euro heeft besteld.

De vestigingsmanager besluit vervolgens het pakket met de vijfhonderdeurobiljetten open te maken, de inhoud te tellen en in ABN/AMRO-'sealbags' van elk honderd biljetten te verpakken volgens de voorgeschreven procedure en in de kluis te plaatsen.

Nadat alle vijfhonderdeurobiljetten zijn geteld en verpakt brengt de vestigingsmanager één stapel van honderd biljetten naar boven naar de kas van verdachte. Verdachte blijft alleen achter in de kluisruimte. De vestigingsmanager heeft geen zicht op het daadwerkelijk opbergen van het geld in de linkerkluis en het sluiten van de rechter- en linkerkluis door verdachte.

Na het voor het publiek sluiten van de bank gaat de vestigingsmanager naar beneden, sluit de grote kluisruimte af en zet het alarm aan. Zij geeft het 'baardje' (de helft van de kluissleutel) van de kluissleutel mee aan verdachte omdat verdachte de maandag na het weekend zou werken.

In het naar verdachte ingestelde opsporingsonderzoek is bij een doorzoeking van de woning van haar ex-vriend, waar verdachte verbleef op 11 april 2003, een briefje aangetroffen waarop aan de ene kant staat vermeld de woorden "bestelling wo" met daaronder het getal "500.000", en aan de andere kant een schets van een plattegrond, die door getuige [naam getuige] is herkend als de plattegrond van het ABN/AMRO-filiaal aan de [adres] in Utrecht. Daarbij staat geschreven het woord "magaz" hetgeen naar eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting in haar handschrift is geschreven en waarmee 'magazijn' wordt bedoeld.

In het dossier zijn twee foto's aanwezig waarop bedrijfskleding van de ABN/AMRO-bank staat afgebeeld. Die bestaat uit een colbertjasje en een lange rok. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij op vrijdag 11 april 2003 een lange rok, een colbertjasje tot op de heup, daaronder een ABN/AMRO-t-shirt met lange mouwen en hoge laarzen droeg.

Naar het oordeel van de rechtbank wettigt het voorgaande de conclusie dat verdachte op 11 april 2003 een geldbedrag van € 400.000,00 heeft verduisterd, waarbij de rechtbank voor haar overtuiging betekenis toekent aan de volgende omstandigheden.

In de eerste plaats neemt de rechtbank in overweging het gedrag van verdachte voorafgaand aan vrijdag 11 april 2003. Zij slaat haar spullen op in een Citybox, waarvoor zij op woensdag 8 april 2003 een huurovereenkomst tekent. Zij verblijft anderhalve week voor 11 april 2003 bij haar ex-vriend [naam ex-vriend], in wiens woning het bovenvermelde briefje met het handschrift van verdachte is aangetroffen. Zij heeft in deze week ook een postbusadres geopend en deze adreswijziging doorgegeven aan haar bank.

In de tweede plaats neemt de rechtbank in overweging het gedrag van verdachte op vrijdag 11 april 2003. Zij heeft in de week daarvoor aan de vestigingsmanager aangegeven de hele week, ook op vrijdag, te willen werken. Zij wilde verder als hoofdkassier werkzaam zijn. De hoofdkassier is degene die -indien nodig- geld bestelt bij de Nederlandse Bank. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij -bij uitzondering- op vrijdag wilde werken omdat haar ex-vriend die dag zijn ex-vrouw en zoontje op bezoek kreeg. Zij wilde daarbij niet aanwezig zijn. De ex-vriend heeft echter bij de politie verklaard dat hij donderdag en vrijdag (10 april 2003 en 11 april 2003) heeft gewerkt. Op vrijdag heeft verdachte in de middag gebeld naar Brinks geldvervoer met de vraag wanneer het geld zou komen. Toen het geld was gearriveerd heeft zij diverse malen ongeduldig de vestigingsmanager gevraagd om samen met haar het geld te gaan tellen.

Verdachte heeft zich vóór sluitingstijd -in afwijking van de normale gang van zaken- eerder omgekleed dat het andere aanwezige personeel en is -nadat zij omgekleed weer beneden was- nog een keer naar boven gegaan om een ABN/AMRO-t-shirt te halen dat zij wilde wassen.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij 'het had gehad' met het werken bij de ABN/AMRO-bank en dat zij in de loop van vrijdag 11 april 2003 heeft beslist dat zij maandag niet meer terug zou komen. Desondanks heeft verdachte het 'baardje' meegenomen bij het sluiten van de bankvestiging op 11 april 2003, daarmee de suggestie wekkend dat zij normaal op maandag 14 april 2003 weer aanwezig zou zijn.

In de derde plaats neemt de rechtbank in overweging het gedrag van verdachte na 11 april 2003. Zij gaat op zaterdag 12 april 2003 bij haar ouders in het oosten van het land op bezoek. Zij vertelt haar ouders niet dat zij haar baan heeft opgegeven. Na 12 april 2003 is verdachte twee maanden spoorloos, ook voor familieleden en vrienden. Over de periode waarin zij spoorloos is geweest heeft zij geen enkele verklaring afgelegd, behalve dat zij de politie heeft verteld dat haar paspoort is gestolen. Van deze diefstal heeft zij overigens geen aangifte gedaan. Over de periode dat zij heeft gewerkt, had verdachte nog recht op vakantietoeslag. De betaling van de vakantietoeslag heeft zij niet opgevraagd, terwijl het in de rede ligt dat wel te doen. Verdachte meent immers zelf onschuldig te zijn en de vakantietoeslag komt haar toe.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- Verdachte heeft in haar functie van (hoofd)kassier van een bank - na een dienstverband van twee jaren (sinds juni 2000)- op een zeer doordachte en geraffineerde wijze een geldbedrag van in totaal € 400.000,00 verduisterd. Zij is bij haar handelen uit geweest op geldelijk gewin en heeft zich niets gelegen laten liggen aan het feit dat zij anderen benadeelde. Bovendien heeft zij door haar handelen het in haar gestelde vertrouwen van haar werkgever en collega's beschaamd.

- Verdachte heeft haar werkgever financieel ernstig benadeeld.

- De rechtbank heeft in het bijzonder in aanmerking genomen de hoogte van het financieel nadeel dat verdachte aan de ABN AMRO N.V. heeft berokkend.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 7 november 2003, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Reclassering Leger des Heils d.d. 29 juli 2003, opgemaakt door M.P.E. Elbersen, reclasseringswerkster.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie vordert voorts toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V.

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 400.000,00 wegens materiële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte bewezenverklaarde feit.

De materiële schade wordt begroot op € 400.000,00.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van twee (2) jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, toe tot een bedrag van € 400.000,00 (zegge vierhonderdduizend euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 400.000,00 (zegge vierhonderdduizend euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van één jaar, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door

mrs J.M. Sijbrandij, voorzitter,

L. Bakker-Splinter en J.M. Bruins, rechters,

bijgestaan door mr. J.A. van Wageningen als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 maart 2004.

Bewezenverklaring:

zij op 11 april 2003 te Utrecht, opzettelijk geld tot een bedrag van 400.000 Euro, dat toebehoorde aan ABN/AMRO-bank N.V., en welk goed verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als medewerkster van een ABN/AMRO-bank (gelegen aan de [adres] te Utrecht) onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.